Lieve I.,
Vandaag moest ik aan discodip denken. Ik eet eigenlijk bijna nooit meer softijs, maar als het ervan komt neem ik ook discodip – je kent het wel, van die minuscule knapperige bolletjes in alle kleuren van de regenboog, waar ze bij de snackbar een bak vol van hebben en waar ze, als je dat vraagt, het ijs doorheen halen. Het is eigenlijk iets voor kinderen en het gaat meer om het beeld dan om de smaak, want als je het eerste laagje ijs eraf gelikt hebt, zijn alle bolletjes verdwenen en houd je alleen een kale witte smurrie over. Toch is het de moeite waard, vind ik. Sterker, zonder discodip is een softijsje eigenlijk nogal… nou ja, saai.
Afijn.
Ik liep door de bazaar in Shiraz en zag daar mensen op een plastic stoeltje zitten met een bakje witte slierten. Nu wil ik mij als reiziger zoveel mogelijk opstellen als participerend onderzoeker, en dus benaderde ik onbevreesd de man achter de vitrine. Wat dat nou was dat hij verkocht. ‘Faludeh,’ antwoordde hij. Als ik niet beter wist had ik gedacht dat hij een mij onbekende vogelsoort nadeed, vergelijkbaar met de ervaring wanneer een Iraniër ‘Toyota’ uitspreekt – wat ongeveer klinkt als ‘twieta’. Lees verder



