Van het luipaard, het lijk en de chaperonne

8 Mrt

IMG_3965 (2)

Lieve I,

Voordat ik je vertelde van mijn bloedstollende stuck-in-the-river ervaring in Botswana en ik mijn analyse van Afrika ten beste gaf, had ik je achtergelaten in Zambia, weet je nog? Na het Sterrenmeer in Malawi kwam ik het land in bij South Luangwa, een van de beroemde wildparken aldaar. Tot dan toe had ik nog nergens een luipaard gespot en het zou tijd worden. De mogelijkheden werden schaarser, maar South Luangwa zou een van de beste plekken moeten zijn om de beruchte kat in het wild te zien. En ja hoor, de eerste dag al, ik was feitelijk nog niet eens in het park, zat te schrijven op het terras van Croc Valley Camp, kwam een bewaker mij waarschuwen dat ik moest komen kijken. Een panikerende baviaan had alarm geslagen, hij stond aan onze kant van de rivier als een malle te schreeuwen naar een stipje aan de overkant. Daar struinde een luipaard langs de kant van het water, dronk wat van de rivier en verdween in de bush. Het was zelfs met de verrekijker niet goed te zien, maar het was er een, ontegenzeggelijk, en mijn missie was toen al zo goed als geslaagd.

IMG_3780 (2)

De volgende dag werd het nog beter, toen ik tijdens mijn gamedrive een auto stil zag staan langs de kant van het pad. Ik hobbelde voorzichtig dichterbij, keek de bestuurder vragend aan. Hij wees naar het groen. Het duurde even, maar toen zag ik het ook. Op een horizontale tak zat een luipaard, kont op het hout, achterpoten bungelend in de lucht, staart wiegend in de wind. Een meter of tien, twintig, meer zal het niet geweest zijn. Het duurde een minuut of tien en toen had het dier genoeg van de pottenkijkers. Hij klom naar beneden, traag, beheerst, en wandelde soeverein het bos in.

Alles wat ik die dag nog zag beschouwde ik als een bonus, al werd ik getrakteerd op een safarilunch van wereldklasse, toen ik met een kopje thee in de hand aan de rand van de rivier in één blik een tiental giraffen, drie zebra’s, een nijlpaard, een leeuw en een stuk of wat maraboes en gieren kon vangen.

IMG_3829

Ik reed dwars door het park richting de Great North Road, een route die vrijwel niemand neemt. Daar is een reden voor. Er is, behalve bos, niks te zien en wil je de asfaltweg bereiken dan moet je een stevige heuvelrug over. Deze route, Route 05, is berucht, precies vanwege die heuvel. Wist ik veel. De ‘weg’ liep zowat verticaal omhoog en bestond uit keien variërend in grootte van een tennisbal tot een halve berg. Het was alsof ik tegen een muur aanreed. De ranger naast mij, die ik een lift gaf naar Mpika, had gezegd dat het niet zo ver was, een uur of drie, maar hij had er niet bij gezegd dat we ook een rotswand moesten beklimmen. Om maar vooral niet stil komen te staan, schakelde ik als een gek naar de vierwielaandrijving, low gear, eerste versnelling. Hoewel ik Landcruiser al meer onmogelijke dingen had zien doen, maakte ik me toch enige zorgen over deze hobbel. Maar hij bromde tevreden, leek het eigenlijk wel aangenaam te vinden om weer eens aangesproken te worden op zijn kracht en trok ons langzaam heen en weer wiegend naar boven.

Vanuit Mpika reed ik een rondje langs de Kapishya hot spring, waar ik een heerlijk bad nam in het natuurlijk warme water, om vervolgens weer de wildernis in te duiken. Ik reed urenlang door het bos zonder iemand tegen te komen, kampeerde aan de rand van Lake Waka-Waka om uiteindelijk aan te komen bij de Bangweulu Wetlands. Er was niks nats aan, maar ook in droge toestand was het een indrukwekkende vlakte. Op de campsite installeerde ik me onder een van de weinige bomen, hing mijn hangmat op en keek tevreden uit over de leegte. De volgende dag ging ik op zoek naar de beroemde en zeldzame shoebill stork. Ik reed twee uur verder de vlakte op, passeerde gammele hutjes op spaarzame terpjes waar de vissers in het regenseizoen maandenlang alleen woonden, liep een uur achter een gids aan totdat we eindelijk bij het water waren, een zompig moeras, waar ik tot aan de enkels, en soms tot aan de knieën, in wegzakte. Er zouden net uit het nest gevlogen jongen moeten zijn, maar we zagen niks. De vogels hielden zich stil, ergens in het riet dat zich uitstrekte tot aan de horizon. We wachtten drie kwartier, een uur, totdat de hoop vervlogen was.

Terug bij het startpunt kreeg ik er toch een te zien. De vissers kregen betaald om gevonden eieren naar de rangers te brengen. Een van die eieren hadden ze kunstmatig uitgebroed en een jonge shoebill zat achter een rieten hek te wachten tot hij groot genoeg was om uit te vliegen. Het was een indrukwekkend beest, ook al was hij nog onvolwassen. Die massieve bek, die bijna menselijke blik in de ogen. Ik was de eerder mislukte missie op slag vergeten.

IMG_3996

Bij een langzaam wegzakkende zon maakte ik nog een autoritje over de bodem van het ondiepe meer dat nu, in het droge seizoen, meer weg had van een zandbak. Ik werd aangehouden door een vrouw, blijkbaar iemand die in de hutjes verderop woonde, die ik niet kon verstaan. Ik wilde al wegrijden toen zich nog vier vrouwen bij haar voegden en mij maanden toch vooral te blijven staan. Ze wilden iets van me, maar wat? Ze maakten allerlei gebaren, waaruit ik uiteindelijk dacht op te maken dat er iemand ziek was en dat ik moest helpen. Inmiddels hadden zich nog meer vrouwen rond de auto verzameld, zich er bezorgd van verzekerend dat ik niet vertrok. Even dacht ik eraan een foto te maken, het leek mij een gebeurtenis van belang te worden, maar misschien was dit niet het juiste moment. Na tien minuten verscheen er in de verte een groepje mensen. Ze leken iets te dragen. De zieke, veronderstelde ik. De vrouwen wezen: daar! Daar moest ik heen! Ik twijfelde. Een avontuur lonkte, maar ging ik mij werkelijk midden in de eindeloze wetlands mengen in een dorpsaangelegenheid rondom een zieke? Ik reed langzaam in de richting van het groepje, de vrouwen stiefelden achter mij aan. Nu kwam er ook een jongen naar de auto gerend. Ik kon niet verstaan wat hij riep, maar het klonk Engels. Ik stopte, misschien kon ik met hem communiceren. De jongen sprak inderdaad een beetje Engels en toen werd het me duidelijk. Wat in de verte richting de auto gedragen werd was een lijk. Het verzoek aan mij was of ik de dode naar het dorp wilde brengen voor de begrafenis.

Ik mag de mensen graag helpen, ik deel met alle plezier aspirientjes uit, een pleister, verband, jodium. Maar een lijk? Wie weet waaraan die persoon gestorven was, wie weet hoe lang hij, of zij, al dood was. Wat wist ik van deze mensen, van hun leefgewoonten, van hun rituelen rondom ziekte en dood? Ging ik werkelijk een lijk in mijn auto vervoeren? Hoe kon ik daarna ooit nog zonder bijgedachten, zonder angst voor enge bacteriën achter in mijn auto klimmen, of er slapen? Er lagen kleren in, eten, het was mijn huis. Er was ergens een stemmetje dat zei dat ik deze mensen best kon helpen. Dit was belangrijk voor hen en het dorp was een heel eind weg. Tegelijkertijd keerde mijn hele lijf zich onmiddellijk tegen de gedachte. Ik was alleen, ik was heel, heel ver van huis en kwetsbaar, en ik moest nog wel een stukje verder. Ik kon toch verdomme geen lijk gaan zitten vervoeren?

Ik zei dat ik niet naar het dorp hoefde, dat ik sliep op de campsite, dat ik ze niet kon helpen. Het voelde alsof ik geen geldig excuus had, maar hoe zou ik ooit geloofwaardig kunnen maken dat ik geen dode in mijn auto wilde? Ik zei nog maar een keer sorry, uit de grond van mijn hart, en reed weg.

IMG_3977

Niet ver van Bangweulu kwam ik een oude vriend tegen. David Livingstone ging in zijn koppigheid om de bron van de Nijl te vinden compleet de verkeerde kant op en eindigde uitgeput in Chitambo’s Village. Op de plek waar het huis stond waar hij dood gevonden werd, staat nu een gedenkteken. Even verderop werd zijn hart begraven onder een boom (de rest van zijn lichaam werd door zijn metgezellen Chuma en Susi teruggebracht naar Engeland). Ook daar staat een gedenkteken. Het is een rustige, aangeharkte plek in de schaduw. Ik stond er even stil, maakte er natuurlijk een foto, en dankte hem in gedachten voor zijn inspiratie. Hij had mij, dankzij Martin Dugards boek Into Africa, vanaf Uganda begeleid tijdens mijn reis, was, samen met Stanley, deels verantwoordelijk voor mijn route en ik vond het gepast zijn sterfplek te bezoeken en zo mijn eer te bewijzen.

IMG_4020

Na de leegte van het achterland waren de drukte, de faciliteiten en de luxe van Lusaka een verademing. Was het bezoek aan een shopping mall in Nakuru, Kenia na de wildernis van zuidwest Ethiopië en de daaropvolgende tocht langs Lake Turkana nog een merkwaardig vervreemdende ervaring geweest, nu begreep ik ineens het nut en de noodzaak van dergelijke wangedrochten. Ik liep fluitend de afzichtelijke parkeergarage door, slenterde als een shoppende yuppie geïnteresseerd langs etalages die ik thuis geen blik waardig zou keuren, kocht in de naar consumentisme geurende megasupermarkt zonder op de prijs te letten alles wat ik de laatste weken in de bush had moeten missen. Ik was weer even terug in mijn eigen wereld, zo leek het, en voor het eerst vond ik het niet erg.

Lusaka had nog meer te bieden, zoals een meisje dat mij in een restaurant via de kelner haar nummer bezorgde, dat ik niet belde, omdat ik de volgende dag op de campsite een andere lokale deerne in de schoot geworpen kreeg, waarmee ik de onafhankelijkheid van het land vierde. Daarna liet ik mij via via uitnodigen voor een kerkdienst, die meer op een concert leek dan op een religieuze viering, met een heuse band en een koor van vals zingende oude gummen. Ik mocht eten bij de voorganger thuis, waar hij polste of ik geen interesse had om in een mijn te investeren. Ik vroeg of ik dat goed verstaan had. Een mijn? Ik had het goed verstaan. Hij zocht een investeerder. Ik zei dat ik erover na zou denken. Vervolgens trok de geestelijke een Chelsea-shirt over zijn pens en troonde mij mee naar een vijfsterrenhotel om in de lege loungebar een Premier League wedstrijd te kijken. Dit is Afrika, dacht ik, en hier kan alles.

 

Op mijn verjaardag reed ik naar Kafue, nog zo’n park waar luipaarden schijnbaar graag hun opwachting maken. Ik trakteerde mijzelf voor de gelegenheid op een nightdrive met gids en chauffeur, zodat ik nu eens niet zelf hoefde te sturen. Ik voelde een ongekende rust en ontspanning over mij neerdalen toen ik als een koning in de open Landcruiser door de jungle gereden werd. Ik had de gids laten weten dat ik graag een luipaard zou zien. En leeuwen, als hij dan toch bezig was. Hij zei natuurlijk dat hij niks kon garanderen, maar het was precies dat wat ik te zien kreeg. Eerst stuitten we op twee mannetjesleeuwen die geeuwend aan de waterkant lagen en vervolgens spotten we op een open plek in het groen een luierend luipaard. Op de terugweg tetterde een olifant zowat in mijn oor toen we zonder het te weten – hij stond verscholen in de bush – te dichtbij kwamen. De chauffeur schrok zich het apelazarus en gaf een enorme dot gas, waardoor we bijna een nachtzwaluw overreden. Het beestje vloog net op tijd op en ik kon weer een nieuw, bijzonder dier toevoegen aan mijn inmiddels toch al niet misselijke lijstje.

Omdat ik nou eenmaal net jarig geweest was mocht ik de volgende dag rustig aan doen. Tijdens mijn verblijf in de jungle in Bolivia, tijdens mijn reis door Zuid Amerika, tien jaar geleden, leerde ik al dat je geduld moet hebben met de natuur. Als je als een dolle rond gaat rennen zie je niet meer, eerder minder, dan als je gewoon rustig op je plek blijft zitten en om je heen kijkt. Het bewijs werd opnieuw geleverd. Ik hing wat in mijn hangmat, op de campsite aan de rand van de rivier, toen een opgewonden medewerker mij kwam melden dat ik er wel erg ontspannen bij lag, terwijl er vlak voor mij, in het droge stuk van de rivierbedding, net buiten mijn gezichtsveld, drie leeuwinnen voorbij kwamen wandelen. Ik werd gesommeerd in de laadbak van een auto plaats te nemen. Inderdaad zag ik twee leeuwen doodgemoedereerd voorbij sjokken, ons moedwillig compleet negerend. Maar waar was de derde gebleven? We keken om ons heen, zagen niks meer, haalden onze schouders op. De rust keerde terug en ik maakte het mij opnieuw gemakkelijk in mijn hangmat. Maar ik lag nog niet, of ik zag iets bewegen in mijn ooghoek. En daar, aan de andere kant dan waar we zojuist stonden, klom nummer drie uit de rivierbedding omhoog. Richting mijn bivak. Ik wurmde mij zo voorzichtig mogelijk, zonder plotselinge bewegingen te maken, weer uit mijn hangmat en wenkte, terwijl ik het beest nauwlettend in het oog hield, de bewaker. ‘Daar!’ fluisterde ik. We verscholen ons achter mijn auto, terwijl mevrouw de koningin zich verwaardigde mijn campsite aan te doen. Ze wist dat we er waren, twijfelde even, maar liep toen toch verder, in de richting van het struikgewas waar ook de andere twee verdwenen waren. Ik haalde adem en ruimde mijn hangmat op. Het was tijd om te gaan.

Toch was het nog niet afgelopen. Ik was het park officieel al uit, volgde, muziek op hard, de rivier verder naar het zuiden, en daar sprintte plotseling een beest de weg over. Ik sprong op de rem, draaide onmiddellijk het volume omlaag, en keek de schim na. Eenmaal op veilige afstand bleef het dier staan, keek mijn kant uit om te zien waarvoor hij nu eigenlijk zo snel was weggerend. Ik greep mijn verrekijker. Wat in volle vaart, waarschijnlijk geschrokken van het lawaai, net voor Landcruisers neus langs het pad gekruist had, was, opnieuw, een luipaard. Blijkbaar stikte het ervan. Eén seconde keken we elkaar aan. En zo snel als hij tevoorschijn gekomen was, loste hij ook weer op. Het woud sloot zich achter hem en alles was weer stil en verlaten. Ik slaakte een gelukzalige zucht. Al met al niet slecht, voor een doorsnee verjaardag. Maar de lat ligt nu dus wel hoog, schat. De volgende keer als ik jarig ben wil ik graag een wilde tijger zien. Of een grizzly beer. Dan weet je dat vast.

IMG_4226

Eén van de vele verdiensten van David Livingstone was de ‘ontdekking’ van de Victoria Falls. Het is niet voor niks dat het stadje dat ernaast ligt, nu een van Afrika’s belangrijkste toeristische plaatsen, zijn naam draagt – Livingstone. Hij wordt er, hoe kan het anders, geëerd in een museum. Ik ging erheen, natuurlijk. Naast het verhaal van zijn jeugd in Schotland worden de vele brieven die hij schreef getoond, plus enkele eigendommen die hij gebruikte tijdens zijn reizen, zoals een verbanddoosje, zijn chirurgische instrumenten en een spiegel. Ik kon het handschrift in die brieven nauwelijks ontcijferen, of had er gewoon het geduld niet voor, en die prullaria, tja, mooi, maar wat moet je ermee? Bewijzen dat de man echt bestaan heeft? Ik was, eerlijk gezegd, meer geïnteresseerd in het lokale uitgaansleven en begaf mij ’s avonds de straat op. Maar het was woensdag en dat bleek niet de meest levendige avond om uitzinnig te feesten. De notoire bars waar het toeristenvolk zich volgens Lonely Planet zou plegen op te houden waren leeg, bij de meer lokaal georiënteerde kroeg waar ik een blik naar binnen wierp hingen slechts een paar mannen lamlendig aan de toog. De drie vrouwen die aan een tafeltje zaten keken nog wel nieuwsgierig op, maar die leken mij van het zich prostituerende soort. Of er dan echt niks te beleven was, vroeg ik aan een willekeurige voorbijganger. Toch wel. East Point. Het was alleen voor locals, ik moest voorzichtig zijn, waarschuwde hij. Daar schrok ik niet van, ik moet hier altijd voorzichtig zijn.

East Point was een nachtclubachtige tent, met een wit betegelde dansvloer, nepleren stoelen en flashy blauw licht achter de bar. Uit de speakers kwam de van de Bronx gekopieerde boze rap, met een vleugje Zuid Amerikaanse reggaeton die zo typisch is voor de Afrikaanse populaire muziek. Ik installeerde mij met een bier aan de bar om de zaak eens goed te bekijken. Ik was met mijn blanke kop een opvallende verschijning en diverse vrouwen keken al eens steels mijn kant op, maar niemand durfde nog iets te ondernemen. En toen gebeurde er iets merkwaardigs. Twee dames stonden al een tijdje opvallend onopvallend naar mij te gluren, totdat het blijkbaar tijd was. Eén van hen kwam naar de bar, ging naast mij staan en bestelde. Vervolgens, alsof ze het ter plekke bedacht, vroeg ze of ik iets wilde drinken. Pardon? Kreeg ik zojuist daadwerkelijk een biertje aangeboden door een Afrikaanse vrouw? Ik was gewend dat ze om mijn nek kwamen hangen, zich verleidelijk presenterend, suggererend dat er vanalles te halen viel, zolang als ik het bier betaalde. Nog niet eerder in mijn inmiddels toch aanzienlijke geschiedenis in Afrika had iemand de zaak omgedraaid. Ik stond perplex. En ik accepteerde, natuurlijk. Al was het alleen al om het bizarre van de situatie. Ze zei verder niks, overhandigde mij het flesje en ging weer bij haar vriendin staan. Nu was het mijn beurt. Ik stapte op hen af, begon een praatje. Ze waren niet zo spannend, of erg animerend, deden iets suffigs op kantoor en leken verder niet bijzonder geïnteresseerd in mij. Het leek allemaal niet eens een versiertruc en dat maakte het nog veel vreemder. Wel kreeg ik nog een bier, nu van de ander, die zich vervolgens uit de voeten maakte. De rest van de avond zat ik dus opgescheept met de opportunist van de twee. Ze liet me mijn gang gaan, ging mee naar de dansvloer, maar danste niet, ook niet toen zich diverse andere meisjes meldden die wel duidelijk hun best deden, soms op het agressieve af, om mijn aandacht te krijgen. Ze deed geen moeite om een gesprek met mij aan te knopen, praatte ook niet met iemand anders. Ze wierp zich op als een soort van chaperonne, een vriendin op wie ik terug kon vallen, mocht ik uitgedanst raken en niet alleen aan de bar willen staan. Misschien was dat haar enige motivatie, gewoon vriendelijk zijn naar een vreemdeling en zorgen dat hem niks overkwam. Waarom zou dat niet kunnen? Natuurlijk zou dat kunnen, ik had het alleen nog nooit meegemaakt en van wat ik tot nu toe gezien had, kwam het op mij over als een zeer on-Afrikaanse praktijk. Aan het eind van de nacht stapten we samen in een taxi naar huis. Ze moest verder dan ik, maar vroeg mij niet om geld. En precies daarom betaalde ik ook haar rit. Toen ik uitstapte vroeg ze niet om mijn nummer. Verbaasd keek ik de taxi na. Ik wist niet eens haar naam.

IMG_4181

En dan waren er natuurlijk nog de watervallen, de Victoria Falls, door Livingstone vernoemd naar de toenmalige Engelse koningin. Toeristische attractie nummer één van Afrika, of misschien twee, na de Serengeti. Het water valt in twee landen – de grens tussen Zambia en Zimbabwe loopt midden door de Falls – en wil je alles zien, dan moet je, net als bij de Iguazu Falls in Argentinië en Brazilië, dus die grens over. Eerst maar eens Zambia. Ik was al gewaarschuwd; het is droogseizoen, er is geen water. En inderdaad, er was geen water. Niks, nul. Ja, een minuscuul stroompje stortte zich moedig naar beneden in een poging om er nog wat van te maken, en als je zoiets in Europa zou tegenkomen zou zelfs dat een behoorlijke toeristische trekpleister zijn, maar hier, in die enorme canyon, waarvan je weet dat er normaal gesproken een ongekende watermassa naar beneden komt, was het een behoorlijk lullig gezicht. In de verte, daar waar je niet kon komen vanuit hier, in Zimbabwe, daar bulderde het, daar zag je een witte wolk waterdamp uit de kloof omhoog komen. Daar wel, maar daar was ik dus niet. Ik kon wel naar Devil’s Pool. Zo’n plek waar iedere Vic-Falls-bezoeker een foto van heeft. Zo’n plek waar je dus eigenlijk een hekel aan hebt, gewoon omdat echt iedereen erheen gaat. Zo’n plek waar dus je heen moet. En ik geef toe, het is spectaculair. Je loopt boven langs de watervallen (in het regenseizoen ga je met een bootje) tot bijna aan de Zimbabwaanse grens. Daar is wel nog water. Je zwemt een klein stukje, en dan leidt de gids je naar een kleine pool. En die pool is dus aan de rand van de waterval. En dan bedoel ik ook echt aan de rand. Een meter verder en je ligt beneden. En ja, dat is wel eens gebeurd. Je mag er even badderen, die verplichte foto maken en dan dus snel er weer uit, want de volgende toeristen staan in de rij. Toch moet je dat doen als je daar bent. Je krijgt nergens anders de kans om zo dicht bij zo’n enorme waterval te komen. Sommige toeristische attracties zijn echt niet voor niks zo toeristisch.

IMG_4156

De Zimbabwaanse kant sloeg ik over. Het argument ‘je bent nu hier’ verliest op een gegeven moment zijn geldigheid. Ik ben de hele tijd ergens waar ik nooit meer kom en het is allemaal even schitterend. Maar het budget is eindig, en de tijd daarom ook. Zimbabwe bleef dus links liggen, net als Mozambique. Als je wilt, I, vliegen we een keer naar Joburg en ‘doen’ we de zuidoosthoek. Voor nu koos ik Botswana, om me daar vervolgens in een rivier te storten. Maar dat verhaal ken je dus al.

Liefs,

N

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: