Vallen om te leven

29 apr

Foto_Oversteek_VallenomteLeven_20151120_144610

Ken je dat? Dat de wereld in je hoofd sneller draait dan de werkelijkheid? Zoals een droom de dromer een eeuwigheid geeft, maar in feite slechts een fractie van een seconde duurt. Zoals je bij een déja vu al iets gezien hebt voordat je het echt ziet. Zoals je vlak voor het sterven je hele leven in een flits voorbij ziet komen. Dat is wat er nu gebeurt.

Het is me nooit eerder opgevallen dat je vanaf de brug het kantoor kunt zien. Dat wat tot een uur geleden mijn kantoor was. Officieel is het dat nog steeds, maar mijn hoofd is al verder. Ik zie het ronde torentje van Karel, het licht nog aan. Een ‘beloning’ had hij mijn promotie genoemd vanmiddag. Voortaan mocht ik rechtstreeks met hem praten over de strategie van het bedrijf. Meer invloed, meer verantwoordelijkheid, meer salaris. En er zat waarschijnlijk ook wel een reisje naar het buitenland ’in het vat’. ‘Met je vriendin,’ knipoogde hij er achteraan.

Ik had er naartoe gewerkt. Ik had inderdaad mijn best gedaan en ik had het verdiend. Het verbaasde me eigenlijk dat het nog zo lang geduurd had. Een beloning, ja, ik had ook altijd gedacht dat het dat zou zijn. En toch val ik nu onvermijdelijk naar beneden, mijn jas flapperend om mijn oren.

Ik zie de kade, het terras waar ik de eerste keer koffie dronk met Melanie. Ik vond haar grappig, de olijke blik in haar ogen wanneer ze deed alsof ze serieus was maar het niet meende. De wippende voet, het sandaaltje dat bungelde aan haar grote teen. Het waggelende loopje toen ze naar de w.c. ging. Boven me, steeds verder boven me, op de brug, wilde ik haar zoenen. Ze legde een vinger op mijn lippen.

‘Als je me zoent is het voor altijd,’ zei ze. Ik duwde zacht haar hand weg en drukte mijn mond op die van haar.

Misschien meende ik het wel, die avond. Melanie geloofde me in ieder geval, en ik bleef. Toen Karel me aannam gingen we samenwonen. Ik deed wat er van mij verwacht werd, zoals altijd.

‘Doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg,’ zei mijn vader vroeger, wanneer ik aan tafel het plan ontvouwde om astronaut te worden, of bedacht om een machine te bouwen waarmee je naar het midden van de aarde kon reizen. De hand van mijn moeder door mijn haren toen ik aankondigde naar Peru te vertrekken om in de jungle naar een nog onontdekte stad van de Inca’s te gaan zoeken. ‘Heb je je huiswerk al af, lieverd?’

Soms kwam mijn oom langs, wit gerafeld pak, een merkwaardige hoed op zijn hoofd. ‘Is nog van de Britse gouverneur in India geweest,’ zei hij. Hij liet me foto’s zien van olifanten, tijgers, duizenden mensen in kleurige gewaden voor een gouden tempel. Uren luisterde ik naar zijn verhalen. Mijn ouders keken argwanend toe. ‘Breng hem niet op rare ideeën,’ zeiden ze.

Maar rare ideeën kreeg ik toch wel. Ik las Jules Verne, Gulliver’s Travels, de avonturen van Odysseus, alles waar ik aan kon komen dat me voor even uit het leven haalde dat om me heen zat als een te kleine jas. Op school hield ik spreekbeurten over de maan, vulkanen en het Romeinse Rijk. Op de weg terug naar huis struinde ik door het bos, mijn neus bijna op de grond, speurend naar vreemde insecten. Ik was dat jongetje waarvan er in elke klas een is, een studiebol die de bibliotheek interessanter vond dan het zwembad waar klasgenoten meisjes in het water duwden. In mijn hoofd beleefde ik de wildste avonturen, maar ondertussen ging ik nergens heen. Dromen waren om te dromen, in de echte wereld golden andere wetten. Maar het was natuurlijk een kwestie van tijd.

De wind blaast steeds harder in mijn oren. Ik probeer rechtop te blijven. Als ik op mijn hoofd terechtkom is het allemaal voor niks geweest. Het verbaast me hoe helder je nog kunt denken, als je met een rotvaart naar beneden stort, wat je nog allemaal kunt zien. Zoals de nieuwe wijk in aanbouw, op de andere oever. Ergens tussen het oprijzende beton bevinden zich de fundamenten van mijn nieuwe woning.

‘Als ik zwanger ben kopen we daar een huis,’ had Melanie besloten. Ze was nog niet zwanger, dat was er nog niet van gekomen, maar dat huis hadden we toch alvast gekocht. Op de groei, zeg maar. Mijn ouders hadden tevreden de bouwplannen bestudeerd. Ze hadden zich weleens zorgen gemaakt, bekenden ze, maar nu hadden ze alle vertrouwen.

Ook Karel had het blijkbaar als een teken gezien. Dat ik er klaar voor was, had hij gezegd. Ik belde Melanie. Ik had iets te vertellen, zei ik. ‘Iets te vieren,’ had ik me voorgenomen om te zeggen, maar ik kreeg het woord niet over mijn lippen. Ik sprak met haar af bij De Oude Molen, ons restaurant voor bijzondere gelegenheden. Maar aan het eind van de werkdag liep ik als vanzelf naar de brug. Ik klom op de reling, wachtte tot de boot met het open ruim onder mij door gleed.

Als ik de berg zand in het ruim raak, klapt mijn voet om, een stekende pijn trekt door mijn been. Ik rol over de helling omlaag, stoot mijn hoofd als ik onderaan eindig tegen de stalen wand. Boven me glijdt de brug voorbij, een zwarte streep tegen een wolkeloze lucht. Naast me klotst het water. Ik krabbel overeind, klim een stukje naar boven, totdat ik over de rand kan kijken. Ik haal mijn telefoon uit mijn zak. Melanie heeft drie keer gebeld. Ik kijk naar het scherm, naar de foto van ons samen, bedekt met icoontjes. Dan gooi ik de telefoon overboord. Ik doe mijn jas uit, laat mijn hoofd achterover zakken, snuif de frisse lucht op. Voor me kronkelt de rivier naar de horizon. In de verte is de zee.

Advertenties

2 Reacties to “Vallen om te leven”

  1. Marjan Lammens 6 mei 2019 bij 10:47 #

    Prachtig Pim!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: