Uit het ouderlijk huis (3)

23 Jul

Wedstrijdjes

Ik heb iets met wedstrijdjes en spelletjes. Ik wil altijd winnen. Misschien komt het doordat ik de jongste ben, dat ik denk dat ik mij moet bewijzen ten opzichte van mijn oudere broer, dat ik mijzelf in de kijker moet spelen. Niet dat ik mij per se altijd wil meten met mijn broer, al zeur ik hem vaak aan zijn kop met de vraag of hij een spelletje met mij wil doen, terwijl hij zit te lezen. Totdat hij echt boos wordt en mijn moeder, of erger, mijn vader, moet ingrijpen.

Ik kan heel goed alleen wedstrijdjes organiseren. In bad ga ik op mijn buik liggen, neem de twee sponzen, de groene en de gele, en laat ze naast elkaar naast mijn hoofd drijven. Dan breng ik, zonder de sponzen aan te raken, met mijn handen het water in beweging. De sponzen drijven dan langs mijn lichaam naar mijn voeten, maken daar een bocht en komen langs de andere kant weer terug. De spons die als eerste weer bij mijn hoofd aankomt heeft gewonnen. Dat is meestal de groene. Ik speel niet echt vals, maar de groene krijgt wel altijd het voordeel van de twijfel. Als de gele tegen mijn enkel op botst en uit koers raakt is dat jammer, als dat met de groene gebeurt is dat niet eerlijk en moet de race opnieuw.

Ik doe ook races met knikkers, in de woonkamer op de houten vloer. Ik leg vier knikkers van verschillende kleuren naast elkaar, geef ze allemaal tegelijk een tikje en dan kijk ik welke als eerste aan de overkant de plint raakt. Zelf glijd ik er op mijn knieën achteraan, zodat ik van bovenaf de strijd kan volgen. Ook hier ben ik altijd op de hand van de groene knikker.

20170531_123950

Ik heb ook knikkers met de kleuren van Europese vlaggen en soms organiseer ik daarmee een landentoernooi. De knikkers zijn dan schaatsers. Elk land heeft drie of vier schaatsers. Hilbert van der Duim is mijn favoriet, net zoals Hein Vergeer, maar ze hebben concurrentie van mannen als Geir Karlstad, Thomas Gustafson, Michael Hadschieff, Nikolaj Goeljajev en Roberto Sighel. Meestal winnen de Nederlanders.

Er zijn weken dat het tafelvoetbalspel in de woonkamer staat. Dan speel ik samen met mijn broer de Europacup na. We maken briefjes met de namen van Europese topclubs – Barcelona, Juventus, PSV, Ajax en Manchester United, maar ook Hajduk Split en Rapid Wien – en loten wie bij wie in de poule komt. We spreken af wie welk team vertegenwoordigt en laten alle teams tegen elkaar spelen. Van elke poule gaan de beste twee door en die spelen dan weer tegen elkaar. Uiteindelijk blijft één winnaar over, net als in het echt. Mijn broer en ik zijn aan elkaar gewaagd, dus het is altijd spannend welke club bovenaan eindigt.

Tijdens en na het Europees kampioenschap voetbal van 1984 in Frankrijk spelen we dat toernooi na. Het is het eerste toernooi waar ik fanatiek Panini-plaatjes voor spaar. Van mijn eigen geld koop ik elke week bij de supermarkt een of twee zakjes met vier plaatjes. Ik krijg het album bijna vol en ken de spelers en opstellingen van alle teams uit het hoofd. Bij het naspelen van de finale tussen Frankrijk en Spanje heeft elk poppetje in het spel de naam van een echte speler. Ik noteer de doelpuntenmakers zorgvuldig op een briefje.

Euro84_bewerkt

Als mijn ouders er genoeg van hebben gaat het tafelvoetbalspel weer naar boven. Na een tijdje begin ik dan te vragen om de biljarttafel. Die is van mijn oma. Of misschien is hij wel van mijn vader, of van een van mijn ooms, maar hij staat altijd bij oma, op zijn kant, in de achterkamer. Niemand gebruikt hem meer. Na lang genoeg zeuren gaat mijn vader hem halen en zet hem voor een paar weken bij ons in de woonkamer. Het is een mini-biljarttafel, maar wel een echte, met een groen laken, ivoren ballen, twee gele en een rode, houten keus en een blokje blauw krijt. Ik oefen bijna elke dag. Soms speel ik tegen mijn broer, maar vaak, als ik uit school kom, biljart ik in mijn eentje. Zo lang mogelijke series maken, effecten uitproberen, stoten met de keu achter mijn rug langs, zoals ik op televisie gezien heb. Ik stop niet voordat ik een serie gemaakt heb die beter is dan de vorige. Wanneer mijn moeder vindt dat het ding te lang in de weg heeft gestaan brengt mijn vader de tafel weer terug naar oma.

Als het tafelvoetbalspel en de biljarttafel niet in de kamer staan is er ruimte om te pingpongen tegen de grote houten kast. In die kast zit het servies dat we nooit gebruiken, en de snoeptrommel. Die trommel is een laag rond blik met een deksel, waarin ooit Engelse toffees hebben gezeten. Nu zitten er Nederlandse toffees in. Groene-Kruis-snoepjes – zwarte plakkerige toffees met een geel papiertje erom met daarop een groen kruis –, fruittella-achtige toffees met vanillesmaak, van die platte carameltoffees met een doorzichtig geel-oranje papiertje en, soms, chocotoff. Ik vraag regelmatig of ik er eentje mag. Dat mag meestal, en dan vraag ik of ik er ook twee mag. Dat mag meestal ook, behalve als we bijna gaan eten.

20180402_161435

Iedere keer wanneer ik het pingpongballetje tegen de deuren van de kast sla klinkt een droge tik. Mijn moeder, die in de keuken is, of boven staat te strijken, zegt er nooit wat van. Ik maak het mijzelf moeilijk, sla het balletje via de kast zo ver de hoeken van de kamer in dat ik er nog maar net bij kan. Het is een wedstrijd tegen een imaginaire tegenstander en hoewel niemand de score bijhoudt moet ik winnen, want ik word bekeken door Brigitte, het meisje uit mijn klas waar ik verliefd op ben. Op haar moet ik indruk maken. Niet in het echt natuurlijk, dat durf ik niet. Een held ben ik alleen in mijn dromen, waar het veilig is.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: