Mozes

22 Sep

Toen het daglicht wegtrok uit de straten nestelde Winston zich tegen een muur. Hij ritste de kraag van zijn jas wat verder dicht, stak zijn handen diep in de zakken en staarde naar de overkant van de gracht. Een stel aangeschoten jongens kwam over de brug zijn kant op. Hij schoof de versleten weekendtas de schaduw in. Het was beter dat ze hem niet zagen.

De nachten waren erger dan hij had verwacht. Het was niet zozeer de kou, het was de dreiging die tussen de huizen hing, voortdurend, als een hyena zoekend naar een prooi.

‘Zorg dat je onzichtbaar bent,’ had Mozes hem toegefluisterd, ‘val niet op en je bent zo vrij als een vogel.’

De jongens zagen hem niet. Het was verbazingwekkend hoe makkelijk je jezelf onzichtbaar kon maken. Mensen keken niet, waren met zichzelf bezig. Zelfs een rat, die in de hoek luidruchtig rommelde in een hoopje bladeren, schonk geen aandacht aan hem. Het dier schoot tussen zijn voeten door de straat over en verdween. Toen was het stil.

Het moet zeker een uur later geweest zijn. Winston was ingeslapen, zijn rug op de koude grond, zijn hoofd op de tas. Vlak boven hem klapte een ruit uit de sponning. Het regende scherven. Hij schoot overeind, een porseleinen asbak rolde over de tegels.

‘Vuile klootzak,’ kwam uit het raam. Een vrouwenstem.

‘Niet doen!’ Een man.

Er vloog iets door de lucht, dat terechtkwam in het zand bij de boom aan de overkant van de weg.

‘Godverdomme!’ Weer de man.

‘Nee, nee, jij gaat nergens heen.’ Een dichtslaande deur. ‘We lossen dat nu hier op.’

Winston liep naar de boom. Samsung, las hij. Het was een tablet. Schuin over het scherm liep een barst, maar het apparaat was nog aan. Het beeld vertoonde een vrouw, lange donkere haren. Toen hij zijn hoofd boven het scherm bracht, werd het hoofd van de vrouw groter. Ze boog aan haar kant naar het scherm toe, keek hem aan.

‘Martin?’ vroeg ze.

Winston deinsde terug, keek naar de gebroken ruit, waarachter een vrouw tegenover een man stond en wild met haar armen zwaaide. Hij kon niet verstaan wat ze riep.

‘Martin?’ zei de tablet weer. ‘Ben je daar?’

Hij keek naar het scherm. Wat zou Mozes doen?

Achter de gebroken ruit was het nu de man die stond te gebaren. De vrouw hield haar handen voor haar gezicht. Winston pakte de tablet op en verwijderde met een tik van zijn wijsvinger de vrouw van het scherm. Hij verborg het apparaat onder zijn jas, liep gebukt terug naar het raam, griste zijn tas van de grond en vluchtte een zijstraat in.

‘Als je dood bent, ga je naar de hemel.’

Mozes stond zijn handen te warmen aan een vuurtje. Zijn snavelachtige mond stak scherp af tegen het flakkerende licht, zijn kraaloogjes schoten spiedend rond. De paar keer dat Winston hem nu gezien had, had hij gesproken over de dood.

‘In de hemel mag je uitrusten van de arbeid die je tijdens je leven verricht hebt. Ik ben er een keer bijna geweest. Ik zag de eeuwige klavervelden. De broden groeiden aan de heggen. Maar de dokters haalden me terug.’

Misschien ging je in dat soort dingen geloven als je maar lang genoeg op straat leefde.

Winston trok zich terug in de hoek die Mozes hem had aangewezen. Tussen de papperige kartonnen dozen en de lege bierblikjes haalde hij de tablet tevoorschijn. In de haast had hij het ding niet uitgezet. De batterij was bijna leeg. Het scherm was zwaar beschadigd, maar voor de rest leek alles te werken. Zelfs de internetverbinding stond nog open.

‘Gevonden zeker?’ Mozes. Zijn stem klonk als het krassen van een kraai. ‘Amateur.’

Met een snelle beweging trapte hij de tablet uit Winstons handen. Nu sprong het scherm tegen de muur in stukken uit elkaar.

‘Ze zullen je vinden.’

Hij draaide zich om en verdween in het donker.

Winston stond op en liep naar de scherven van wat een tablet was geweest. Hij bukte om te zien wat ervan over was.

‘Te laat, mannetje.’ Iemand greep hem bij zijn kraag. ‘Die tablet was een vergissing, jongen. Er zit een GPS-tracker in. We vinden je overal.’

Proberen te verdwijnen, dát was de vergissing. Hij had het gewaagd en misschien hadden ze gelijk gehad. Misschien hadden ze allemaal gelijk gehad toen ze hem wilden tegenhouden. Maar toch, hij was tot hier gekomen, hij had Mozes gevonden en even, heel even, was het hem gelukt. Een paar dagen had hij geleefd zonder te bestaan. Een paar dagen was hij ze te slim af geweest, had hij geleefd zoals de mythe hem beloofd had. Dat was genoeg. Hij had het gezien. Laat de hemel maar komen.

Winston verzette zich niet toen hij werd weggevoerd. Voor de laatste keer keek hij om naar zijn vrijheid. Verscholen in de schaduw van een portiek stond Mozes.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: