De leegte, de leegte

17 Sep

IMG_3316

Lieve I,

Het is zondagmorgen en Auke rijdt weg met mijn auto. De eerste keer sinds ik de eigenaar ben wordt Landcruiser bestuurd door iemand anders. En ik zit er niet eens in. Ik bedenk dat ik Landcruiser, behalve op video, nooit heb zien rijden. Het is even wennen, maar soms moet je vertrouwen hebben.

‘This way.’

Mr. Mohoho staat achter mij en steekt zijn arm uit naar de andere kant van het voetbalveld waar we zijn uitgestapt. Landcruiser verdwijnt achter een heuvel, ik volg mijn gids. We steken een stroompje over, drie boomstammen bij wijze van brug, en dan zijn we onderweg. Het pad loopt meteen omhoog en ik voel onmiddellijk de plekken waar het straks pijn gaat doen; kuiten, kont, dijen. De rugzak duwt op mijn heupen, trekt aan mijn schouders. De eerste tien minuten zijn altijd het ergst.

We lopen langs akkertjes naar boven – bananenbomen, koffieplanten, mais. In de verte klinkt het gezang van een kerkkoor. Veel meer afgelegen dan hier wordt het niet en God is overal, maar toch vooral ook daar waar de missionarissen Hem gebracht hebben. En je kunt van die lui zeggen wat je wilt, maar avonturiers waren het. Ook vriend Livingstone, toch een van de grootste ontdekkingsreizigers van zijn tijd, vertrok oorspronkelijk naar Afrika om het Woord te verkondigen. Hij kwam niet hier, maar het dorpje waarvandaan ik vertrokken ben is wel een oude missionarispost die zijn naam draagt – Livingstonia.

IMG_2859 (800x600)

Zoals altijd beginnen met het vinden van het juiste wandelritme ook mijn gedachten te lopen. Ik denk terug aan Dar es Salaam. Het was daar al, denk ik, dat jij langzaam uit het zicht verdween. Het gemis werd erger omdat ik teveel tijd had, moest wachten op een camera die vanuit Nederland gestuurd werd. Binnen twee dagen was het ding in het land, maar het zou twee weken duren voor de douane het pakketje vrij zou geven. In Sudan had ik zelfs mijn auto sneller terug, tegen relatief lagere kosten (zie ook On the road again (of hoe je je auto bevrijdt uit een Sudanese haven). Ik begon mijn hoop te verliezen dat het ooit nog goed komt met dit continent. Mijn hoop voor ons was toen nog springlevend, ondanks de subtiele signalen, die ik wel opving, maar hardnekkig negeerde.

Ik benutte de wachttijd door een monteur te laten komen die Landcruiser een beurt zou geven. Een vadsige beer waggelde de poort door en kroop onder de auto. We hoefden niet naar een werkplaats, hij kon het ook zo wel, zei hij, al had hij al mijn gereedschap nodig. Zelf had hij alleen een paar schroevendraaiers in de zak. Ik keek argwanend toe wat hij met Landcruiser uitvoerde. Het voelt toch altijd een beetje alsof er iemand met zijn fikken aan je vriendin zit. Maar halverwege de tweede dag waren de remblokken, de olie en het oliefilter vervangen, de wielen geroteerd en alle scharnierpunten opnieuw ingevet. Landcruiser kon er weer even tegen, zo leek het.

Terwijl de douane druk bezig was met vanalles behalve mijn camera reed ik naar Bagamoyo, even ten noorden van Dar es Salaam en het startpunt van de slavenroute die ooit dwars door Tanzania naar Lake Tanganyika liep. Vanuit de binnenlanden werden Afrikanen, zonder kleren en met kettingen aan elkaar geklonken, naar hier vervoerd, om vervolgens verscheept te worden naar Zanzibar, waar ze werden verhandeld. Het was, zoals ik je al eerder schreef, deze route die Stanley volgde om Livingstone te vinden. Komend vanaf Zanzibar trof hij in Bagamoyo de laatste voorbereidingen voor zijn karavaan. Maar van Stanley is in Bagamoyo geen spoor te vinden. Livingstone daarentegen wordt wel gememoreerd, al was hij dood toen hij hier was. Zijn trouwe dragers Chuma en Susi, die hem tijdens al zijn reizen gediend hadden, droegen zijn levenloze lichaam vanuit Lake Bangweulu in Zambia terug naar Bagamoyo. Daar werd het een nacht ter ruste gelegd in de kerktoren, waarna het, via Zanzibar, naar Londen werd verscheept. Een simpel informatiebord markeert de plaats waar hij lag opgebaard.

’s Avonds op de campsite deed ik net of ik niks in de gaten had, maakte mezelf wijs dat ik me zorgen maakte om niks en bleef je vrolijke berichtjes sturen, al werden de reacties steeds spaarzamer. En ik bleef mijn telefoon checken – een verliefde puber in de ontkenningsfase.

IMG_2929

Auke, die een zelfgebouwde ecolodge met eigen groentetuin heeft bij Livingstonia en zelf regelmatig Nyika National Park, waar ik naar op weg ben, in gaat, had mij al gewaarschuwd: op dag één gaat het alleen maar bergop. De kunst van bergop lopen is om een ritme te vinden. Vooral niet te snel te willen, een tempo te zoeken dat je vol kunt houden. Eenmaal in dat ritme stap je door, je ademhaling een metronoom. Je voelt je lichaam werken, op een net niet maximaal niveau zodat je altijd iets extra’s kunt doen als je uit balans raakt. Het stappen wordt automatisme, je aandacht verschuift van je voeten, je benen, je rug, naar je hoofd, waar nu de ruimte ontstaat waar je gedachten vrij kunnen dwalen. Ik sjok achter Mr. Mohoho aan, mijn gedachten dwalend naar de dag dat ik vertrok van de oostkust.

Eindelijk, eindelijk mocht ik mijn camera ophalen en kon ik weg. Maar eerst reed ik van het DHL-kantoor op het vliegveld naar het Toyota Service Center. Ondanks de recente check up startte Landcruiser moeilijk de laatste dagen en ik vertrouwde het niet. Een monteur trok eens hier en daar aan een kabeltje, constateerde dat er een niet goed was en repareerde. En daar ging ik, na bijna twee weken Zanzibar en bijna drie weken Dar es Salaam zat ik eindelijk weer in de auto, een degelijk stuk roadtrip in het verschiet. Jij kon me gestolen worden en ik had er wel zin in. Muziekje op, raampje open en cruisen. Na twee dagen bereikte ik Manyoni, meer een truckstop dan een dorp, op een kruispunt van wegen. Ik vouwde mijn tent uit binnen de omheining van een motel en bestelde met handen en voeten iets te eten. Een voor een druppelden de chauffeurs binnen, hun vrachtwagens driedubbel voor de deur geparkeerd, een lauwe Serengeti bestellend aan de bar. Ik was nu werkelijk van het toeristenpad geraakt. Hier was niks te zien, niks te doen en niemand sprak Engels. Geen mzungu in zicht en het beviel me prima. Ik schreef een lange mail aan jou, die ik niet verstuurde. Ik moest geduld hebben, had ik bedacht, niet pushen, ruimte geven.

De volgende dag reed ik de beschaving uit. Alle vrachtwagens waren vertrokken, naar het noorden vermoedelijk, of naar het oosten, waar ik vandaan kwam. Niemand leek rechtdoor te hoeven, naar het westen. Dat was waar ik heen ging. De weg was recht, smooth en met honderd per uur zoefde ik door het niks; hoog gras aan de linkerkant, braak liggend terrein aan de andere. Af en toe een hutje, soms een neger op een fiets, verder oneindige ultieme leegte. Het was niet eens mooi, het was land dat er nu eenmaal was. Waarom iemand er een weg doorheen had aangelegd was mij een raadsel. Maar ik zong. Elleboog uit het raam, haren in de wind, radio op hard. Leegte, eindelijk leegte.

IMG_3127 (800x600)

Het is gaan regenen. We zijn de wolken in getrokken en een mist vol miezer doorweekt langzaam mijn t-shirt en rugzak. Eerst trek ik me er niks van aan, regen is het risico van het vak, maar na een uur of drie begint het toch mijn hoofd binnen te druppelen. Het pad loopt maar door omhoog, en daar waar het even omlaag gaat moet ik oppassen niet onderuit te gaan. De rugzak wordt steeds zwaarder en door het druipende struikgewas zijn nu ook mijn sokken zeiknat tot in mijn schoenen. Het uitzicht is grijs geworden, het enige dat ik zie als ik opkijk van het pad is het silhouet van Mr. Mohoho, verdwijnend in de mist. ‘Als het zo moet, hoeft het voor mij niet. Waarom wil ik dit toch altijd, in godsnaam?’ Dat soort gedachten. Maar ik heb natuurlijk geen keus en weet dat ik later zal weten waarom ik dit wil.

IMG_3289 (800x600)

En opeens zijn we dan bij de eerste campsite. Een vlak stukje onder een boom, met verkoolde stukken hout – overblijfselen van een eerder kampvuur. Het is één uur in de middag en we zijn klaar met wandelen.

‘Zijn we er al?’ vraag ik ten overvloede.

‘Dit is de campsite.’

‘Ja, dat zie ik, maar is er niet één een stuk verder? Dan hoeven we morgen minder ver.’

Ik zie mijzelf al zitten in de tent, regen op het dak, zeven uur lang wachtend tot het tijd is om te gaan slapen. Ik ben best moe, maar dat vooruitzicht is nog minder aanlokkelijk dan het gesjouw door de natte mist. Toch is wachten wat we gaan doen. Mr. Mohoho probeert een kampvuur te maken, draait er een heel pakje lucifers doorheen, blaast en verbrandt bijna zijn vingers. Maar het lukt. Ik zet mijn tent op, graai droge kleren uit mijn rugzak en ga op zoek naar stokken om mijn natte kleren boven het vuur te hangen. Het is gestopt met regenen, maar de mist blijft en de kou wordt alleen maar erger.

‘De w.c. is daar.’ Mr. Mohoho wijst richting een paadje dat het struikgewas in loopt.

Ik trek mijn wenkbrauwen op. ‘Er is een w.c.?’

Ik ga op onderzoek uit en inderdaad, een stukje het paadje op naar boven staat, tussen de struiken, een houten pot, met zowaar een w.c.-bril erop. Voor de vorm ga ik er even op zitten. De mist in de vallei is een beetje opgetrokken en onthult een groen en bruin golvend grasland. Als er een wedstrijd was om de w.c. met het beste uitzicht van Oost Afrika, dan zou deze hoge ogen gooien.

‘Goeie w.c.,’ meld ik als ik terug ben.

Mr. Mohoho knikt. Hij hurkt, zijn handen boven het gloeiende hout, rolt een sigaretje van een beschreven pagina lijntjespapier. Ik ga tegenover hem zitten, staar in de vlammen. De rook kringelt door mijn kleren omhoog, de tenten klapperen in de wind, een vogel vliegt voorbij. Verder is er niks. Twee mannen, zwijgend bij een kampvuur, wachtend op het donker.

IMG_3300 (800x600)

Tabora was een belangrijke stop op mijn route. Een pleisterplaats voor de Arabische slavenkaravanen en dus ook voor Stanley en Livingstone. Het was hier dat ze hun voorraden konden aanvullen en aan konden sterken voor de rest van de tocht. Het was hier ook waar de heren uiteindelijk afscheid namen, om elkaar daarna nooit weer te zien. Na hun ontmoeting in Ujiji deden ze, op verzoek van Livingstone, gezamenlijk nog een relatief kleine verkenningstocht op Lake Tanganyika. Op verzoek van Stanley ging Livingstone, toen al behoorlijk uitgeput, daarna mee terug naar Tabora om te herstellen. Stanley probeerde Livingstone ervan te overtuigen helemaal met hem mee terug te gaan naar Engeland, maar Livingstone wilde daar niks van weten. Hij had nog altijd de bron van de Nijl niet gevonden en dacht dat die verder naar het zuiden lag. Ondanks zijn slechte gezondheid wilde hij niet naar huis terugkeren voordat zijn missie volbracht was. De missie van Stanley daarentegen was geslaagd. Hij had Livingstone gevonden en moest terug om het nieuws wereldkundig te maken en zijn verhaal te vertellen. En zo vertrok Stanley naar Zanzibar en bleef Livingstone achter in Tabora. Het huis waar Livingstone woonde totdat hij zijn laatste tocht begon, en waar Stanley verbleef voordat hij de laatste push naar Ujiji maakte, staat er nog. Het is nu een museumpje met een paar memorabilia.

Ik ging erheen en trof een vervallen gebouw aan, in het midden van nergens. Ondanks de hulp van GPS-vriend Garmin reed ik drie keer verkeerd. Uiteindelijk kwam ik uit op een hobbelweggetje dat tussen wat hutjes, akkertjes en woekerend struikgewas door liep. Twee mannen waren bezig de gevel op te knappen, voor de deur lag een hoop stenen en zand. Het leek meer een bouwplaats dan een museum, maar ik mocht naar binnen. Er was weinig te zien. Een kaart met de routes van ontdekkingsreizigers aan de muur, een tafeltje met wat spulletjes die van Livingstone geweest zouden zijn – olielampjes, wat geld in een schaaltje, een flesje dat een inktpotje leek. Het interessante materiaal lag achter een gesloten deur, zo bleek later, toen ik een van de werklui vroeg wat er in het kamertje achter die deur was. Hij liet me binnen en daar waren enkele vitrines met (kopieën van) aantekeningen van Stanley, de kaart van Afrika die Livingstone getekend had en de door Stanley geschreven verslagen zoals die in de Herald verschenen waren. Al met al niet overweldigend spectaculair, maar ik stond daar toch maar even midden in Tanzania, in het huis waar ooit een legendarische ontdekkingsreiziger geleefd had en volgde een eeuwenoude route die me bracht op plaatsen waar weinigen komen. Het gaf mijn eigen tocht een extra dimensie en mijzelf een gevoel van voldoening.

IMG_3007 (800x600)

Dag twee begint om kwart voor zes in de morgen. De mist is er nog en ik pak de tent, die toch al te zwaar is voor dit werk, nat in, waardoor hij nog zwaarder is. Maar vandaag wordt makkelijker, is mij beloofd, de grootste stijging hebben we gehad en het weer aan de andere kant van het park is meestal beter. Inderdaad trekt de mist in de loop van de dag op en langzaam tonen zich de uitzichten waar ik voor gekomen ben: golvend grasland strekt zich uit tot aan de horizon, als een bobbelend biljartlaken van groen, bruin en geel. Alleen in de plooien van de heuvels, uit de wind, groeien bomen. Voor de rest is het kaal, glooiend en leeg, zover als je kunt kijken. Zo’n plek waar je de stilte kunt horen. En dan is het toch weer de moeite waard, vergeet ik al lopend het gewicht op mijn rug, vind ik mijn ritme en stap ik een dagdroom in. Ik zie mijzelf mijn vrienden de ogen uitsteken als ik jou aan ze voorstel in de kroeg, hun complimenten ontvangend, als je naar de w.c. bent. Ik zie ons rondlopen in mijn dorp, je de plaatsen van mijn jeugd aanwijzend, waarna je met je exotische charme ook mijn ouders inpakt. Ik zie ons hand in hand over de dijk lopen, naar de Bizonbaai, waar we zoenen in de schaduw van een boom. En dan struikel ik over een steen op het pad, ben ik uit mijn ritme en spat de droom uiteen. Mr. Mohoho stopt, draait zich om.

‘You’re ok?’

‘Yes,’ zeg ik, ‘no worries. Just another stone on the path.’

20140911_092853 (800x600)

In Kigoma, net boven Ujiji, eindigde de slavenroute die ik volgde en was ik daar terug waar ik bijna twee maanden eerder het land binnenkwam. Ik kende Jakobson’s Beach, een van de betere campsites die ik ben tegengekomen, van de vorige keer dat ik er was, en ik besloot een dag te blijven voordat ik naar het zuiden zou rijden. Maar Landcruiser gooide roet in het eten. Hij startte nog steeds niet lekker en ik ging nog maar een keer langs een garage. Ik stelde voor eens naar de accu of de startmotor te kijken, want ik heb nul verstand van auto’s, maar als zo’n ding niet start dan is dat volgens mij het eerste waar je aan denkt.

‘Het is iets met de wiring,’ zei het mannetje met het rode t-shirt dat zojuist samen met een collega een kwartier naar de motor had staan kijken.

‘Er is al een kabeltje gefikst,’ zei ik. ‘Bij het Toyota Service Centre in Dar es Salaam.’

Een officiële Toyota garage in de hoofdstad, dat maakte misschien indruk.

‘We moeten naar iemand anders, de wiring man.’

‘Niet de accu, of de startmotor?’

Hoofdschudden.

‘De wiring man. Vooruit maar, jullie zijn de garage,’ dacht ik.

De wiring man deed iets met de wiring, draaide iets uit elkaar, daarna weer in elkaar.

‘Nu moet hij het weer doen,’ zei hij.

Ik keek bedenkelijk.

‘En anders kom je morgenvroeg terug,’ zei het rode t-shirt.

Terug in het centrum knutselde ik een verjaardagskaart voor jou in elkaar. Een foto van ons samen, waarvan ik dacht dat je hem nog niet had, met een lieve tekst. Er was nog hoop, ergens, al had ik niks meer van je gehoord. Maar je zou vast iets sturen voordat de kaart zo’n anderhalve week later zou aankomen. Iets met excuses, en dan had ik toch maar mooi aan je verjaardag gedacht. Aan mij zou het niet liggen. Niet deze keer.

IMG_2454 (800x533)

Chelinda is de lodge in het midden van het park. Aan het eind van dag twee strompel ik de campsite op. De rugzak eist zijn tol, oude blessures aan knie en enkel spelen op, het brandt onder de zolen van mijn voeten. Maar er is een warme douche en omdat ik er nu toch ben, fiets ik op dag drie een rondje op een gehuurde mountainbike. Spierpijn moet je eruit bewegen. Ik zie roan antelopes, reedbucks, bushbucks en elanden. Het gebied zou ook vergeven moeten zijn van de luipaarden, maar dat is altijd makkelijk zeggen, want niemand ziet ze ooit.

En dan moet ik ook weer terug. Deze keer ben ik geoefend en weet ik wat me te wachten staat. Dag vier is daarom een feest. Het is helder, een briesje koelt het lichaam en mijn gedachten komen op allerlei nieuwe plaatsen. Had ik maar een homunculus in mijn hoofd, een mannetje dat alles wat ik dacht archiveerde, dan zou ik misschien nog eens een geniale ingeving terug kunnen vinden. Nu ben ik alles kwijt zo gauw het ritme weg is. Ach, het zou ook wat, het is genoeg te weten dat ik die ingevingen heb en er blijft allicht iets van hangen. Fluitend kom ik, nu vanaf de andere kant, aan bij de campsite van dag één. Het zal overmoed blijken.

20140911_095138 (800x600)

’s Morgens in Kigoma startte Landcruiser nog net zo moeilijk als voorheen. Wil je weten hoe verbaasd ik was? Nul.

‘We moeten terug naar de wiring man,’ zei het rode shirt.

De wiring man draaide nu iets anders los, maakte iets schoon, draaide het weer vast.

‘Volgens mij is het niet opgelost,’ zei ik, toen ik de motor startte.

De wiring man dacht nu dat het een van de accu’s was.

Goh.

Ik haalde mijn voltmeter uit de auto (ik heb wel iets geleerd op die autosleutelcursus) en meette. Het was een van de accu’s.

De wiring man haalde nu ook zijn voltmeter tevoorschijn en meette.

‘Het is deze accu,’ zei hij.

‘Goh,’ zei ik.

 

De volgende dag reed ik naar het zuiden, verjaardagskaart op de post, twee nieuwe accu’s onder de motorkap. Weer die leegte. Heel af en toe een dorpje, maar vooral veel, heel veel niks. Bomen, struiken, rotsen, een zandweg. En ik. En leegte. Heel anders dan het stuk van Manyoni naar Kigoma. Groener. Mooi. Maar van een schoonheid die het niet doet op foto’s. Niet-fotogenieke, prachtige leegte. Het bestaat nog, dacht ik, het is er echt.

En toen kwamen de Chinezen. Honderden kilometers. Graafmachines, bulldozers, vrachtwagens, taluds, grind, asfalt, stank. En ineens was de leegte niet meer leeg. Zelfs als er niet gewerkt werd, er geen mens te zien was, werd de stille harmonie verstoord, lag er een weg in wording, een onnatuurlijke open ader, te groot, te lelijk om thuis te kunnen horen in dat landschap. Een litteken. En voor wie? Er woont daar niemand en diegenen die er wonen hebben geen auto en zullen die ook nooit kunnen betalen. Nou ja, ik weet wel voor wie. Voor de Chinezen. Om grondstoffen af te kunnen voeren. Het deed pijn aan mijn ogen, in mijn buik. Ik kreeg er slechte zin van.

In Kipili, aan de oever van Lake Tanganyika, bij de Lake Shore Lodge – weer zo’n schitterende plek, weer niet gerund door Afrikanen (alles wat werkt wordt niet gerund door Afrikanen. Het is echt niet alleen een kwestie van geld) – vond ik dat het tijd was. Ik wilde weten wat er gaande was, had de mail aan jou laten sudderen, en was nu op het punt dat ik niet langer wilde wachten. Ik verstuurde het bericht. Een ultieme poging.

IMG_3166 (800x600)

Net voor Sumbawanga kwam ik, na zo’n 1500 kilometer offroad, weer op het asfalt. En meteen begon de motor te roken. Gat in de radiator. Klassiek gevalletje oververhitting. Afrika begint vat te krijgen op Landcruiser, zo lijkt het. Uit laten roken, af laten koelen, een emmer water (gekregen van te hulp schietende wegwerkers) erin, een flesje stopleak erbij, even laten draaien en ik kon verder. Ik was niet eens ongerust. Na tien maanden on the road maak je mij niet meer gek.

Aangekomen in Mbeya, bij het door de kerk gerunde Karibuni Center (God is overal!), bleek het probleem niet verholpen. Stopleak is symptoombestrijding. Weer een garage, een Indiër deze keer, en zoals eerder in Rwanda, weer de radiator eruit en drie uur wachten terwijl het ding ergens anders gerepareerd werd. Maar mij maak je dus niet meer gek. Ik haalde mijn stoeltje uit de auto, pakte mijn boek en ging tussen de uit elkaar geschroefde auto’s zitten lezen. De volgende dag bereikte ik Chitimba Camp in Malawi, aan de voet van de bergen die ik zou gaan beklimmen.

IMG_3229 (800x600)

Naar beneden gaan is erger dan omhoog. De helling die ik mijzelf vier dagen eerder op heb geduwd, moet ik nu af. Het geeft niet, ik ben er klaar voor. Omlaag gaat bovendien altijd sneller. En het is inderdaad niet die helling die mij opbreekt, al ben ik na drie uur dalen aardig kapot als ik op het voetbalveld in Chakaka aankom, waarvandaan we vertrokken zijn. Het zijn de volgende zeven uur terug naar Lukwe, de lodge van Auke waar mijn auto staat, die mij werkelijk de das om zullen doen. De meesten van de weinigen die deze tocht doen, overnachten in Chakaka, beginnen fris aan de laatste etappe. Maar het is tien uur in de ochtend, en ik wil niet de hele dag in het dorp rondhangen, starend naar Mr. Mohoho, die inmiddels zijn eerste zakje rum in een flesje cola heeft gedaan. En dus gaan we door.

Weer gaat het bergop, en bergaf, en weer bergop. Het houdt niet op. Soms lopen we een stukje over de doorgaande weg, daar is ruimte voor je voeten, geen struikgewas en de helling minder steil. Maar vooral lopen we over begroeide paadjes, een voet breed, tussen de akkers door, langs houten hutjes en vee. Het zijn de paadjes die de lokale bevolking gebruikt om naar de waterpomp te lopen, of naar de buren voor een handvol tomaten en het is hier waar ik wil zijn. Maar die rugzak. Dat gewicht dat drukt op mijn bekken, dat trekt aan mijn schouders. En dan die hellingen waar ik, omhoog lopend, zowat met mijn neus de grond raak, zo steil. Ook Mr. Mohoho, zeker vijftien jaar ouder dan ik, staat af en toe krom, uitpuffend in de schaduw van een overhangende tak, terwijl ik nog maar een foto maak. Mijn gang wordt een soort strompelen, een voorstsleuren van mijzelf door de hitte. Door de zon en de waterzuiveringsdruppels heeft het water uit mijn camelbag de temperatuur en het chloorgehalte van het water in Zwembad West, maar ik drink het als een kouwe pils in de Opera, op vrijdagavond na het voetballen. Ik moet wel.

20140911_103003 (800x600)

Om half zes, het begint al aardig te schemeren, zendt God redding. We horen een auto. Hij komt van achter ons en gaat in de richting die wij lopen. Niet aarzelen, hand opsteken. En ja, hij stopt en wil ons meenemen. Hij brengt mij naar Lukwe en Mr. Mohoho naar huis. Ik krijg een tros bananen in de hand geduwd. Ik zal er wel uitzien alsof ik het nodig heb. Bij de lodge staat Landcruiser geduldig op de parkeerplaats te wachten. Auke zit aan de bar, biedt mij een bier aan. Ik crash, schoenen uit, voeten omhoog. Ik check mijn telefoon. Het is twee weken na mijn mail, drie weken na jouw laatste bericht. Ik heb geen idee of je mijn kaart ontvangen hebt. Je bent gestopt met praten. De hoop dat ik nog iets van je hoor is vervaagd. Ergens onderweg ben ik je definitief kwijtgeraakt. Weer een gat in mijn hart. Hoeveel gaten kan een hart hebben?

Maar wacht eens, dat kan helemaal niet. Jou raak ik per definitie niet kwijt. Dan zou jij jezelf niet zijn en dat is onmogelijk. En dus was jij het helemaal niet. Ik zat ernaast. Ik heb iemand anders voor jou aangezien. Iemand anders kroop in jouw rol en heeft mij misleid. Hoe kon ik dat niet zien? Hoe kon ik mij zo vergissen? Misschien wilde ik te graag, werd ik verblind door verlangen, door haar schoonheid en charme en heb ik mij klassiek laten inpalmen. Mijn God, I, blijkbaar kan ik zelfs mijn eigen intuïtie niet meer vertrouwen. Hoe ga ik je dan ooit vinden?

Ik ga nog maar een wandeling maken. Ik zit aan de rand van het Lake of stars, de bijnaam die Livingstone gaf aan Lake Malawi, en er is een pad dat langs de oever naar het zuiden leidt. Misschien dat de sterren uitkomst bieden.

Een lieve groet,

N.

 

Advertenties

Eén reactie to “De leegte, de leegte”

  1. Gerard 31 oktober 2014 bij 11:41 #

    mooi!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: