Het niet zo beloofde land

31 Okt

20150807_065623

Lieve I,

Ghana had zich in mijn hoofd genesteld als een soort beloofde land. Na de ellende in Kameroen en de slechte wegen in Nigeria zou het in Benin en Togo al langzaam beter worden, waarna Ghana zich zou openbaren als een paradijs. Qua ontwikkelingsniveau zou Ghana voor liggen op de meeste landen in de regio. Wegen zouden prima zijn, elektriciteit en stromend water geregeld, winkels goed uitgerust. Het telefoonnetwerk zou daarmee ook wel in orde zijn en dus was ook internettoegang geen probleem. Ghana werd in de Lonely Planet gekenschetst als ‘Afrika voor beginners’. Er was zelfs, in de maanden dat Europa vakantie had, zoiets als een toeristisch hoogseizoen, waarin strandgangers die net iets meer avontuur wilden dan Torremolinos massaal naar de door palmbomen omgeven kust trokken. Ik zag mij overdag al met een cocktail onder een parasolletje zitten, af en toe een duik nemend in het warme zeewater, om ’s avonds de zaak af te maken met een dansje onder de sterren aan de hand van een al dan niet lokale schone.

‘We gaan wel vakantie vieren,’ had ik van tevoren al tegen M gezegd, die mij kwam opzoeken. ’Ik wil tenminste een week aan het strand relaxen.’

Dat paste precies in M’s plaatje en twee weken voor mijn aankomst had ze een ticket geboekt naar Accra.

De realiteit was natuurlijk weer eens anders. Dit was Afrika en in Afrika leiden verwachtingen onvermijdelijk tot teleurstellingen. Misschien is het daarom dat Afrikanen te boek staan als lui – ze hebben de wil, de moed en de energie om dingen te veranderen al lang geleden opgegeven, omdat elk initiatief altijd in de kiem wordt gesmoord of uitmondt in mislukking – lamgeslagen door de geschiedenis.

Al in Lomé, de hoofdstad van Togo, had het paradijs een barst vertoond. Ik wist uit betrouwbare bron dat er recentelijk mensen waren geweest die bij de Ghanese ambassade daar een visum hadden gekregen, ook als non-resident. Voor mij ging die vlieger niet op. Ik was geen resident en ik moest naar de grens, zeiden ze. Het was vrijdag, tegen twaalf uur, en ik had de indruk dat dat de eigenlijke reden was dat ik geen aanvraag kon doen – er had niemand zin om nog te werken.

Bij de grens keken ze me vreemd aan. Waarom ik niet bij de ambassade een visum had geregeld? Ja, het kon ook aan de grens, maar dat was een noodvisum en dat was anderhalf keer zo duur. Er is een deel van mij dat dit soort dingen graag uitgezocht wil zien, dat niets liever zou doen dan het nummer vragen van deze official en naar die mevrouw van de ambassade teruggaan en haar confronteren met haar onzinverhaal. Als ik met kluitjes in het riet gestuurd wilde worden was ik wel in de polder gebleven. Maar uiteindelijk vond ik het gezeik de tijd niet waard en bovendien was M de vorige dag al in Accra aangekomen. Ik wilde zo snel mogelijk dat paradijs in en betaalde.

20150811_160249

Net voor Accra vertoonde het paradijs een nieuwe barst. Een van de zaken die geregeld zijn in landen met een bepaald ontwikkelingsniveau is dat er in principe niet te pas en te onpas dieren op de weg lopen. Zeker niet in een buitenwijk van een stad als Accra. Ik ben gewend aan dieren in het vizier, dat is het probleem niet. Ik had ruim anderhalf jaar door Afrika gereden en dan kijk je niet meer op van een ezel of een geit meer of minder voor de grill. Afgezien van een enkele vogel in Uganda, en een kip die wel onder de auto maar net niet onder de wielen kwam waardoor ze het overleefde in Malawi, had ik ze altijd weten te ontwijken. Maar nu viel er niet aan te ontkomen. Vanaf de andere kant van de weg, tweebaans de ene kant op en tweebaans de andere, met een berm ertussen, stak een viertal koeien de weg over. Ik zag ze komen, riep toen ze aan mijn kant van de berm stonden nog iets als ‘Doe het niet!’, maar dat hoorde alleen ik. Ze stapten de weg op en zagen te laat dat dat geen goed idee was. Terwijl ik met tachtig kilometer per uur naderde probeerden ze geschrokken om te draaien. Het voorste kalf gleed uit en kon niet meer terug. Ik claxonneerde, week uit, maar het was te laat. Ik voelde hoe ik over iets heen reed, schold in het wilde weg. Honderd meter verder kwam ik tot stilstand. Ik zag in mijn spiegel de auto’s achter mij uitwijken. Het kalf lag op de weg, ik kon niet zien hoe het er aan toe was. Het was geen volle klap geweest, ik vermoedde dat ik een aantal van zijn poten had verbrijzeld. ‘Wat nu?’ dacht ik. ‘Wat zegt het handboek hierover?’ Teruggaan? En dan? Het dier van de weg trekken en dan gelyncht worden door een boze boer en zijn extended family? Wat viel er te redden? Maar moest ik dan een kalf laten sterven, midden op de weg? Iemand vertraagde terwijl hij voorbijreed, wenkte, heftig, ‘doorrijden!’. Dat gaf de doorslag. Ik gaf gas. Moest die kutboer zijn kudde ook maar in bedwang houden. Een kilometer verder, uit het zicht van de onheilsplek en een eventuele boze boer, stopte ik opnieuw, stapte uit, liep rond de auto. Ik kon niks ontdekken dat op schade leek, of bloed. Ik rook rauw vlees, dat wel. Of misschien verbeeldde ik mij dat. Ik stapte in een reed door. Welkom in het beloofde land.

Het weerzien met M bestond uit bier drinken tot halverwege de nacht, waarbij we het afgelopen anderhalf jaar doornamen: M diste roddels en anekdotes op over mensen die we allebei kenden en ik repliceerde met sterke reisverhalen. Ons eerste reisdoel werd het Biakpa Mountain Paradise. Dat beloofde wat. Zou het dan toch goedkomen? De staat van de weg was vooralsnog niet anders dan wat ik in de rest van Afrika gewend was. Maar ik hield de moed erin – zaligheid is alleen weggelegd voor degenen die lijden, zoveel heb ik van mijn katholieke opvoeding wel meegekregen. Het was inderdaad een mooie plek. Wel misten we de volgende dag tijdens onze ontdekkingswandeltocht de afslag naar de waterval, waardoor we een paar uur lang tevergeefs een berg op liepen en M steeds meer moeite moest doen om haar chagrijn te verbergen. Het leek mij beter om mijn wijsheid over zaligheid en lijden voor me te houden.

SAM_0396

Bij de watervallen van Wli hadden we meer succes. Die vonden we, ook zonder de gids die verplicht was, maar zichzelf blijkbaar ook overbodig achtte, aangezien hij na nauwelijks twintig meter omdraaide en ons veel plezier wenste. Die avond bracht een wild getrommel ons na een zoektocht door het donkere dorp bij een begrafenis. Begrafenissen, bruiloften en religieuze feesten zijn gebeurtenissen die je wilt meemaken als je in Afrika bent, omdat ze een unieke inkijk bieden in een traditionele cultuur die zo ver af staat van de onze. Althans, dat denk je van tevoren. De waarheid is dat die gebeurtenissen vooral een oefening lijken in uithoudingsvermogen, zoals het geval is met vrijwel alles op het continent. Er gebeurt vooral heel veel niks. Ja, er werd getrommeld, en af en toe stond er iemand op die een dans uitvoerde die je je voorstelt bij een Afrikaans ritueel. Ergens in een donkere hoek stonden grote ketels op het vuur, iemand plukte een kip kaal. Maar vooral zaten de aanwezigen, gekleed in zwart, verveeld voor zich uit te staren. Het was niet gezellig, er werd niet gekletst of gezongen, en dus nauwelijks gedanst. Wij, M en ik, en een Amerikaan die we in de lodge hadden ontmoet, kregen een stoel en mochten erbij gaan zitten. Na een half uur hielden we het, gapend, voor gezien. Over het algemeen duren dit soort bijeenkomsten drie dagen, waarbij iedereen die ook maar een halve druppel bloedband heeft (ooms en tantes, broers, zussen, neven, nichten, broers van zussen van neven van nichten), van heinde en verre komt om erbij te zijn. Misschien ben ik te cynisch geworden, maar volgens mij komen die mensen vooral omdat ze drie dagen lang gratis te eten en te drinken krijgen. Ik heb verschillende van dit soort bijeenkomsten gezien en nooit ging er enige emotie van uit. Men wordt geacht er te zijn, en misschien is het voor sommigen ook wel een aardig uitje, dan gebeurt er tenminste eens wat, maar vooral lijkt het toch een sociale verplichting.

Op weg terug naar de kust bezochten we het Tafi Atome Monkey Sanctuary, een soort eenkennig Apenheul zonder hekken waar Mona Monkeys leefden – kleine apen voor wie de aantrekkingskracht van een banaan net iets groter is dan de vrees voor de mensen die hem vasthouden, waardoor ze toch steeds opnieuw de stap wagen om de vrucht omzichtig doch rap uit je hand te grissen.

IMG_8596

Bij de Akosombo dam werd ons duidelijk waarom op alle plekken waar we tot dan toe geweest waren steeds de stroom uitviel – een van de problemen waarvan ik dacht dat Ghana ze opgelost had. Een groot deel van de elektriciteit van het land wordt opgewekt door de waterkrachtcentrale van Akosombo en het afgelopen jaar was er weinig regen gevallen, waardoor het water in Lake Volta, het op een na grootste kunstmatige meer ter wereld, laag stond en de centrale niet op volle kracht kon werken. Het was duidelijk te zien: in het toevoerkanaal naar de centrale stond, getuige een donkere streep op de wand, het water tenminste tien meter lager dan waar het ooit gestaan had. Hoewel beter georganiseerd dan in de omringende landen, waren ook de basisvoorzieningen in Ghana dus nog steeds vrij kwetsbaar. Het paradijs begon door het ijs te zakken.

In Cape Coast moest het dan gaan gebeuren. Dit uit de kluiten gewassen dorp is de toeristenhoofdstad van het land en daarbinnen was het Oasis Beach Guesthouse de plek waar je moest zijn voor beach, cocktails en ‘loud, hot and sweaty’ party’s in het gezelschap van ‘backpackers, volunteers and Cape Coast’s beautiful people.’ Aldus Lonely Planet. Zei ik al iets over Afrika en verwachtingen? Er was inderdaad een strand, maar het waaide zo hard dat de palmbomen er steil van achterover sloegen en de hele kustlijn regelmatig in een mysterieuze nevel gehuld was, afkomstig van het spatwater van de metershoge golven, die op het zand klapten alsof Poseidon zelf in toorn was ontstoken. Zwemmen was levensgevaarlijk, waar ik achter kwam toen ik, naïef en eigenwijs, toch een paar keer een golf in dook en bijna verzoop. De volunteers in de bar bleken voornamelijk blanke achttienjarige meisjes die nog nooit een neger van dichtbij hadden gezien en Cape Coast’s beautiful people waren net iets te coole zwarte rasta’s die daar handig gebruik van probeerden te maken. M en ik zetten ons met een koude pils in een hoekje en gaven laatdunkend commentaar – Statler en Waldorf live vanaf de Goudkust. De party’s op vrijdag en zaterdag begonnen tegen de tijd dat wij muppets al bijna toeter achterover in de stoel lagen en waren slechts een uitgeklede versie van het normale feestgedruis, zonder de gebruikelijke live muziek en met een aanzienlijk lager geluidsvolume, vanwege een groot festival dat twee weken later zou plaatsvinden. We zaten midden in de stilte voor de storm. Toch werden het twee memorabele avonden, waarop M een herhaald huwelijksaanzoek kreeg van een vasthoudende Ghanees, die, gezien het stralend witte pak waar hij zich voor de gelegenheid in gestoken had, kennelijk was voorbereid om zich bij het in zijn beleving toch eigenlijk onvermijdelijke ja-woord van M meteen maar naar het altaar te begeven, en ik zo’n beetje de enige ontwikkelingswerkster die ouder was dan achttien probeerde te versieren met zang, dans en botte Hollandse charme, wat jammerlijk mislukte.

IMG_8699

Naast het strandleven is Cape Coast, net zoals de rest van de kust van West Afrika, bekend vanwege de slavenhandel. Het was van hieruit dat de met uit de dorpen in het achterland geroofde mensen volgepakte schepen vertrokken naar de suikerplantages in de Amerika’s. De forten die de Europese kolonialisten bouwden langs de kust zijn de stille getuigen van dit misschien wel meest trieste hoofdstuk uit de toch al niet bijster vrolijke geschiedenis van Afrika. Cape Coast Castle is een van de best bewaarde. We kregen er een rondleiding die ons voerde langs de op zee gerichte kanonnen, de luxe vertrekken met uitzicht van de hoge heren en de donkere vochtige kelders waar de handelswaar, zijnde zwarte mannen, vrouwen en kinderen, werd ‘opgeslagen’ in afwachting van verscheping. Wekenlang zaten de slaven met soms honderden tegelijk opgesloten in een krappe ruimte waar ze nauwelijks konden zitten of liggen, zonder noemenswaardig daglicht, zonder wc. De vloer zag nog steeds zwart van de jarenlang aangestampte stront. Alleen al de gedachte aan hoe het daar geroken moet hebben was om te kotsen. En toch kon ik me het triomfantelijke gevoel voorstellen van de geachte vertegenwoordigers van de hoogontwikkelde Europese cultuur als ze op de vestingmuur stonden en uitkeken over die in mist gehulde kustlijn en de zee die enkele meters lager op de rotsen beukte. Trots op wat ze in deze onmogelijke vijandige omgeving, met zijn benauwde vochtige hitte, zijn enge dodelijke ziekten en zijn barbaarse heidense bevolking voor elkaar hadden gekregen. Daar stonden ze, de pioniers, de durfals, de onverzettelijken, hoge hoed, sigaar in de hand, zoute zeebries in de neus. King of the world. Het huilen van de wind overstemde waarschijnlijk het gekerm van de zieken en het gerinkel van de kettingen beneden. Wat je niet hoort en ziet, dat is er niet.

IMG_8700

Afgemeten aan het aantal verschillende kerken dat we onderweg tegenkwamen moest dit ondanks alles toch echt het land van melk en honing zijn. De vele wervingsborden langs de doorgaande wegen, de teksten achterop de auto’s (‘I suffered for you, REPENT NOW!’, ‘Jesus is Lord’, ‘Vote for Jesus’) en de namen van de winkels (‘The Lord is My Shepherd Fashion Center’, ‘Glory Be To God African Wears’, ‘How God Is – dealers in New & Home used Spare Parts’) wekten de indruk dat de Lieve Heer Ghana had uitgekozen als het land van waaruit het Woord verspreid moest worden. Elke tweede buurman leek zijn eigen kerk te hebben. Niet alleen kwamen regelmatig de Methodist Church, de Presbyterian Church en de Church of the Pentecost voorbij, blijkbaar redelijk omvangrijke organisaties die ik ook al met enige regelmaat in andere landen gespot had, maar hier werden letterlijk op elke straathoek ook zieltjes geworven door christelijke organisaties als de Lighthouse Chapel International, de Revival is Here Church, de Deeper Life Bible Church, de Mountain of Fire & Miracles Ministries en de World Missions Ministry Gospel Outreach Church. Om er maar eens een paar te noemen. De schaal waarop het geloof je in het gezicht gesmeten werd was bijna bedreigend, en dan ben ik (officieel in ieder geval) nog een christen.

Op weg van de kust naar het noorden stopten we een dag in Kumasi. Terwijl Landcruiser in de Toyotagarage aan een inspectie werd onderworpen bezochten M en ik het Prempeh II Jubilee Museum voor een korte introductie in de Ashanti cultuur aan de hand van voorwerpen en foto’s gerelateerd aan de Ashanti koning Prempeh II. Ons bezoek werd overstemd door het gezang, gejoel en gejuich van een bijeenkomst georganiseerd door het Moments of Glory Prayer Army in het aangrenzende park. Navraag leerde ons dat de gigantische truck die we hadden zien staan elke twee weken naar de kerk om de hoek kwam, waar een viering werd verzorgd. Die vieringen begonnen om zeven uur ’s morgens en gingen over het algemeen door tot een uur of twee ’s middags. Zei ik al iets over religieuze bijeenkomsten en uithoudingsvermogen? Het parkje stond vol met in rangorde opgestelde partytenten, waaronder voornamelijk vrouwen op plastic stoeltjes zaten te luisteren naar iemand die niet te zien was. Wat bleek: de viering was in principe in de kerk, maar die was veel te klein voor het aantal mensen dat erop af kwam. In de kerk, zo zagen we na afloop, was misschien plaats voor driehonderd mensen. Het totaal aantal bezoekers lag echter rond de tweeduizend. Wat er in die truck gezeten had waren dus voornamelijk die tenten en stoeltjes en een gigantische geluidsinstallatie. Het aanbidden van God was hier een logistieke operatie geworden. En big business, want al die mensen moesten natuurlijk eten en drinken, waardoor rondom het park een spontane markt was ontstaan. Wie denkt dat het christelijke geloof op zijn retour is raad ik aan eens naar Ghana te gaan. Als Jezus ergens leeft, dan is het daar.

20150814_132434

In de ongerepte natuur van Mole National Park ontsnapten we aan de religieuze gekte. Al is ongerept een relatief begrip als de asfaltweg tot in het park loopt en de bavianen zo gewend zijn aan mensen dat ze het eten van de tafel komen stelen. Maar M had nog nooit een serieuze safari ondernomen en bovendien is Mole een van de weinige parken waar je te voet de wildernis in mag, waarbij je, als je geluk hebt, olifanten tegen het lijf loopt. Het begon weer eens met bier, omdat we bij het diner aan een tafel terechtkwamen bij een Spaans stel en een Canadees en het veel te gezellig werd om vroeg naar bed te gaan. Ik was gespitst op de birdwatching tour en stond, bier of niet, om zes uur ’s morgens, na drie uur slaap, bij de receptie. Die tour bleek je, in tegenstelling tot wat mij de vorige avond door een receptioniste was verteld, alleen op aanvraag te kunnen doen. Ik kon wel mee met de reguliere wandelsafari, een uur later. Er werd mij dus door slechte informatievoorziening een uur slaap door de neus geboord – nog maar weer eens zo’n dingetje waar ik in principe aan gewend was, maar waarvan ik verwacht had dat het in Ghana minder voor zou komen. Het leek erop dat ik mij er toch echt bij neer moest leggen dat Ghana gewoon Afrika was en niet het beloofde land dat ik gehoopt had te vinden.

We zaten inmiddels aan het einde van M’s bezoek en de Voorzienigheid had nog een laatste verrassing in petto. Ik kwam terug van mijn wandelsafari en M lag nog haar kater weg te snurken. Ik had ook nog wel behoefte aan een uurtje slaap, haalde de hangmat uit de auto, maakte M daardoor wakker en meldde dat ze vooral nog even moest blijven liggen. Onze volgende activiteit, een gamedrive, was pas later die middag, dus er was tijd genoeg. Het gebeurde toen ik, zo’n vijftig meter van de auto, de hangmat wilde gaan bevestigen. Uit de tent kwam een schreeuw. Een serieuze. Al heb je nog nooit een schreeuw gehoord, je weet onmiddellijk of ze geveinsd is of niet. Dit was een echte. Met een ruk draaide ik mij om en keek naar de auto. Halverwege de ladder naar de tent zat een baviaan. Een mannetje. Een grote. En hij maakte aanstalten om de tent in te klimmen. In die tent zat M. Ik vloekte, rende naar de auto, schreeuwde verwensingen naar de aap. Die keek eens doodgemoedereerd mijn kant op en besloot toen toch maar te vertrekken. Niet eens in haast. Pas toen ik een steen pakte en die achter hem aan gooide begon hij te rennen en verdween in het struikgewas. Ik klom nu zelf de trap op en keek naar binnen. M zat hyperventilerend rechtop. Ze had de indringer recht in de ogen gekeken.

‘Ik dacht dat jij het was,’ zei ze.

IMG_8794

Ook de laatste belofte in Ghana werd geen gestand gedaan. Na Mole reden we, met een tussenstop van twee relaxte dagen aan Lake Bosumtwe, terug naar Kumasi, waar ik afscheid zou nemen van M en Landcruiser een paar nieuwe onderdelen zou krijgen. Voor de deur van de garage gaf ik M een knuffel en zwaaide haar uit. De auto leverde ik weer over aan de monteurs. Het was donderdag, Landcruiser zou aan het eind van de dag klaar zijn. Om vier uur bleek dat dat niet ging lukken. Ze hadden de verkeerde onderdelen besteld. Maar morgen zou alles in orde zijn. Het werd uiteindelijk, hoe kan het anders, zaterdag, tegen twaalven, net voor sluitingstijd. So much voor het beloofde land. Het was tijd om te vertrekken.

Liefs,

N

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: