Vogeltje

14 dec

Foto_Vogeltje_bewerkt

Ik lig in de hangmat te lezen als Anne met een uit het nest gevallen vogeltje het bos uit komt lopen. Ik ben net ook ongeveer daar naar de wc geweest, maar mij is niks opgevallen. Dat Anne het wel gezien heeft is geen toeval. Het kwetsbare is een spiegel waarin ze zichzelf herkent. Daaraan loop je niet makkelijk voorbij.

‘Ze ademt nog,’ zegt ze.

Onder het op en neer bewegende huidje zijn blauwe adertjes te zien. Er is een begin van vleugels, een aanzet tot veren – grijsblauw en groen. Het snaveltje rust plat op Annes hand, alsof het diertje voorover is gevallen en niet meer rechtop kan komen.

‘We kunnen haar het beste uit haar lijden verlossen,’ zeg ik. ‘Ik kan met de schep… nou ja…’

Anne draait zich om.

‘Ze mag niet in de zon.’

Ze vouwt de rand van haar t-shirt om, maakt zo een kuiltje en legt het vogeltje erin. Ze gaat in een stoel zitten en kijkt naar het hulpeloze hoopje in haar schoot. Ik denk aan die keer, een andere vakantie, dat ik op volle snelheid over de kop sloeg met de fiets. Anne lag een stukje achter en vond mij, beduusd zittend op de grond. Ze kwam erbij zitten, keek naar me. Zoals nu, met dat vogeltje.

‘Misschien moet ik haar wat water geven,’ zegt ze.

Ik ga terug naar de hangmat. Heen en weer wiegend sla ik mijn boek weer open.

‘Luister,’ zeg ik, en citeer: ‘De onherleidbare en uiterste ervaring van de relatie ligt niet in de synthese, maar in het oogcontact tussen mensen, in het sociaal-zijn. Het denkbeeld dat liefde een versmelting van twee wezens zou zijn, is een verkeerde romantische idee. Het aandoenlijke van de erotische relatie is dat men met z’n tweeën is, en dat de ander daarin volstrekt een ander is.’

Anne legt het beestje op de grond, zet een dopje met water voor het snaveltje. Op haar hurken gaat ze erbij zitten.

‘Toe maar,’ zeg ze. ‘Je moet iets drinken.’ Ze steekt een vinger onder het kopje, tilt het van de grond en probeert water in de snavel te gieten.

‘Ik waardeer je poging, maar ik geloof niet dat dit gaat lukken,’ zeg ik. ‘Ga je haar mee naar huis nemen en voeren totdat ze een volwassen vogel is?’

‘Toe maar,’ zegt Anne nog eens, ‘is goed voor je.’

Ooit werd Anne aangereden. Haar fiets kwam vast te zitten onder het wiel van een auto, haar been zat klem onder de fiets. Wat ze zich van dat ongeluk vooral herinnert is niet de pijn, maar het feit dat iemand, een willekeurige omstander, gedurende de eeuwigheid die ze daar lag, haar hand vasthield.

‘Ons denken is een manier om niet te hoeven ontmoeten,’ lees ik. ‘Het is een poging de ander binnen te halen, tot iets bekends te herleiden, haar bestaan te verdoezelen, botweg te ontkennen, of op quasi-intelligente wijze domweg ondenkbaar te achten.’

Anne loopt het bos weer in. Even later komt ze terug, met takjes en blaadjes in de hand. Op een afgezaagde boomstronk begint ze het materiaal uit te spreiden. Ze haalt nog meer takjes, schikt en herschikt. Dan loopt ze terug naar de ingang van de tent en probeert het vogeltje opnieuw water te laten drinken.

‘Goed zo!’ zegt ze. ‘Zie je wel dat je dorst had.’

Ze pakt het vogeltje op en zet het op de boomstronk.

‘Zo, nu heb je een lekker zacht nestje.’

Ze gaat terug naar de stoel en kijkt van een afstandje toe hoe het vogeltje af en toe drinkt uit het dopje. Even later piept het.

‘Goed zo, roep maar!’ zegt Anne.

Ik ga verder.

‘Wij kunnen denken wat wij willen, maar de ander zullen wij niet kennen. In relatie treden met een ander is in relatie treden met het oneindige, met iemand die onbevattelijk en ongrijpbaar voor ons is. Deze relatie is niet een weten, maar een Verlangen. Tussen een ik en een ander blijft de afstand absoluut. In een liefdesrelatie verdwijnen het anders-zijn en de dualiteit niet.’

Boven onze hoofden, in de bomen, klinkt geritsel.

‘Je moeder komt eraan hoor,’ zegt Anne.

Inderdaad fladdert een kleine vogel naar beneden en gaat vlakbij de stronk op een tak zitten. Onrustig hipt ze heen en weer, kijkt om zich heen en schiet dan naar het nestje. Kort inspecteert ze het kleintje om daarna weer omhoog te vliegen en tussen het gebladerte te verdwijnen. Het gevallen vogeltje piept nu onophoudelijk. Anne kruipt de tent in. Ik praat door tegen het groene zeil.

‘Het niet kunnen kennen van de ander, de onmogelijkheid om de ander in kennis om te zetten, betekent niet dat wij het kennismaken dan maar moeten opgeven en erin berusten dat wij, als wij al aan een relatie beginnen, als volmaakte vreemden langs elkaar heen zullen leven. Het gaat er juist om in te zien dat wij een leven lang kunnen blijven doorgaan met kennismaken, en wel omdat liefde de ondenkbare andersheid van de ander niet opheft.’

Anne komt weer naar buiten in haar sportkleren, blauw strak broekje, rode top. Ik steek mijn wijsvinger op, maan haar opnieuw tot luisteren.

‘Liefhebben is weet hebben van elkaars zwakheid, daar verantwoordelijk voor zijn. Liefhebben is elkaars wonden verzorgen, de beheersing opbrengen er geen zout in te strooien en elkaar geen verwijten maken wanneer het bloedt of schrijnt. Liefhebben is bezorgd zijn om elkaar.’

‘Ik ga hardlopen,’ zegt Anne.

Ik stap uit de hangmat, omhels haar, kus haar boven op het hoofd.

‘Eigenlijk ben jij ook een klein vogeltje, hè?’

‘Je leest teveel boeken,’ zegt Anne. Ze wurmt zich los en rent het bos in.

Ik ga weer liggen in de hangmat, schommel geluidloos heen en weer. Op een lage tak net boven het nestje verschijnt moedervogel met een wormpje in haar snavel.

 

 

(De citaten zijn afkomstig uit hoofdstuk 8 van Het romantisch misverstand – anders denken over liefde van Jan Drost (De Bezige Bij, 2011) over de opvattingen van de Franse filosoof Emmanuel Levinas)

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: