De aanhouder (of hoe je een visum regelt voor Angola)

15 Mrt

IMG_5768

Lieve I,

Dit verhaal begint op 23 oktober 2013. Op die dag, twee dagen voor het op dat moment geplande vertrek, vier dagen voor het daadwerkelijke vertrek, ben ik bij het Consulaat Generaal van Angola in Rotterdam. Ik zit in een luxe leren fauteuil achterover gezakt te kijken naar mensen in pak die heen en weer lopen tussen de balie en de kantoren aan de andere kant van de gang. Aan de wand hangt een groot portret van de president en een kaart van het land. In de hoek staat een container met water. Twee kraantjes: blauw voor koud, rood voor warm. Ik wacht. Iemand heeft mij verteld dat ik in Nederland een visum moet regelen als ik naar Angola wil. Anders kom ik er niet in. Angola is heel ver weg. Het is aan de andere kant van Afrika dan waar ik wil beginnen en stiekem twijfel ik of ik er ooit zal komen. Maar wil mijn plan, een rondje Afrika, kans van slagen hebben dan moet ik door Angola. En dan heb ik een visum nodig.

Ik ben voorbereid. Mijn tas zit vol papieren. Alles wat een overheid mogelijkerwijs van je zou kunnen vragen zit erin. Ingevuld aanvraagformulier, paspoort, tweede paspoort, pasfoto’s, het gele boekje met inentingen, autopapieren, rijbewijs, internationaal rijbewijs, internationaal kentekenbewijs, , polis van zorgverzekering, polis van reisverzekering, polis van autoverzekering, pinpas, credit card, uittreksel van de Kamer van Koophandel, verklaring van de bank over mijn financiële draagkracht, verklaring van goed gedrag, een kaartje van Afrika met de geplande route. En overal kopieën van. Gesmeerde boterhammen, een flesje water.

Ik wacht.

IMG_5793

Na twee uur zitten loop ik nog maar eens naar de balie. Ja, er komt iemand, wacht u nog even. Ik ga weer zitten, eet mijn boterhammen, kijk naar de mensen die telefonerend voorbij lopen, staar voor me uit. Af en toe kijk ik naar de dame achter de balie. Ze lacht en steekt haar hand naar me op, gespreide vingers. Geduld.

Om drie uur, na vijf uur wachten, ben ik aan de beurt. Ik leg mijn situatie uit, vertel dat ik moeilijk kan zeggen wanneer ik het land binnen ga komen omdat ik met de auto reis en eerst door heel oost en zuid Afrika ga. Ik laat de route zien. Het is een geprint kaartje waar ik met pen ingetekend heb hoe ik ongeveer denk te gaan rijden.

‘Dat kan zo niet.’

‘Huh?’

‘Het moet met de computer.’

‘Maar ik weet niet precies wat de route wordt, het is gewoon een ruwe indicatie van wat het plan is.’

‘Het moet op de computer. Geeft u per land de route aan.‘

Het Consulaat Generaal sluit over een uur. Ik ren de straat op, vraag naar de dichtstbijzijnde copyshop en begin daar koortsachtig kaartjes te maken. Een per land, willekeurige lijntjes trekkend van plaatsen naar plaatsen waar ik nog nooit van gehoord heb, maar die eruit zien alsof ze aan een doorgaande weg liggen. Tien minuten voor sluitingstijd storm ik het consulaat weer binnen. Dezelfde man loopt nog eens mijn papieren door, kijkt vluchtig naar de routes in oost en zuid Afrika, tot aan Angola, legt dan het papier met Angola bovenop. De rest, na Angola, is niet interessant.

‘Prima. Komt u volgende week terug.’

‘Pardon?’

‘We moeten uw gegevens verwerken.’

‘Kunnen we dat niet nu nog even snel regelen, ik moet helemaal uit Nijmegen komen. Bovendien vertrek ik overmorgen.’

‘We gaan nu sluiten. Komt u morgen terug.’

‘Ja maar…’

Hij heeft zich al omgedraaid.

Een dag later, op 24 oktober 2013, zit ik opnieuw bij het Consulaat Generaal van Angola in Rotterdam. Dezelfde fauteuil, dezelfde mensen lopen telefonerend voorbij. Ik wacht.

Na de lunch, na een uur of drie wachten, ben ik aan de beurt. Ik word een kamertje ingeleid, er wordt een foto gemaakt van mijn hoofd (had ik niet al twee pasfoto’s ingeleverd?) en mijn vingerafdrukken worden genomen. Van alle tien vingers. In een ander kamertje worden al mijn gegevens ingevoerd in de computer. Waarom ik daarbij aanwezig moet zijn is mij een raadsel. Binnen een half uur is alles klaar.

‘U kunt betalen aan de balie. 135 euro.’

‘135? Het is toch 90 euro?’

‘U heeft de spoedprocedure gevolgd.’

Ik schiet in de lach. ‘Sorry, dat had ik gemist.’

Ik pin 135 euro. Let’s get this over with.

Ik krijg net mijn bonnetje overhandigd als er iemand anders naar de balie komt.

‘Hij moet niet hier betalen, hij hoeft pas aan de grens te betalen.’

Consternatie. Gebrabbel over en weer in het Portugees.

‘Schrijft u uw bankrekeningnummer op, dan maken we het geld terug aan u over.’

Ik krabbel mijn nummer op een briefje. Op hoop van zegen.

‘Mag ik mijn paspoort terug?’

Ik blader door mijn paspoort. ‘Waar is mijn visum?’

‘U krijgt het visum pas aan de grens. U bent hier klaar.’

‘Ho, maar wacht even. Ik ben hier nu twee dagen geweest, heb de hele procedure gevolgd, 135 euro afgerekend en ik heb niks om te bewijzen dat ik het land in mag.’

‘Maakt u zich geen zorgen, alles staat in de computer en het geld maken we naar u over.’

‘Ik kan toch niet over een dik half jaar ergens aan de grens in Angola aankomen en vragen of ze mij een visum geven? Ik moet toch iets hebben om te bewijzen dat ik hier geweest ben en dat alles in orde is?’

‘Gelooft u mij, meneer, alles staat in de computer en dat kunnen ze daar zien.’

‘Vergeeft u mij dat ik dat niet helemaal vertrouw. U begrijpt toch ook wel dat ik iets op papier wil hebben? Kan de consul niet een kort briefje schrijven, en daar zijn handtekening onder zetten?’

‘Ik zal zien wat ik kan doen.’

Tien minuten later komt een mevrouw, iemand die ik nog niet gezien heb, mij een A4tje overhandigen. Het is de factuur van de 135 euro die ik betaald heb, op papier van de ambassade, met watermerk.

‘Maar nu heb ik dus een factuur van iets dat ik straks niet betaald heb, aangezien u het geld terug gaat storten.’

Ze neemt het papier weer van me af, beent weg. Twee minuten later komt ze terug. Het bedrag is nu met een marker zwart gemaakt en onleesbaar.

‘Dus als ik dit aan de grens laat zien krijg ik een visum?’

‘U heeft het formulier niet eens nodig, maar, ja, dat komt goed.’

Ik kijk haar ongelovig aan.

‘Ok, ik geef u mijn nummer, als dat u een gerust gevoel geeft. Mocht u problemen ondervinden dan kunt u mij bellen.’

Op de achterkant van de factuur schrijft ze een 06-nummer.

‘Ik wens u een fijne reis.’

Beduusd verlaat ik het pand. Ik geloof er helemaal niks van dat dit goedkomt, maar ik heb mijn best gedaan. Angola is nog heel ver weg, misschien kom ik er niet eens en ik vertrek over twee dagen. Ik heb nog meer te doen.

IMG_5724

Meer dan een jaar later, 8 december 2014, Ambassade Angola, Pretoria, Zuid-Afrika. Ik ken inmiddels het verhaal van twee Nederlandse motorrijders die geen visum hadden en dat ook niet konden krijgen in Windhoek, Namibië, maar die het wel gelukt is in Pretoria. Misschien is het dus verstandig om hier navraag te doen over mijn situatie voordat ik door Namibië naar de Angolese grens rijd.

De ambassade van Angola ligt aan een drukke doorgaande weg. Er is geen parkeergelegenheid, dus iedereen parkeert op de stoep. Er is ook niet echt een ingang, alleen een open deur met een dicht hek ervoor. Erachter staat een man in uniform. Ervoor staan acht wachtenden. Als ik tot de man weet door te dringen zegt hij:

‘Er is een probleem met het systeem voor visumaanvragen, we kunnen niets doen.’

‘Ik heb het systeem niet nodig, ik hoef geen aanvraag te doen, die heb ik al gedaan, ik wil alleen maar even met iemand praten over mijn situatie.’

‘Komt u morgen terug.’

 

9 december 2014, Ambassade Angola, Pretoria, Zuid-Afrika. Hetzelfde hekje, dezelfde man in uniform.

‘Het systeem werkt niet. Gaat u naar Johannesburg.’

 

11 december 2014, Angolees Consulaat Johannesburg, Zuid-Afrika.

‘Wilt u de bom alstublieft hier achterlaten?’ grapt de bewaker aan de poort.

‘Oh, ik heb geen bom bij me hoor, die ligt in de auto. Die blaas ik op als ik hier klaar ben,’ zeg ik.

‘Een sandwich dan? Ik heb honger.’

‘Sorry, my friend, ik heb niks bij me, alleen mijn paspoort.’

Bij de deur van de wachtruimte krijg ik nummer 51. Als ik de ruimte betreed en ga zitten zie ik de teller. Hij staat op 17. Ik kijk de ruimte rond. Inderdaad zitten er ruim dertig mensen te wachten. Had ik toch maar die sandwich meegenomen.

Iemand aan deze kant van de balie probeert lijn in de chaos te brengen, zegt wie waar moet gaan zitten en wie wanneer aan de beurt is aan welke balie. Misschien kan zij mij meer vertellen, voordat ik hier straks drie uur zit te wachten en ze me vervolgens aan de balie vertellen dat ze niks voor me kunnen doen.

‘Aan de balie heb je niks te zoeken,’ zegt ze, ‘die weten nergens wat van. Maak een afspraak met de vice-consul.’

Ik vul een formulier in waarin ik uitleg waarom ik de vice-consul wil zien. Na een half uur kan hij me zowaar ontvangen. Een assistente leidt mij naar een kleine vergaderzaal. Of ik plaats wil nemen. Even later komt ze terug met een kleine man in pak, leesbrilletje op de neus, uitstraling van iemand die de baas is. Zo’n man in wiens omgeving iedereen onmiddellijk nerveus wordt – zijn assistente in ieder geval. Ik leg mijn situatie uit in het Engels, de assistente vertaalt in het Portugees. Ik vraag of zij kunnen bevestigen dat ik met mijn papiertje inderdaad het land in kom. De chef fronst zijn voorhoofd, vindt het zichtbaar een merkwaardig verhaal.

‘Misschien kunt u anders even bellen met het consulaat in Nederland,’ suggereer ik en wijs op het 06-nummer. Tot mijn verbazing haalt hij een mobiele telefoon uit zijn binnenzak en toetst het nummer in. Ik bid tot Onze Lieve Heer dat er iemand opneemt, anders sta ik zo meteen voor gek.

Geen gehoor.

‘Misschien het algemene nummer van het consulaat,’ zeg ik snel en begin als een razende op mijn telefoon het nummer op te zoeken op internet. Het draait allemaal om het momentum. Als ik hem nu niet zover krijg om de zaak te verifiëren kom ik hier nooit meer binnen. Zelden was ik zo blij met mijn smartphone. Ik vind het nummer in Rotterdam. Hij belt. Ik hoor hem vragen naar zijn collega en mijn naam en paspoortnummer spellen. Ik kan een lachje nauwelijks onderdrukken. Hier zit ik, in Johannesburg, terwijl de vice-consul van Angola zijn collega belt in Nederland, om mijn visumaanvraag te regelen. Lefgozer.

‘Hij gaat het uitzoeken,’ meldt de chef. ‘Mijn assistente belt u terug zo zodra wij iets horen uit Rotterdam. Goedemiddag.’

Bijna maak ik een buiging.

Die middag val ik zowat van mijn stoel als ik de assistente aan de telefoon krijg. De vice-consul in Nederland heeft het nagekeken. Mijn gegevens staan inderdaad in de computer, er is geen enkel probleem, ik hoef alleen maar naar Oshakati, een plaats aan de grens tussen Namibië en Angola, of anders naar de ambassade in Windhoek, en daar krijg ik een visum.

Probleem opgelost. Voor nu.

IMG_5752

16 februari 2015, Ambassade Angola, Windhoek, Namibië.

‘Ik heb een wat merkwaardig verhaal,’ begin ik tegen de dame achter de balie. Ik leg in het kort mijn situatie uit.

‘Gaat u daar even zitten.’ Ze wijst naar de stoelen in de ruimte voor de balie. Het is een kaal vertrek. Aan de zijkanten hoge tafels voor het invullen van formulieren, een paar stoelen, een kaart van Angola. Mensen lopen in en uit. Sommige blijven wachten, anderen vertrekken na een kort gesprek aan de balie en komen later terug. Een groepje jongeren hangt rond, praat met een medewerker die steeds achter de balie verdwijnt en dan weer terugkeert. Heel soms krijgt iemand iets van haar en gaat dan weg. De meesten lijken te wachten op iets dat niet komt, net als ik.

Na een half uur meld ik mij weer aan de balie.

‘U moet mijn baas hebben. Die is er niet.’

‘Komt ze wel?’

‘Ja.’

‘Wanneer?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Roept u mij als ze er is?’

‘Gaat u daar zitten.’

Ik ga zitten. Ik denk dat ze hoopt dat ik wegga.

Na opnieuw een half uur meld ik mij weer.

‘Is uw baas al terug?’

Ze overlegt met haar collega naast haar, die er al de hele tijd rondloopt.

‘Het kan niet. Wij geven alleen visa uit voor residents in Namibië.’

‘Kan ik uw baas niet even spreken?’

‘Dat is ze, ik heb zojuist met haar overlegd.’ Ze wijst naar haar collega. ‘Het kan niet.’

‘U begrijpt het niet, de vice-consuls in Zuid-Afrika én in Nederland zeggen dat ik hier moet zijn. Kan ik de vice-consul hier spreken?’

‘Die is er niet.’

Zucht. ‘Komt hij wel?’

‘Ja.’

‘Wanneer?’

‘Weet ik niet.’

‘Roept u mij als hij er is?’

‘Gaat u daar zitten.’

Ik ga weer zitten, kijk op mijn horloge. Over precies een half uur ga ik weer terug naar de balie. Net zolang tot ze het moe zijn.

‘Kan ik een afspraak maken met de vice-consul?’ Ik sta er weer.

‘Hij komt zo.’

‘Ok, ik wacht.’

Weer een half uur later word ik naar binnen geroepen. Ik krijg een stoel aangewezen in een kale kamer met okergele muren. Er staan ook twee fauteuils, bekleding vaal en gescheurd. Onder het hoge raam staat een vaas met nepbloemen. Zelfs die laten de blaadjes hangen. Een assistente leidt een man de kamer binnen. Grijs pak, roze stropdas, kort kroeshaar dat langzaam grijs aan het worden is. Ik hoef niet op de staan, zegt hij.

‘Dat zijn niet de regels,’ zegt hij, als ik mijn verhaal verteld heb. ‘Zo werkt dat niet. Waarom komt u naar mij? U moet bij de ambassade in uw eigen land, in Duitsland, zijn.’

‘Nederland,’ zeg ik en leg nogmaals mijn verhaal uit. Dat ik het verder ook niet weet, dat zij zeggen dat ik hier moet zijn en dat ik alleen maar probeer te doen wat mij verteld wordt wat ik moet doen.

‘Maar misschien kunt u anders even naar Nederland bellen?’ probeer ik nog maar eens.

Hij verdwijnt naar de kamer een deur verder. Door de muur heen hoor ik hem mijn naam spellen. Na een kwartier komt hij terug.

‘Het is in orde. U krijgt uw visum.’

‘Fijn, dank u.’

‘Maar niet hier. U moet naar Oshakati.’

De fanfare die in mijn hoofd aanstalten maakte om een vrolijke mars in te zetten druipt teleurgesteld af. Van de assistente krijg ik twee telefoonnummers.

‘Als u problemen ondervindt in Oshakati kunt u hierheen bellen.’

Om half een sta ik weer buiten. Ik heb nog steeds niet veel meer dan een factuur zonder bedrag van iets wat ik niet betaald zou moeten hebben, maar nog steeds wel betaald heb – de 135 euro die ik in Nederland heb overgemaakt is, zoals ik al gedacht had, nooit teruggestort. Maar ik heb ook een nieuwe bevestiging, en twee telefoonnummers. Misschien komt het toch goed.

Dezelfde middag nog ga ik naar het consulaat van Congo Brazzaville. Daar word ik ontvangen door een allervriendelijkste mevrouw. Een visum aanvragen? Ja hoor, geen probleem. Formuliertje invullen, paspoort, kopie van paspoort en twee pasfoto’s achterlaten en betalen. Over twee dagen ophalen. Twee dagen later ligt het paspoort klaar, met het gevraagde visum.

‘Hele fijne reis, meneer, ik hoop dat u een goede tijd hebt in ons land.’

Zo kan het dus ook.

IMG_5792

Maandag 9 maart 2015, Consulaat Angola, Oshakati, Namibië. Dicht.

‘Waarom zijn ze dicht?’ vraag ik aan de bewaker.

‘Weet ik niet.’

‘Zijn ze morgen weer open?’

‘Weet ik niet.’

 

Dinsdag 10 maart 2015, Consulaat Angola, Oshakati, Namibië. Het hek is open, ik loop naar binnen. Voordat ik bij de deur ben word ik teruggeroepen. Mijn tas, die mag ik niet meenemen. Ik moet hem achterlaten, ergens buiten op het tegelveld achter het hek waar ook de bewakers zitten. Er is geen garderobe of iets wat daarop lijkt, ik zet de tas gewoon buiten tegen een boom. Nou ja, het zal wel veilig zijn. Ze zullen ook mijn auto in het oog houden, zeggen ze.

Binnen zit een man met een bolle buik achter een tafel. Ik zeg dat ik voor een visum kom. Hij wijst op mijn broek.

No shorts,’ zegt hij.

Het is buiten 36 graden, in de zon brand je zelfs met een blok ijs op je hoofd nog binnen twee minuten weg, maar ik glimlach, loop terug naar de auto, rits de pijpen aan mijn afritsbroek.

‘Zo beter?’ vraag ik als ik weer binnen ben. Ik krijg een duim. We zijn vrienden. Hij wijst naar de balie. Als ik aan de beurt ben vertel ik opnieuw mijn verhaal.

‘U moet die man hebben.’ Er wordt gewezen naar een man in een vrolijk gekleurde blouse die net de deur uit loopt. ‘Wacht u daar.’

Ik ga op een ijzeren bankje zitten, en wacht. Er zijn vele kwaliteiten die een reiziger moet hebben. Geduld en de mentale kracht om tegenslagen op te vangen zijn misschien wel de belangrijkste.

Na veertig minuten komt de vrolijke blouse terug. Opnieuw vertel ik mijn verhaal.

‘Dan moet u bij mijn baas zijn.’

‘Ok, kan ik die spreken?’

‘Ze is er niet.’

‘Komt ze wel?’

‘Ja.’

‘Wanneer?’

‘Dat weet ik niet. Wacht u daar.’

Ik wacht twee uur. Ondertussen komt de vrolijke blouse nog een keer langslopen, maakt een beweging à la ‘ik weet dat je zit te wachten, heb geduld!’, dus ik wacht. Het is eerst drukker geworden in de wachtruimte, maar daarna is iedereen ook weer vertrokken. Sommigen krijgen hier daadwerkelijk iets gedaan. De enige constante ben ik, en de man met de bolle buik achter het tafeltje bij de deur, wiens enige taak lijkt om te checken of mensen een lange broek dragen.

Om twee uur, een uur voor sluitingstijd, ga ik nogmaals naar de balie.

‘Kan ik niet een afspraak met haar maken?’

‘Komt u morgen terug.’

‘Komt ze vandaag niet meer?’

‘Dat weet ik niet. Ze is buiten de deur. Komt u morgen terug.’

‘Is ze er dan wel?’

‘Meneer, ik weet het niet. Ik zeg u dat u morgen terug moet komen.’

De irritatie heeft toegeslagen. Het is tijd om te gaan.

 

Buiten staat een mannetje tegen mijn auto geleund.

‘Ik heb op je auto gepast.’

Tuurlijk.

‘Dat is aardig van je. Maar dat deden die bewakers daar ook al.’

‘Heb je iets voor me?’

Als ik elke ‘bewaker’ van mijn auto geld moest geven kon ik onderhand zelf auto’s gaan bewaken om aan geld te komen.

‘Nee, sorry.’

IMG_5786

Woensdag 11 maart 2015, Consulaat Angola, Oshakati, Namibië. Ik heb inmiddels, via Morné, de eigenaar van het pension waar ik kampeer, telefonisch gesproken met Emily, die op het consulaat werkt. Zij blijkt degene te zijn waar ik gisteren op zat te wachten. Vandaag zal ze op kantoor zijn en kan ik haar spreken. ‘Kom om half tien,’ had ze gezegd.

Om half tien meld ik mij bij de balie.

‘Ik zou graag Ms. Emily spreken.’

‘Ze is er nog niet. Wacht daar.’

Ik ga weer zitten. Nu heb ik mijn boek bij me. Ik zit te lezen als Gabriel naast me komt zitten. Gabriel heb ik gisteren ook gebeld, via Morné. Hij is freelance tour guide en heeft met verschillende organisaties door Angola gereisd. Een jonge gozer, vlot, wakkere blik in de ogen. Ik wil hem spreken om wat meer te weten te komen over Angola; wat zijn de mooie plekken om heen te gaan, waar kan ik slapen, hoe zijn de wegen? Hij is zelf geboren in Angola, vertelt hij, en werd tijdens de burgeroorlog gerekruteerd (of beter: gekidnapt) door het Angolese leger. Op zijn dertiende, toen zijn training was afgerond en ze naar het front zouden gaan, is hij ontsnapt. Nachtenlang liep hij door de bush richting Namibië, alleen, met een geweer en een paar hompen brood die hij ergens had weten te stelen. Uiteindelijk vond hij zijn moeder terug. Even vergeet ik dat ik zit te wachten op een visum, luister ademloos naar het relaas van Gabriel. De engel waarnaar hij vernoemd is moet hem beschermd hebben.

Om twaalf uur meldt Emily zich achter de balie. Ik mag mijn verhaal nogmaals vertellen. Ze bladert door mijn paspoort, kijkt naar de talloze stempels.

‘Wij geven alleen visa uit voor residents in Namibië,’ zegt ze. ‘Ik snap niet waarom je hier komt. En we doen ook geen online aanvragen, dus we kunnen niks in de computer zien. Ga naar Windhoek, daar kunnen ze dat zien.’

‘Ik was dus al in Windhoek, ik heb de vice-consul daar gesproken en die stuurde me naar hier.’

Soms moet je zaken drie keer zeggen voordat iets doordringt. Of honderd keer. En ergens schep ik er nog een diabolisch genoegen in ook, om organisaties onvermoeibaar te wijzen op hun eigen inconsistenties en elkaar tegensprekende adviezen.

‘Ik moet dit met de consul bespreken. Kom vanmiddag terug.’

Ik neem Gabriel mee voor een lunch bij een lokaal hole in the wall restaurant, waar de kost bestaat uit rijst en een kippenpoot uit een paar grote pannen op een houtvuur. Daarna buigen we ons in het kantoor van Morné over de kaart van Angola en stippelen we een route uit die ik kan nemen, inclusief mogelijke slaapplaatsen. Om half drie melden we ons weer bij het consulaat. Emily komt terug met mijn paspoort.

‘Zet even het hele verhaal op papier, leg uit dat je toerist bent en wat je plannen zijn. En vergeet niet te vermelden dat je al een visum hebt voor DRC en Congo Brazzaville.’

Als we terugkomen bij de auto hangt hetzelfde mannetje weer rond.

‘Heb je een gift voor me? Omdat ik op je auto gepast heb.’

‘Laat ze daarbinnen eerst maar eens zorgen dat ik een gift krijg, dan zien we daarna wel verder.’

‘Als je me 100 Namibian Dollar geeft, zorg ik dat je zo je visum hebt.’

‘Ja, het is goed met je, vriend, ik zie je morgen. Dat is onvermijdelijk, geloof ik.’

Ik breng Gabriel naar huis, tien kilometer buiten de stad. Hij woont op een open dorre vlakte in een hutje dat hij zelf gebouwd heeft. Elektriciteit via zonnepanelen, geen stromend water. Maar het ziet er knus uit en er ligt een heel groot stuk land omheen. Hij wil een kippenboerderij beginnen, zegt hij. Van alleen het geld dat hij verdient als gids kan hij niet leven, en ook zijn vrouw zit zonder werk. We drinken een cola op zijn erf en bespreken de mogelijkheden. Misschien wil hij zelfs het stuk land kopen dat naast dat van hem ligt. 600 Namibian Dollar.

‘600 dollar?’ zeg ik. ‘Ik koop het, nu!’ 600 Namibian Dollar is ongeveer 45 euro. Voor 5 hectare land. ‘Weet je wat, ik maak er 1000 van, om de chief blij te maken.’

Ik ben geneigd om het nog echt te doen ook. Geen idee wat ik ermee moet, maar het is bijna een offer you can’t refuse. Het idee alleen al, een stuk land in Namibië! Voor mijn part gaat Gabriel er boeren. En als hij ooit winst maakt is de helft voor mij. Nou ja, nog even nadenken. Eerst een brief schrijven om dat visum te bemachtigen.

IMG_5731

Donderdag 12 maart 2015, Consulaat Angola, Oshakati, Namibië.

‘Goeiemorgen, vriend, hoe is het?’ Voordat ik uitstap hangt het mannetje al over de motorkap van mijn auto.

‘Niet goed. Ik heb zo’n honger.’

‘Werk je op het consulaat?’

‘Ja.’

‘Misschien moet je dan je baas vragen om opslag. Zeg maar dat je niet kunt werken met een lege maag.’

Ik zet mijn tas weer bij de bewakers en salueer naar hen, schud de hand van het mannetje met de bolle buik bij de deur en neem weer plaats op het ijzeren bankje. De man met de vrolijke blouse wuift een groet.

She’s coming,’ roept hij, nog voordat ik iets gevraagd heb. Nog even en ik behoor tot het interieur.

Deze keer is Emily er echt om tien uur. Ik overhandig haar de brief.

‘De consul zit nu in bespreking, maar als hij eruit komt overleg ik het met hem. Wacht hier.’

Ze vertrekt met mijn brief en paspoort. Ik ga zitten, haal een nieuw boek uit mijn tas. Zo’n visumaanvraag is nog eens een goede manier om achterstallig leeswerk in te halen.

Drie uur later, tegen één uur, is Emily terug aan de balie.

‘Het is in orde, je krijgt het visum, maar je moet dit formulier invullen. En ik heb twee pasfoto’s van je nodig, een kopie van je paspoort, inclusief alle stempels en visa en je moet 100 US Dollar overmaken op dit rekeningnummer. Lever het bonnetje hier in, samen met alle andere stukken en je paspoort. Het lukt waarschijnlijk niet meer vandaag, maar morgenvroeg is je visum dan klaar.’

Ze draait al bijna om.

‘Wacht even. 100 dollar? Ik heb al betaald, 135 euro, in Nederland.’ De rest is feitelijk gewoon een nieuwe aanvraag en dat is simpel te regelen, maar ik heb geen zin om nog een keer te betalen.

‘Als je hier een visum krijgt moet je hier betalen.’

‘En hoe zit het dan met die 135 euro?’

‘Dat weet ik niet, dat is een zaak van het consulaat in Nederland.’

Feitelijk heeft ze daar wel gelijk in. Ik zal in Nederland moeten reclameren. Ik maak een rondje langs de bank en de copyshop en keer terug met de gevraagde papieren. Ik heb nu betaald, dan kunnen ze er toch niet meer omheen. Zou het er dan echt van gaan komen?

‘Ik heb zo’n dorst.’ Het mannetje bij de auto.

‘Daar is een kraan, vriend.’

IMG_5824

Vrijdag 13 maart 2015, Consulaat Angola, Oshakati, Namibië. Ik ben er om half tien. Om tien uur staat Emily achter de balie.

‘Je bent te vroeg, we zijn net open. Ik ga ermee aan de slag, maar de consul zit in een meeting. Kom om twaalf uur terug.’

Ik ga een reserve oliefilter en een dieselfilter kopen bij de Toyota-dealer (in Angola is alles schreeuwend duur, schijnt, vooral zaken die ingevoerd moeten worden) en laat nog wat pasfoto’s afdrukken bij de fotograaf – er zijn nog meer visa aan te vragen de komende tijd. Om kwart voor twaalf ben ik terug bij het consulaat. Het mannetje dat zogenaamd altijd mijn auto bewaakt is nergens te bekennen. Ik ga bij de echte bewakers zitten en eet een appel. Misschien moet ik mijn hangmat hier ophangen, bedenk ik. De kunst is om ze net genoeg te ergeren dat ze van je af willen, en net niet genoeg om ze echt te irriteren.

Klokslag twaalf uur stap ik naar binnen. Er staat ineens iemand anders achter de balie. Een jonge vrouw. Daar ben ik blij mee, vrouwen doen over het algemeen hun werk, zijn vriendelijk en communiceren. Mannen hangen voornamelijk het pedante haantje uit in een poging macht uit te oefenen die ze niet hebben. Ik leg uit waar ik voor kom. Ze gaat netjes vragen hoe het ermee staat en komt tien minuten later terug met een antwoord. Het is nog niet klaar en of ik Emily om twee uur wil bellen. Kijk, dat was toch niet zo moeilijk?

Om twee uur bel ik Emily vanuit het pension, een dik kwartier rijden van het consulaat. Ze gaat er nu achteraan. Of ik om half drie terug wil bellen. Ik zet het alarm, ga achterover liggen in een stoel en val in slaap. Net voor half drie belt Emily zelf mij wakker. Of ik het kenteken van mijn auto wil SMS-en. ‘Now now,’ want om drie uur is ze klaar met werken (I knock off, zegt ze, en ineens weet ik waar het Nederlandse ‘afnokken’ vandaan komt. En dat now now betekent, in heel Afrika, ‘onmiddellijk’. Gewoon ‘now’ is zoiets als ergens in de nabije toekomst). Ik SMS het kenteken. Betekent dit nu dat het visum klaar is en dat ik het kan komen ophalen? Ik ga er vanuit dat ze mij dan weer belt. Ik heb geen zin om weer voor niks naar het consulaat te rijden – het visum is inmiddels al bijna twee keer zo duur vanwege het dieselverbruik. Ik wacht.

Om vijf voor drie bel ik Emily. Geen gehoor. Om drie uur belt ze terug. Mijn visum is klaar. Of ik in het gebouw ben. Nee dus. Dan moet ik wachten tot maandag, want ze gaat nu naar huis. Nu word ik boos. Ik zit verdomme de hele week in dat gebouw uit mijn neus te eten en nu zou ik, terwijl alles geregeld is, nog een keer het hele weekend moeten wachten omdat mevrouw precies om drie uur naar huis wil? Nooit hebben ze haast, die Afrikanen, behalve als ze van het werk naar huis mogen (en als ze stilstaan voor een rood stoplicht). Dan is twee seconden nog teveel.

‘Neem het paspoort maar mee, dan kom ik je wel ergens halverwege tegemoet,’ stel ik voor.

‘Ok,’ zegt ze en hangt op.

Ik staar naar de telefoon in mijn hand. En nu? Waar word ik nu geacht haar te ontmoeten? Vloekend stap ik in de auto en rijd naar het consulaat. Bij de ingang staat op een keurig gouden bordje dat ze tot half vier open zijn, maar het is twintig over drie en alles is verlaten. Alleen het mannetje met de bolle buik bij de deur is er nog.

‘Closed,’ zegt hij.

Ik bel Emily.

‘Ik ben bij het consulaat,’ zeg ik.

‘Je zei toch halverwege?! Ik sta bij Daim.’

‘Hoe moet ik weten waar dat is?’

Zucht aan de andere kant van de lijn. ‘Ik kom wel terug naar het consulaat.’

Ik ga op een stoepje in de schaduw zitten. Het mannetje dat mijn auto zou moeten bewaken komt voorbij, een plastic tasje in zijn hand met een fles erin.

‘Kom, dan drinken we een cola,’ zegt hij.

Ik glimlach. ‘Nee, sorry,’ zeg ik, ‘ik wacht op Emily.’

Even later stopt er een auto, een oude doorgezakte Toyota Corolla. Zo een als elke sloeber die het kan betalen er een heeft. Naast de chauffeur zit Emily. Ik loop naar het open raampje en ze overhandigt mij mijn paspoort.

‘Alsjeblieft,’ zegt ze, ‘ik heb je een dienst bewezen.’

Ze rijdt weg, ik kijk in mijn paspoort. Het visum staat erin. 30 dagen, vanaf nu.

Ik pak mijn telefoon, stuur een SMS naar Gabriel: ‘Het is gelukt!’

 

Liefs,

N

Advertenties

Eén reactie to “De aanhouder (of hoe je een visum regelt voor Angola)”

  1. Marco 16 maart 2015 bij 13:27 #

    Dat moet wel een heel mooi land zijn, Angola.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: