Archief | Kort verhaal RSS feed for this section

Het gaat niet

13 Dec

Om tien voor elf valt het tweede kopje koffie van die morgen uit je hand. De mok met ‘liefste’ erop spat op de grond in scherven uit elkaar. Je reageert niet, kijkt zwijgend naar de zwarte vlek die langzaam uitdijt over de tegelvloer van de keuken. Dan naar je handen, die trillend voor je buik hangen.

Of het wel gaat, vraagt de toegesnelde conciërge. Je knikt, draait je om naar de koffieautomaat, pakt een andere mok uit de kast, vult hem met koffie. Als je de trap oploopt naar je kamer voel je zijn ogen in je rug.

Je gaat zitten achter je bureau, zet de dampende koffie naast je toetsenbord, staart naar het scherm. Dan sta je weer op, loopt naar het raam, ziet het meisje met de staartjes dat op haar fietsje over de weg slingert.

‘Gaat het wel?’ vraagt je collega.

‘Het is een bijzondere dag vandaag,’ zeg je.

Lees verder

Advertenties

Bulljumping

25 Mrt

IMG_0073 (800x600)

Je rijdt achter Lange Jan aan over een weg met wasbordprofiel. De gids naast je tikt mee op de Ethiopische reggae die je speciaal voor hem hebt opgezet. Gidsen moet je te vriend houden. Na een half uur wijst hij naar links, naar de struiken. Daarin. Je stuurt Landcruiser door een gat in de begroeiing, een pad op dat maar net breed genoeg is. Je verstijft wanneer de doornen piepend krabben aan de lak van je auto. Alsof het je eigen huid is die opengereten wordt.

Je stopt achter de andere Landcruisers die her en der tussen de takken staan. Het zijn er meer dan je verwachtte. The middle of nowhere is soms dichterbij dan je denkt.

‘Neem water mee,’ adviseert je gids, ’en je camera. Volg mij.’

Je loopt achter hem aan, verder het struikgewas in. Vóór hem zie je het hoofd van Jan boven het groen uitsteken, de camera al voor zijn rechteroog.

Lees verder

Niemand neemt afscheid

27 Okt

Je zet je auto neer op de parkeerplaats die je kent van lang geleden. Van het vorige afscheid. Met de envelop in je hand loop je naar de gele buitendeur waar je zo vaak door naar binnen ging. Je kijkt door de ruit om te zien of je naamplaatje er nog hangt, bij de volgende deur, die toegang geeft tot het appartement dat ooit van jou was. Huilend ging je er weg.

Je kunt niet zien of het plaatje er nog is. Misschien heeft ze het weggehaald, al vind je dat niks voor haar. Weghalen zou betekenen dat het voor haar van belang was, dat het symbool stond voor iets dat nu voorbij is. Maar dat soort symboliek lijkt haar vreemd. Ze heeft het waarschijnlijk laten hangen, zonder er ooit acht op te slaan. Als je ernaar zou vragen zou ze haar schouders ophalen, zeggen dat het niet in de weg hangt.

Terwijl je daar zo door de ruit staat te gluren, tikt iemand je op de schouder.

‘Sorry.’

Je doet een stap achteruit, een bewoner glipt langs je heen, opent het slot en gaat naar binnen. Even heb je de neiging om de dichtvallende deur tegen te houden en hem achterna te gaan, maar voordat je hebt besloten knalt de deur voor je neus weer dicht.

Lees verder

Eindeloos beginnen

29 Sep

Les 1

Je zit in een hoge ruimte met uitzicht op een binnentuin. Buiten werpt de zon haar laatste licht op de platte daken van de universiteit. Links naast je zit de vrouw die binnen vijf zinnen twee keer het woord ‘propriocepsis’ gebruikte. Rechts zit de vrouw die na haar eerste zin begon te huilen. Schuin tegenover je zit Karlijn. Je bent aan de beurt.

‘Rust,’ zeg je.

De man met de roze blouse heet Jorke. Hij doet zijn best om begrijpend, niet oordelend te knikken. Het is een goed antwoord, rust. Sommigen noemen onrust. Dat is ook een goed antwoord.

Jorke vraagt of iedereen op zijn rug wil gaan liggen. Je kijkt rond. Karlijn heeft een rood geruit blousje aan, dat een beetje open staat. Ze gaat liggen. Ook jij doet wat Jorke vraagt. Naast je hoor je De Propriocepsis snuiven.

Je tilt je armen op, legt ze boven je hoofd op de grond. Je strekt ze uit, duwt je handen nog iets verder weg, je hielen van je af. Je rekt je lichaam, let op je ademhaling. Jorke geeft instructies zoals hij dat geleerd heeft. Rustig.

Je tilt je linkerbeen op, slaat je handen om je knie, trekt.

‘Bepaal je eigen grens, ga daar niet overheen,’ zegt Jorke.

Je zoekt naar je grens. Je vraagt je af of het helpt, dat been zo. De Propriocepsis kreunt.

Je eindigt met je rug recht, je ogen dicht. Als Jorke zegt dat het genoeg is, kijk je naar Karlijn. Ze vouwt haar matje op, loopt naar de opslagruimte. Ze beweegt zoals je je voorstelt dat een slaapwandelaar wandelt: met het hoofd er niet bij en toch bedachtzaam, voorzichtig, weloverwogen. Volgende week ga je naast haar zitten.

Lees verder

Diawa

29 Sep

Cusco bij dag_bijgesneden

Op de bar staat een meisje het verkeer te regelen. In haar nauwsluitende zwarte leren broek heeft ze iets weg van een politieagent. Met brede armgebaren dirigeert ze de feestgangers. Nu eens misprijzend, met gefronste wenkbrauwen en getuite lippen het hoofd schuddend, dan weer lachend en wenkend. Niemand reageert.

Ik waad me een weg door de zwetende chaos. Bij de bar pak ik haar enkels. Ze brengt haar hoofd naast dat van mij. Oosterse trekken – zwart haar, zoals de inheemsen, maar ogen als spleetjes.

Officer, come down,’ roep ik in haar oor. ‘It is not working.’

Ze haalt niet begrijpend haar schouders op.

What are you doing?’ vraag ik.

Ze schudt haar hoofd.

Lees verder

Everdingen

29 Sep

IMG_5651

Toegegeven, het had voorkomen kunnen worden. Dat geldt voor de meeste ongelukken. Maar het was natuurlijk ook niet echt een stevig hekje.

De buurman kwam naar buiten, op zijn klompen.

‘Da’s fraai geparkeerd,’ zei hij.

Hij belde zijn buurman, die had een trekker.

Met zijn drieën kwamen ze. De buurman van de buurman en twee jongens. Groot, stevig. Ze keken, handen in de zij.

‘Da’s fraai geparkeerd,’ zeiden ze.

Ze trokken de rode Greenwheels uit de voortuin van de familie Kers. De bumper was beschadigd, het nummerbord lag eraf, maar hij reed nog.

‘Ge het geluk gehad,’ constateerde de buurvrouw van de overkant en wees naar een betonnen paaltje.

‘Geluk zit in een klein hoekje,’ zei ik en stapte in.

In Culemborg draaide ik de Peugeot in één beweging achteruit tussen een witte Volkswagen en een oude Mercedes.  Toen ik uitstapte knikte een voorbijganger mij toe.

‘Fraai geparkeerd,’ zei hij.

Mozes

22 Sep

Toen het daglicht wegtrok uit de straten nestelde Winston zich tegen een muur. Hij ritste de kraag van zijn jas wat verder dicht, stak zijn handen diep in de zakken en staarde naar de overkant van de gracht. Een stel aangeschoten jongens kwam over de brug zijn kant op. Hij schoof de versleten weekendtas de schaduw in. Het was beter dat ze hem niet zagen.

De nachten waren erger dan hij had verwacht. Het was niet zozeer de kou, het was de dreiging die tussen de huizen hing, voortdurend, als een hyena zoekend naar een prooi.

‘Zorg dat je onzichtbaar bent,’ had Mozes hem toegefluisterd, ‘val niet op en je bent zo vrij als een vogel.’

De jongens zagen hem niet. Het was verbazingwekkend hoe makkelijk je jezelf onzichtbaar kon maken. Mensen keken niet, waren met zichzelf bezig. Zelfs een rat, die in de hoek luidruchtig rommelde in een hoopje bladeren, schonk geen aandacht aan hem. Het dier schoot tussen zijn voeten door de straat over en verdween. Toen was het stil.

Het moet zeker een uur later geweest zijn. Winston was ingeslapen, zijn rug op de koude grond, zijn hoofd op de tas. Vlak boven hem klapte een ruit uit de sponning. Het regende scherven. Hij schoot overeind, een porseleinen asbak rolde over de tegels.

Lees verder