De gevarenzone

17 Nov

IMG_8871

Lieve I,

Er zijn van die landen die bijna iedereen over het hoofd ziet. Omdat er niks spectaculairs te doen is, omdat ze geen rol spelen in de internationale politiek, omdat de buren alle aandacht trekken. Het scheelde niet veel of ook ik had Burkina Faso overgeslagen. Ivoorkust, nog zo’n land waar niemand heen gaat, was eigenlijk eerste keus. Maar in het zuiden van Mali, bij de grens met Ivoorkust, was het onrustig. En Mali lag ook op de route, om de ebolalanden te vermijden. De veiliger optie was om vanuit Ghana naar het noorden te reizen en dan door Burkina Faso naar Mali te gaan – het was duidelijk: ik kwam nu terecht in een instabiele regio waar de voortgang en de richting van mijn tocht wel eens bepaald zou kunnen gaan worden door de politieke realiteit van het moment. Strengere politiecontroles, wegblokkades, gewelddadige demonstraties, avondklok, gesloten grenzen, zelfs aanslagen – het zou allemaal zonder enige waarschuwing kunnen gebeuren. Daarbij vergeleken waren de bureaucratie en de corruptie die ik tot nu toe had ervaren niet meer dan peanuts.

Ik was niet bang toen ik Burkina Faso in reed. Ik probeer als regel aan te houden om me niet druk te maken om problemen die er nog niet zijn. Bovendien waren er andere zaken die mijn aandacht vereisten, zoals het vinden van een bank om geld te pinnen, het zoeken naar de afslag richting Tiébélé en het ontwijken van ezelkarren. Het begon ook te regenen. Volgens de climate charts had Ghana een droge periode gedurende mijn tijd daar, en inderdaad was ik daar nauwelijks nat geregend. In Burkina Faso daarentegen zou ik in het regenseizoen terechtkomen. Ik had mij al eerder afgevraagd of regenwolken zich ook aan landsgrenzen houden en nu had ik mijn antwoord: ja. Terwijl het water met bakken uit de hemel kwam glibberde ik over de onverharde weg richting het dorpje dat bekend stond om zijn traditionele, versierde huizen. Niet ver van mijn bestemming werd er aan de weg gewerkt en mijn GPS gaf geen uitsluitsel over de precieze richting. Ik stopte en stapte uit om te vragen waar ik heen moest. De wegwerkers wezen op een brommertje dat aan kwam scheuren en voor mijn neus halt hield.

‘Ik leid je wel,’ zei de bestuurder, die zich voorstelde als Franc.

Ik houd niet van ‘gidsen’ die zich spontaan op straat aandienen. Ik wantrouw iedereen die uit het niets met mij begint te praten. Tegelijkertijd is dat, bij gebrek aan bijvoorbeeld een internetsite, gewoon de manier waarop ondernemers en bedrijfjes in Afrika aan klanten komen. Waar moet je ze anders werven dan op straat? Het hoeft niet per se om malafide praktijken te gaan. Bovendien: het regende, het werd langzaam donker en ik was niet zeker van mijn route.

‘Ok, stap maar in,’ zei ik. ‘Ken je Kunkolo?’ Kunkolo was de naam van een auberge die ik in de Lonely Planet had gevonden.

Hij knikte.

‘Daar wil ik heen.’

Onderweg vroeg ik het nog een keer. ‘We gaan naar Kunkolo, hè?’

‘Ja,’ zei hij.

We kwamen aan bij een kleine ommuurde compound. De buitenkant was in zwart beschilderd met geometrische patronen. Rondom een kleine binnenplaats stonden lemen hutjes die dienstdeden als tweepersoonskamers. De douche was een vierkante ruimte zonder deur en dak met een emmer ervoor, de wc een gat in de grond. Kamperen kon buiten de compound, bij de poort zat ’s nachts een bewaker. Het was primitief, maar schoon. Veel meer eisen had ik doorgaans niet. Toch was er iets mis, al wist ik niet precies wat.

‘Is dit Kunkolo?’ vroeg ik.

‘Welkom in mijn auberge,’ zei Franc.

Omdat ik het nog steeds niet helemaal vertrouwde ging ik een wandelingetje maken. Ik checkte de naam van de auberge nogmaals bij een voorbijganger. Ik wees op de plek waar mijn auto stond en vroeg ‘Kunkolo?’ De man knikte. Misschien was ik al te lang in Afrika, was ik te achterdochtig geworden. Je moet ook op mensen durven vertrouwen. Bovendien, er was in principe niks mis met de auberge van Franc. Ook als het niet Kunkolo was, was er feitelijk natuurlijk niks aan de hand. Goed is goed, ik hoefde toch niet per se naar een plek omdat de Lonely Planet dat aanraadde?

IMG_8875

De volgende dag leidde Franc mij rond door de omgeving. We begonnen bij een traditionele familiewoning, gebouwd in dezelfde stijl als de auberge. Ook hier waren de muren beschilderd met geometrische patronen, in zwart en rood. Franc leidde me door de compound, legde de betekenis van alle symbolen uit en leidde me langs de verschillende huisjes. Iedereen in de familie had een eigen ruimte; vader en moeder, opa en oma, getrouwde kinderen met hun partner. Delen van de binnenplaats werden, door lage lemen muurtjes afgescheiden van het erf, ook gebruikt als stal, zodat de geiten, schapen, koeien, varkens en kippen ’s nachts veilig waren. Trapjes gemaakt van boomstammen leidden naar de daken, waar het graan gedroogd werd en je in het droge seizoen buiten onder de sterren kon slapen. Er heerste een rustige bedrijvigheid, waarbij kinderen ronddrentelden, vrouwen de was ophingen en mannen bij Franc kwamen informeren wie ik dan wel was. Ondertussen wist ik niet goed wat ik ervan moest denken. Het was duidelijk een traditioneel huis zoals ik wilde zien, maar het was ook gewoon waar de familie van Franc woonde en dus niet de, opnieuw volgens Lonely Planet, zo bijzondere Chief’s Compound waar Tiébélé beroemd om is. Van de andere kant: die Chief’s Compound was waarschijnlijk een soort museum, qua opzet en versiering vergelijkbaar met de plek waar ik was, met dat verschil dat ik hier het leven zag zoals zich dat daadwerkelijk in een dergelijke compound afspeelde. Dus misschien had ik juist een veel meer authentieke ervaring dan die waarnaar ik in eerste instantie op zoek was geweest. En ik vond het toch mooi om te zien? Nou dan!

Tegelijkertijd bleef het gevoel hangen dat er tegen mij gelogen werd, dat Franc mij alleen de dingen liet zien die hij wilde laten zien omdat hij er zelf beter van werd. Ik moest betalen voor het bezoeken van de compound terwijl hij gewoon bij zijn familie op bezoek ging. Het was een bijzonder huis, dus in principe was daar niks mis mee, alleen wist hij dat ik eigenlijk voor iets anders kwam en leidde hij me opzettelijk niet daar naartoe, omdat hij dan het bedrag dat ik voor de entree aan hem had betaald niet in eigen zak kon steken. Daarmee was niet gezegd dat dat geld niet goed terecht zou komen. Nu ging waarschijnlijk een deel van wat ik betaalde naar Francs familie, die haar huis openstelde en zo in haar onderhoud kon voorzien, terwijl de entreegelden voor de Chief’s Compound misschien wel in de zakken van een corrupte burgemeester verdwenen. Maar het was allemaal niet duidelijk en Franc bleef vaag over hoe het dan wel precies zat. Ik had het al vaker zien gebeuren: zo gauw er in Afrika ergens een blanke toerist verschijnt gaat er om hem heen een geldverdeelmachine draaien, bestaande uit familie, vrienden en kennissen van een handige, vlotte, vriendelijke jongen die teveel praat. Allemaal hebben ze een zaakje (taxi, gids, souvenirverkoper, kioskhouder, geldwisselaar) en de taak van de babbelaar is om zoveel mogelijk cash uit de zakken van de toerist te kloppen en zo de machine te voeden. Franc was zo’n babbelaar en ik houd nu eenmaal niet van mensen die veel praten en niks zeggen, want die hebben meestal iets te verbergen.

IMG_8824

Na een bezoek aan een pottenbakster die routineus en ongeïnspireerd liet zien hoe je van klei een kom maakt, was onze volgende stop de plaatselijke goudmijn. Het was dat Franc zei dat we er waren, anders was ik er zonder argwaan aan voorbij gereden. Dat wat klaarblijkelijk de mijn was zag eruit als een willekeurig stuk niet-gecultiveerde savanne zoals ik voortdurend buiten de dorpen tegenkwam. Niet bijzonder, niet mooi, niet lelijk, gewoon land met wat begroeiing dat nergens voor gebruikt werd. Franc leidde me een heuvel op langs een aantal diepe gaten in de grond – mijnschachten die niet meer in gebruik waren. Een stukje verder stuitten we op drie jongens die bij een waterstroompje met een machine bezig waren grote stenen te verpulveren. Hoe dat precies goud moest opleveren was mij nog niet duidelijk. Verder op de heuvel kwamen we bij een hutje van boomstammen en zwart plastic. Twee mannen zaten uit te rusten bij een mijnschacht die wel in gebruik was. Tientallen meters daalden ze af in de heuvel, zonder ladder of touw, om daar de grond uit te graven waarin ze hoopten dat goud zat. De emmertjes rode aarde werden met een simpele takelconstructie naar boven gehaald. Hoe ze dan zelf vanuit de diepte weer omhoog kwamen, wilde ik weten.

‘Klimmen,’ was het antwoord, alsof het de normaalste zaak van de wereld was om jezelf dagelijks vanuit een diepte van een meter of twintig door een verticale zandput van een meter doorsnede naar boven te werken.

IMG_8921

Blijkbaar was het allemaal de moeite waard, want enkele kilometers verderop lag een heus dorp van mensen die allemaal in de mijn werkten. Ik wilde er wel een kijkje gaan nemen, eens zien hoe een handje ruw goud eruit zag, maar Franc pruttelde tegen. De mensen daar waren niet zo gediend van pottenkijkers, zei hij, zeker als bleek dat ik alleen maar even naar het goud kwam gluren en niet van plan was iets te kopen. Even overwoog ik om dan misschien gewoon wel een paar gram goud mee te nemen, om thuis de blits mee te maken, maar ik had geen idee van de kosten en als ik er dan toch vanaf zou willen zien kon het, als ik Franc goed begreep, weleens een ongure kwestie worden.

Terug bij de auto zag ik twee vrouwen die grond stonden te zeven. En nu begreep ik wat de jongens die ik eerder had gezien stonden te doen. Zij maakten gruis van stenen en de vrouwen hier zeefden dat gruis, hopend dat er goud overbleef. Het leek mij allemaal nogal arbeidsintensief, maar tijd kost in Afrika niks en voor mensen die niks hebben is elke goudschilfer er één.

IMG_8931

Op weg terug naar Tiébélé, waar we zouden lunchen alvorens onze tocht door de omgeving voort te zetten, passeerden we een auberge. Ik keek op het bord dat boven de poort hing, en ja hoor, daar stond het: ‘Kunkolo’. Dit was de plek waar ik naar op zoek was geweest. Franc had dus echt tegen me gelogen. Ik onderdrukte de neiging om de auto te stoppen en hem er ter plekke uit te gooien.

‘Daar was Kunkolo,’ zei ik, zo koel mogelijk. Franc knikte. Hij leek niet te beseffen dat ik dat een probleem vond.

‘Je hebt tegen me gelogen.’

Nu schrok hij. ‘Hoezo?’

‘Je zou me naar Kunkolo brengen.’

‘Het is een misverstand. Ik heb je uitgelegd dat Kunkolo een Europese eigenaar heeft en dat ik eigenaar ben van mijn eigen auberge.’

Inderdaad had hij iets gemompeld over een Europese eigenaar, maar ik had begrepen dat dat de eigenaar was van Francs auberge en dat Franc zelf alleen maar de zaak runde. Maar dan nog.

‘Ik heb je in de auto twee keer gevraagd om me naar Kunkolo te brengen en jij zei ‘ja’. Je hebt tegen me gelogen en daar houd ik niet van.’

‘Het is een misverstand en het spijt me,’ zei hij.

Ik schudde mijn hoofd. ‘Je wist dat ik naar Kunkolo wilde, dat heb ik je twee keer gezegd en dat heb je begrepen, want je zei ‘ja’. En toch heb je me naar je eigen auberge gebracht. Dat heeft niks met een misverstand te maken, je hebt gewoon tegen me gelogen.’

‘Laten we teruggaan naar de auberge, dan praten we het uit,’ stelde hij voor.

Mijn Frans is niet toereikend voor een ingewikkelde emotionele discussie, dus het werd een moeilijk gesprek, waarin Franc praatte en praatte en ik niet veel anders kon doen dan steeds in dezelfde bewoordingen herhalen wat ik al gezegd had. Ik wachtte op een voorstel van hem om het goed te maken, maar dat kwam niet. Uiteindelijk, nadat ik zelf aangaf dat hij iets moest doen met de prijs omdat ik anders alsnog zou vertrekken, stelde hij voor dat ik niet hoefde te betalen voor het eten. Dat vond ik wat mager, aangezien het eten dat hij de avond ervoor op tafel had gezet bestond uit smakeloze spaghetti met een ui en een tomaat, iets wat ik met de beperkte middelen in de auto zelf beter en goedkoper kon klaarmaken – en aan mij is nou niet bepaald een chef kok verloren gegaan. Toch ging ik akkoord, anders was de dag helemaal verloren. Bovendien was Kunkolo waarschijnlijk duurder en dus zou ik er niks mee opschieten om daarheen te verhuizen. Ik gaf Franc een hand en nam me voor het hele voorval te vergeten.

IMG_8938

Na de lunch bezochten we de barrage, een kleine dam die de basis vormde van een irrigatiesysteem dat ervoor zorgde dat de akkers rondom het dorp ook in het droge seizoen gebruikt konden worden. Aan de andere kant van het kunstmatige meer dat door de dam was ontstaan lag het oude deel van Tiébélé. Dit was het vredige platteland dat Afrika, naast de volledig dichtgeslibde, chaotische, vervuilde, stinkende steden, vooral ook is: kleine boertjes die tussen hun vee en gewassen leven in uit leem opgetrokken hutjes. Waar een uitgestoken hand een groet betekent en niet een vraag om geld. De huisjes, alle in de stijl die ik die morgen gezien had, lagen ver van elkaar, zodat er rondom ruimte was om iets te verbouwen, of het vee te laten grazen. Vrouwen zaten met hun kinderen op het erf, bereidden het eten voor die avond, of deden de was. Ik bezocht enkele families, keek rond in hun huizen, probeerde hier en daar een gesprekje te voeren. Maar hoe idyllisch het allemaal ook was, om de een of andere reden lukte het mij niet om de aanvaring met Franc van die morgen uit mijn hoofd te zetten, ook al realiseerde ik mij maar al te goed dat ik daarmee mijn eigen middag aan het verpesten was. Franc had nergens last van, of deed, net als ik, alsof, want hij vroeg in de auto terug naar de auberge doodleuk of ik hem een dag later een lift kon geven naar Ouagadougou, mijn volgende bestemming. Dat was wel het laatste waar ik zin in had, maar dat kon ik natuurlijk moeilijk zeggen, omdat we de zaak officieel achter ons hadden gelaten en er geen andere reden was om te weigeren. Dit zijn de momenten waarop ik je het meeste mis, lieve I. Soms weet je niet meer of je zelf gek bent, of dat de wereld om je heen is doorgedraaid. Jij had mijn spiegel kunnen zijn, me in het oor kunnen fluisteren wat ik moest beslissen. Maar je was er niet, en dus moest ik het weer eens doen met mijn eigen onzekere zelf.

De volgende morgen pakte ik de auto in om te vertrekken. Franc stond er met zijn neus bovenop, volgde elke beweging. Hij wilde mee, dat was duidelijk, en was bang dat ik zonder hem ging vertrekken. Ik werd langzaam steeds chagrijniger. Ik had de hele avond ervoor zitten denken wat ik moest doen en dat nam ik hem kwalijk. Tegelijkertijd realiseerde ik mij dat het allemaal mijn probleem was, niet het zijne, en dat ik het zelf was die het mij moeilijk maakte. Ik wilde geen dienst verlenen aan iemand die tegen me gelogen had en daar ogenschijnlijk helemaal niet mee zat. Van de andere kant hadden we het goed gemaakt en zou ik het flauw vinden van mijzelf om daar achteraf op terug te komen. Uiteindelijk besloot ik dat ik mijn gevoel moest volgen en dat was dat ik geen zin had om vier uur lang met Franc in de auto te zitten. Niemand kon mij verplichten om lifters mee te nemen en ik was aan niemand verantwoording schuldig over waarom ik dat wel of niet deed.

Ik stapte in. Franc stond aan de andere kant bij de deur en probeerde die open te maken. Maar ik heb enige ervaring met dit soort gevallen en ik had de deur aan die kant van tevoren op slot gedaan. Franc kwam naar mijn kant.

‘Kun je me alsjeblieft meenemen? Alsjeblieft?’

‘Nee, sorry.’

Ik wilde nu zo snel mogelijk weg, dan was ik er vanaf. Dat is het voordeel van de reiziger: als het je niet bevalt, vertrek je gewoon. Ik stak de sleutel in het contact en draaide. Niks. Landcruiser startte niet.

‘Godverdómme!’

‘Probleem met de auto?’ vroeg Franc.

‘Rot toch op!’ wilde ik schreeuwen, maar hoezeer ik ook klaar was met hem, misschien had ik hem zo meteen nog nodig.

Ik opende de motorkap, maar kon niks ongewoons ontdekken. Ik probeerde het nog eens. Niks. Pas bij de derde keer sloeg de motor aan. Ik zuchtte. Weg hier.

Tot het laatst probeerde Franc mij te overtuigen, liep mee toen ik de auto keerde: ‘Please!’

Ik schudde mijn hoofd en reed weg. ‘Asshole.’

Eenmaal op de doorgaande weg stopte ik om mijn bestemming te zoeken in de GPS. Er kwam een brommertje voorbij, toeterend. Het was Franc. Hij zwaaide vrolijk en sloeg een zijweg in.

Later las ik in de Lonely Planet een waarschuwing. Aan de rand van Tiébélé zouden ‘gidsen’ staan die je probeerden naar Auberge des Manguiers te brengen. Het werd afgeraden om met hen mee te gaan, omdat andere reizigers daarover slechte ervaringen rapporteerden. Auberge des Manguiers was de auberge van Franc.

IMG_8841

Het visum voor Mali had ik binnen een kwartier. Nog nooit was het zo makkelijk gegaan. Zelfs in Oost Afrika, waar je je meestal gewoon aan de grens moest melden en de aanschaf van een visum een formaliteit was, ging het zelden zo snel. En dat voor een land waarvan het grootste deel vanwege de terrorismedreiging gold als no-go area. De eigenaar van Le Pavillon Vert, de auberge waar ik in Ouagadougou verbleef, was zelf een fervent reiziger en ik vroeg hem of hij wist tot waar de gevarenzone liep. De weg tussen Mopti en Bamako, via Ségou, zou veilig moeten zijn, zei hij, dat was de ondergrens van het probleemgebied, al raadde hij af om in Mopti te overnachten. Dogon Country, een van de beroemde hoogtepunten van Mali, zou bereikbaar moeten zijn, maar dan zou ik daarna in één ruk naar Ségou moeten rijden, een rit van tenminste acht uur, als er niks mis ging. Met name dat ‘als er niks mis ging’ baarde mij zorgen. Ik had al teveel gezien om op dat soort voorbehoud te kunnen vertrouwen. Al met al klonk het allemaal erg onzeker en niemand durfde te garanderen dat het in die regio rustig zou blijven. Ik besloot het zekere voor het onzekere te nemen en via Bobo-Dioulasso richting Mali te gaan. Die weg was zeker veilig en bovendien scheen ‘Bobo’ zo ongeveer de meest relaxte stad van West Afrika te zijn. Misschien moest ik het hele noorden van Mali maar gewoon vergeten en er een keer terugkomen als het er rustig was, zodat ik bijvoorbeeld ook naar Timboektoe kon. Ik hing nog een paar dagen rond bij Le Pavillon Vert, knutselde een compilatiefilmpje voor mijn blog in elkaar, ging een nachtje stappen met Adélie, een Française die ik kende uit Ghana en liet Ouagadougou verder voor wat het was.

Bobo-Dioulasso was inderdaad een stuk aangenamer dan de meeste steden die ik tot nu toe in Afrika gezien had. De hoofdwegen waren nog niet half zo druk als ik gewend was en in de onverharde zijstraten heerste onder de schaduwrijke bomen een rust die eerder aan een dorpje op het platteland deed denken dan aan de op een na grootste stad van een land met zeventien miljoen inwoners. Mijn voornaamste doel was het volgen van een djembécursus. Bobo stond bekend om haar muziekscene en zou een goede plek zijn om dat te doen. Ik meldde mij bij het muziekinstrumentenmuseum en kon de volgende dag beginnen. Drie dagen lang, twee keer twee uur per dag trommelde ik me een paar gekneusde vingers om de Afrikaanse basisritmes in mijn hoofd te stampen. Tussendoor ging ik terug naar Campement Le Pacha, de plek waar ik onderdak had gevonden, lunchte en las wat onder de veranda. Op vrijdagavond zou ik de professionals gaan bekijken in Le Bois d’Ébène, een van de beste podia van de stad voor live muziek, maar net toen ik aankwam begon er weer eens een tropische stortbui. Ik wist wat dat betekende: het zou de eerste drie uur niet ophouden met regenen, met als gevolg dat het leven gedurende die tijd grotendeels on hold stond. Ik kende inmiddels de voortekenen en had geleerd daarnaar te handelen: als het begon te waaien moest je zo snel mogelijk zorgen dat je ergens kwam waar het droog zou blijven en waar je jezelf de komende uren kon vermaken. Zo gauw het begon te regenen was er niks meer aan te willen; binnen tien seconden was je nat tot op het bot en veranderden de straten in rivieren. Ik had gehoopt vóór het onheil binnen te zijn, verwachtend dat het concert ook met regen wel door zou gaan. Maar hoewel het podium overdekt was stonden de stoelen voornamelijk buiten. En er was niemand, zelfs twee leden van de driekoppige band ontbraken nog. Ik had geen andere keus dan wachten onder het afdakje van de portier. Na een uur luwde het wat en kwam een van de ontbrekende muzikanten binnen. Nog steeds was er verder vrijwel niemand. Het was tegen elf uur en ik had er geen vertrouwen meer in. Ik ging op zoek naar een taxi en kwam alsnog aardig verregend terug bij Le Pacha. Een typische mislukte Afrikaanse avond. Ik haalde er inmiddels de schouders over op.

IMG_9055

Op zondag liep ik met een gids een rondje door Kibidwe, het historische deel van Bobo. Hoewel het doel van de tour toch vooral ook leek om me naar verschillende souvernirwinkeltjes te leiden, kreeg ik wel een beeld van het dagelijks leven in een arme wijk van Burkina Faso. Het was het Afrikaanse leven zoals ik het kende – rondrennende kinderen, vrouwen die de was doen in de rivier, mannen die bij elkaar zitten te niksen – en toch bleef het fascineren en stelde ik mij de vraag die al eens eerder door mijn hoofd was gegaan, en die ik maar niet beantwoord kreeg: wat was er nou zo mooi aan deze ellendige armoede? De tour eindigde waar hij ook begonnen was: bij de Grande Mosquée, een wat merkwaardige lemen soort ‘blob’ met torentjes en uitstekende stokken, die desondanks charmant oogde, vooral in het licht van de ondergaande zon dat het gebouw in een zachte gouden gloed zette. Totdat de dagelijkse bui losbarstte en ik weer een uur vastzat in een kleine koffiebar. Ach, wat kan ik erover zeggen? Het went.

Rondom Banfora, even ten zuidwesten van Bobo-Dioulasso, is van alles te zien en te doen, maar niks daarvan is uitzonderlijk spectaculair. Desondanks hebben alle sights van enige betekenis hun eigen charme, juist ook omdat er niet veel toeristen komen en de mensen daarom nog gewoon vriendelijk zijn. Ik bezocht de koepelvormige Dômes de Fabedougou, de getrapte Cascades de Karfiguéla en de ogenschijnlijk gebeeldhouwde Pics de Sindou. Ik maakte een boottochtje op Lac de Tengréla en crosste achterop een brommertje door het oerwoud naar de Baobab Sacré, een heilige holle boom, waar een dronken gids een onbegrijpelijk verhaal afstak over voorouders. Het meest onder de indruk was ik van Niansogoni. Samen met drie Fransen en gids Solo reed ik twee uur over zandweggetjes, door water- en modderplassen richting de Ivoriaanse grens, zij op twee brommertjes, ik in de auto erachteraan. Ik had geen idee waar we precies heen gingen, had alleen iets gehoord over een verlaten dorp. Het bleek dat we het laatste stuk erheen moesten lopen, een half uur, steil bergop. We klauterden om de kale heuveltop heen en ineens stonden we er middenin. Een overhangende rots vormde een hoge grot die aan de open kant werd afgeschermd door dichte begroeiing. De grot was volgebouwd met lemen, barbapapavormige huisjes en voorraadschuren, compleet onvindbaar als je niet precies wist waar te zoeken. Dat was natuurlijk ook het idee; dit was de ontsnappingsplek geweest van de mensen in het dorp beneden. Maar liefst driehonderd bewoners konden zich hier verschuilen voor eventuele aanvallers. De huisjes stamden uit de 14de eeuw en waren nog tot 1980 in gebruik geweest. Het was een wonderbaarlijke plek, zeker als je geen verwachting had van wat je ging zien, zoals ik.

20150909_134741

De weg naar Bamako was geplaveid met hemels asfalt. Vierhonderd kilometer in vier uur. Ik wist niet wat me overkwam. Toch was het donker toen ik de stad bereikte. Van enige terrorismedreiging kon ik niets ontdekken. Het was druk op straat, mensen leken vooral gewoon door te gaan met hun leven. Ik zag ook geen extra politie. Maar een kenmerk van terroristische aanslagen is natuurlijk dat ze altijd onverwacht komen, dus het feit dat ik geen spanning voelde was een graadmeter van niks. In de file draaide ik toch maar het raampje dicht.

Het eerste teken dat niet alles in deze stad pais en vree was kreeg ik toen ik de Duitse ambassade passeerde. Het gebouw werd omgeven door een drie meter hoge muur met daar bovenop een elektrisch hek en prikkeldraad. Voor de ingang was een extra strook aangelegd, aan beide uiteinden afgesloten met een slagboom en over de hele lengte geflankeerd door betonnen paaltjes, zodat het onmogelijk was om de stalen poort of de muur te rammen met een auto. Overal hingen camera’s. Later zag ik andere ambassades in de stad die op Christo-achtige wijze waren ingepakt met een lichtgrijs zeil dat het hele gebouw aan het zicht onttrok. Voor de poort postten zwaarbewapende militairen. De ingang van een duur hotel werd afgeschermd met grote, rood-wit gestreepte betonnen blokken. Ernaast stond een VN-pantserwagen. Ik voelde me niet onveilig, maar van enige naïviteit omtrent wat hier gaande was kon geen sprake zijn.

De week dat ik in Bamako was hing ik voornamelijk rond in de lodge, aan de rand van de stad. Een fijne plek met een prima restaurantje en bar waar ik al de eerste avond Dennis en Arne tegen het lijf liep, die beiden met hun eigen auto onderweg waren naar Oeganda. Ik wisselde tips en verhalen met hen uit, schreef een nieuwe brief aan jou, en ging, ondanks alles, toch naar een live concert van de beroemde Malinese zanger-gitarist Baba Salah. En plakte daar ook gewoon een nacht in de Ibiza Club aan vast. Maar in de lodge logeerden ook veel Europeanen die deel uitmaakten van de VN-missie in Mali, waaronder Nederlandse marechaussee en politie. Ik raakte in gesprek met een van hen en op mijn vraag hoe veilig hij dacht dat het was in Bamako vertelde hij dat hij buiten zijn kamer, naast de buitenmuur van de lodge, een trapje had staan.

‘Als ze hier schietend binnenkomen, dan spring ik uit het raam, klim ik op dat trapje en werp ik mij over die muur, prikkeldraad of niet. Want dat gaat een keer gebeuren, dat ze hier binnenvallen.’

Hij kende mensen die in de buurt van Timboektoe waren opgeblazen in hun pantserwagen. Hij begaf zich, net zoals iedereen die onderdeel was van de missie, nauwelijks op straat. Te gevaarlijk.

‘Ken je die patisserie hier om de hoek?’ vroeg hij.

Ik knikte. Ik had er de vorige dag broodjes gehaald.

‘Ik ga daar niet op het terras zitten. Voor je het weet schiet iemand daar vanuit een rijdende auto zijn mitrailleur leeg. Zoiets is pas geleden nog gebeurd, in het centrum van de stad.’

Hij noemde de plek. Het was in dezelfde straat als de Ibiza Club.

Een dag later kreeg zag ik op Facebook een bericht van Adélie, de Française waar ik in Ouagadougou mee was gaan stappen. In Burkina Faso was een coup gepleegd door het leger. Er was een avondklok ingesteld en de grenzen waren gesloten. Ik was er net op tijd vertrokken.

Misschien was het beter om ook hier in Mali niet langer te blijven dan nodig. Ik was bezig aan het laatste deel van mijn reis, het was nu zo lang goed gegaan, waarom zou ik nog risico’s nemen? Bovendien, er was in de stad verder niks dat ik wilde zien, en dat wat ik wel wilde zien in Mali was sowieso onbereikbaar. Senegal was vast ook heel mooi. Ik pakte mijn spullen bij elkaar, vouwde de tent in en vertrok.

Liefs,

N

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: