Voodoo, apen en slaven

16 Sep

20150715_114117

Lieve I,

Soms vallen dingen ook mee. Er zouden controles zijn, in Nigeria, om de vijftig meter, had ik gehoord. Douane, politie, leger, burgers zelfs, die een lat met spijkers over de weg trokken en je zo dwongen te stoppen. En dan vroegen om geld, frisdrank, sigaretten, iets. Mensen reden rond met gevulde envelopjes in de aanslag, had ik gehoord, die ze zonder verdere plichtplegingen uit het raam konden steken, zodat ze in godsnaam maar een beetje door konden rijden. ‘Daar gaan we,’ dacht ik dus, toen ik het bruggetje, één auto breed, naar de Nigeriaanse grenspost op reed. Ik stopte voor de slagboom. Er kwam iemand uit het wachthuisje die gebaarde dat ik moest parkeren. Op die brug, van één auto breed. Ik stuurde Landcruiser half de bijna kniehoge stoep op. Van de andere kant kwam een auto, die dus ook half de stoep op moest om mij te passeren. Een beetje lage auto reed hier zo zijn bumper aan gort. Ik stelde mij voor hoe iemand, ergens in een kantoor in Abuja, een tekening had gemaakt om aan zijn baas te laten zien. ‘En dan maken we hier een brug.’ De baas had geknikt. ‘Maar niet te breed, hè?’

In een kantoor tegenover het wachthuisje beantwoordde ik honderd vragen over mijn reis, die totaal irrelevant waren om een stempel te zetten in mijn paspoort. Ik beschouwde het maar als oprechte interesse. Met de stempel eindelijk gezet moest ik twee bureautjes verder. De man die daarachter zat had het hele gesprek gevolgd. En begon dezelfde vragen opnieuw te stellen. Je zou er anders ook maar voor lul zitten, hè, achter zo’n bureau? Daarna mocht ik verder. Dacht ik. Ik stapte in de auto, reed achteruit het stoepje af, daarna vooruit totdat ik weer recht voor de slagboom stond. Hetzelfde mannetje kwam uit het wachthuisje en gebaarde streng dat ik er nog niet door mocht, dat ik terug moest. Ik weer terug die stoep op, met mijn paspoort naar het wachthuisje. Daar zat iemand achter een tafel die in mijn stempelboekje begon te bladeren. Hij gebaarde mij te gaan zitten. Hij legde mijn paspoort aan de kant, praatte wat met twee anderen in uniform die rondhingen in de kleine ruimte, nam geld aan van mensen die binnenkwamen en weer weggingen, bladerde in mijn paspoort, ging staan, ging weer zitten, opende een laatje, en deed dat weer dicht. Tegen de tijd dat ik mijn paspoort terugkreeg was ik bijna in slaap gevallen. Eenmaal door de slagboom moest ik langs de douane. Weer half die stoep op, want de weg was nog steeds niet breder. Degene die mijn Carnet moest stempelen was ‘even weg’. Het duurde een half uur. Maar toen was ik in Nigeria en had ik voorlopig nog niks betaald. Soms vallen dingen ook mee.

IMG_8245

Een halve kilometer verder was er een controle. Paspoort afgeven, rijbewijs. Wat ik voor hen had meegebracht.

‘Ik ben net in het land, ik heb nog niet de tijd gehad om iets te kopen. Sorry.’

Tweehonderd meter verder: spijkerplank over de weg. Jonge jongens, burgers. Of ik niet iets voor hen had.

‘Sorry, ik heb niks. Maar als ik terugkom zal ik iets voor jullie meenemen.’

Vijf kilometer verder: mannen in uniform. Stopteken.

‘Heb je een brandblusser?’

‘Ja, hoor, hier achter de stoel.’

Hij wilde het ding graag even in de hand houden. ‘Er staat geen datum op.’

‘Nee, maar hij is nog goed.’

‘Er moet een datum op staan.’

‘Onzin, hij is nog goed. Denkt u echt dat ik met een brandblusser ga rondrijden die het niet doet?’

Ik nam het ding uit zijn handen. ‘Heeft u nog meer vragen, anders ga ik graag verder.’

‘Gevarendriehoek.’

Ik haalde mijn gevarendriehoek tevoorschijn.

‘Je moet er twee hebben.’

Ik diepte de andere op.

First aid kit.’

Ik liet het doosje zien. Hij opende het.

‘Er zit geen jodium in. Je moet jodium hebben.’

‘Kom op, man, ik heb een hele doos met medicijnen achter in de auto, daar zit ook jodium in. Wil je het zien?’

Er ging iemand voor de auto staan.

‘Lichten.’

Ik deed de lichten aan.

‘Groot licht.’

Groot licht aan.

‘Ruitenwissers.’

Ruitenwissers aan.

‘Sproeiers.’

Sproeiers aan. Toen bleef het even stil.

‘Anders nog iets?’ vroeg ik.

‘Heb je iets voor me?’

‘Hahaha!’

 

Honderd meter verder: controle.

‘Ik ben net gecontroleerd, alles was in orde.’

‘Dat was de politie, wij zijn van het leger.’

‘Toch is dan nog steeds alles in orde, net als honderd meter geleden.’

‘Heb je iets te drinken voor me?’

‘Ik heb water, maar dat heb ik zelf nodig.’

‘Heb je niet iets anders voor me?’

‘Ik kan een foto van je maken en die opsturen. Heb je e-mail?’

‘Rij maar verder.’

Het werd beter naarmate ik verder landinwaarts ging. Het aantal controles verminderde, geen spijkerplanken meer, agenten die meestal vriendelijk waren. Burgers die druk gebaarden dat ik moest stoppen negeerde ik. Ik hoefde nergens te betalen. Soms vallen dingen ook mee. Alleen de weg werd steeds slechter. Het plan was om Calabar te halen, maar door al het oponthoud en de kuilen in de weg was dat met nog 150 kilometer te gaan en de intredende schemer een onmogelijke opdracht. Ik stopte bij een compound dat gepresenteerd werd als een congrescentrum met accommodatie. Hoewel ik zei dat ik wilde kamperen liet een dronken vrouwtje van zeventig mij een kamer zien, die ik veel te duur vond. Ik probeerde nog eens duidelijk te maken dat ik wilde kamperen. Ze snapte het maar half, dus ik begon op een plek die mij geschikt leek mijn tent uit te vouwen, terwijl zij mij argwanend gadesloeg. Toen ik klaar was wees ik op het geheel en noemde een prijs die de helft van de kamer was en mij redelijk leek. Ze vond het goed. Tot de volgende morgen, toen ze toch de prijs van de kamer wilde. En ze wees op de gekookte eieren die ik achterin de auto had liggen. Ik gaf haar het bedrag dat we de dag ervoor hadden afgesproken, en een gekookt ei, en maakte duidelijk dat dat het was, wat mij betreft. Scheldend liep ze weg. Het was tijd om te gaan.

IMG_8248

In Calabar viel vier dagen lang het soort regen waar het woord ‘gestaag’ voor is uitgevonden; niet overdreven hard, maar wel aan één stuk door. Dus ik bezocht niet het vissersplaatsje Creek Town waar je met een open bootje heen kon en ging in plaats daarvan naar de bioscoop – de eerste die ik in heel lange tijd was tegengekomen. Het werd Jurassic World, omdat Minions nog net niet draaide en de nieuwe Terminator (mét Arnold Schwarzenegger!) net niet meer. Bij het kantoor van Pandrillus, de organisatie die zich inzet voor het behoud van mandrils, een bedreigde apensoort die alleen in die regio voorkomt, liet ik mijn dakdrager lassen, waar in Kameroen een stuk van was afgebroken. Ze gaven me ook de routebeschrijving naar de Afi Mountain Drill Ranch, hun plek in de jungle waar ze de mandrils fokten, met het idee om ze op een gegeven moment uit te zetten in de wildernis en zo de ‘wilde’ populatie weer wat op peil te brengen. En ze hadden een groep chimpansees.

Het was een prachtige plek, midden in het bos, gerund door vrijwilligers. De apen zaten in grote omheinde stukken oerwoud, waar ze deels zelf hun voedsel konden vinden. Op gezette tijden werden ze ook gevoerd, wat, gezien de omvang van de omheiningen, voor sommige groepen het enige moment was dat je ze kon zien – de rest van de tijd verdwenen ze in het bos. Bij de mandrils werden de bananen en de maïs per kruiwagen naar binnen gereden, wat een oorverdovende chaos teweegbracht waarbij alle apen tegelijkertijd op het voedsel af stormden om even later uit de kluwen tevoorschijn te komen met zoveel bananen als ze konden dragen. Vervolgens was het zaak zo snel mogelijk het struikgewas of een boom in te schieten om te voorkomen dat ze door hun vrienden werden beroofd. Pas toen iedereen zijn kostje naar tevredenheid bij elkaar had gegraaid en een plekje had gevonden om te schrokken keerde de rust terug.

IMG_8164

Bij de chimpansees waagde geen mens zich binnen. Toen de bananen over de omheining werden gegooid zag ik waarom: ze joegen elkaar op, krijsten alsof ze gevierendeeld werden en mepten met niet misselijke kracht een ander de struiken in. Het was een voortdurend vechten om de hiërarchie in de groep. Maar eenmaal voldoende bananen tot zijn beschikking hebbend vleide eenieder zich neer in het gras en begon smakkend en schetend de buit te verorberen.

IMG_8205

Een dag later maakte ik een wandeling met een gids, die inhield dat ik in een belachelijk vermoeiende benauwde hitte door een dichtbegroeid bos een schandalig steile berg op liep, om vier uur later te eindigen op een plek waar nog steeds geen uitzicht was. Ik genoot het meest van de terugweg, over een vlak stuk autotrack vanwaar het uitzicht op het oerwoud en de omringende heuvels uiteindelijk veel beter bleek te zijn dan vanaf boven. Je kunt niet altijd geluk hebben.

In drie dagen reed ik naar de andere kant van het land, bedenkend dat alleen al de staat van de wegen voor mij reden genoeg zou zijn om een revolutie te starten, wetend dat er elders in het land bakken met geld verdiend werden aan olie en dat de mensen in wiens zakken dat geld verdween het vertikten om een fatsoenlijk stuk asfalt te leggen. Ergens op de route werd ik ingehaald door een zwart-witte pick-up met zwaaiende lichten en een loeiende sirene. Een politieauto die mij maande te stoppen. Ik dacht niet: ‘Oh help, ik heb iets verkeerd gedaan en nu heb ik een probleem.’ Ik dacht: ‘Wat nu weer?’ Zo ver is het met mij gekomen, I. Hoe moet dat straks in Nederland?

Er zaten vier agenten in zwart uniform in de achterbak, met grote geweren. Die stapten allemaal uit en gingen om Landcruiser heen staan. Twee anderen stapten voor uit de auto en posteerden zich bij mijn open raampje.

‘Paspoort.’

Ik gaf mijn paspoort.

‘U rijdt met een buitenlands kenteken.’

‘Ja, dat klopt. Het is een Nederlandse auto.’

‘Dat mag niet. Dit is Nigeria, u moet een Nigeriaans kenteken hebben.’

‘Nee hoor, dat hoeft niet.’

‘U bent in overtreding. U mag niet met een buitenlands kenteken rijden.’

‘Niet waar. Ik ben al honderdtwintig keer gecontroleerd en niemand heeft er iets van gezegd.’

‘U heeft een buitenlands kenteken, dat mag hier niet.’

‘Meneer, ik ben een paar dagen geleden de grens over gekomen met deze auto. Als ik het land niet in mocht had iemand me wel tegengehouden, denkt u ook niet? Hier is mijn Carnet de Passage, gestempeld aan de grens. Er is geen probleem.’

‘Hoe gaan we dit oplossen?’

‘Ik denk dat u mij mijn paspoort teruggeeft en dat ik dan gewoon verder die kant op rijd.’

De mannen keken elkaar aan. Iemand knikte, als in: laat hem maar gaan. Ik kreeg mijn paspoort terug, de intimideerders stapten weer in de achterbak van de pick-up en ik reed weg. Loeiende sirenes, laat me niet lachen.

20150710_120744

In Osogbo is een Heilig Bos, dat in de Yoruba cultuur beschouwd wordt als de verblijfplaats van de godin van de vruchtbaarheid, Osun. Het staat vol met sculpturen ter ere van haar en andere Yoruba goden, er is een paleis en een heilige plek aan de rivier waar offers plaatsvinden. Elk jaar is er een grote processie waarbij maagden door een speciale poort het bos binnenkomen om de godin te eren en offers te brengen. Meer nog dan van het bos zelf, dat vanwege de regen een treurige indruk wekte, was ik getroffen door de moderne sculpturen van de Oostenrijkse beeldhouwer Susanne Wenger, gemaakt in samenwerking met lokale kunstenaars op basis van mythen en verhalen rondom Osun. Het was zo’n beetje de eerste kunst die ik tegenkwam die meer was dan de gebruikelijke ambachtelijke maskers en kraaltjeskettingen die verkocht werden in de meeste souvenirshops.

20150710_130115

De volgende dag verkende ik de markt, met name het deel waar ze juju-spullen verkochten, zoals levende schildpadden, papegaaienveren en allerlei blaadjes, wortels en takjes waarvan ik de herkomst niet kon thuisbrengen en waarmee rituelen werden uitgevoerd om mensen te genezen van allerlei kwalen. De vriendelijkheid van de bevolking toonde zich toen ik voorbij de markt de achterliggende steegjes inliep. Daar waar de gemiddelde inwoner van Osogbo leefde, buiten, waar in kleine portaaltjes, of gewoon op straat, de vrouwen het eten kookten op een houtskoolvuurtje of de was deden in een grote teil. Waar de mannen samen aan een tafel zaten, thee dronken en observeerden wat er gebeurde. Waar de kinderen elkaar achterna zaten, of zich stil in een hoekje bogen over hun huiswerk. Ik groette iedereen, mocht overal foto’s maken en hield tot grote hilariteit de kinderen voor de gek, door bijvoorbeeld opeens heel hard boe te roepen als ze met open mond stonden te staren naar die merkwaardige blanke die zomaar hun wijk in kwam lopen. Het was een van die plekken waar je terechtkomt als je zomaar eens een keer wat ronddwaalt zonder plan en zonder haast. Dat zijn vaak de beste.

20150710_163009

Benin binnenkomen was makkelijk. Het was zelfs zo makkelijk dat ik begon te vermoeden dat er iets niet klopte. Ik was al twee slagbomen gepasseerd die opengingen zonder dat iemand vragen stelde, toen ik bij de derde, in Kétou, het eerste plaatsje na de grens, besloot maar eens zelf navraag te doen. Ik bleek voor het douanekantoor te staan. Een stempel in het Carnet zetten wilden ze daar, nadat ze eerst hadden geprobeerd om me tegen betaling een laisser-passer aan te smeren, wel doen, maar het paspoort, nee, daar konden ze niks mee. En er was ook geen immigratiekantoor, zeiden ze, daarvoor moest ik naar Cotonou, de hoofdstad. Ik was niet overtuigd, maar het was laat, bijna donker, tijd om een slaapplek te zoeken.

Bij het City Hotel trof ik een receptionist die ik graag wil nomineren voor Afrika’s Medewerker van het Jaar – wat moeilijk wordt, omdat ik zijn naam ben vergeten. Na betaling van de kamer had ik nog maar 1000 CFA (ongeveer anderhalve euro) in de zak en dus wilde ik voor maximaal dat bedrag ergens iets eten. Dat was mijn voorwaarde geweest om de kamer te nemen. De Receptionist Zonder Naam wist wel een plek en bracht me persoonlijk per brommer naar een simpel maar gezellig restaurantje. Hij regelde dat ik iets te eten kreeg en dat het personeel hem zou bellen zodra ik klaar was, zodat hij mij weer op tijd op kon halen. En nu komt het: het maal kostte iets minder dan duizend, maar ik wilde ook graag een biertje. Daarmee zou het totaalbedrag op veertienhonderd uitkomen. Nou, daar maakte mijn Favoriete Medewerker dus geen probleem van. Zonder nadenken gaf hij mij 1000 CFA uit eigen zak. 1000 CFA! Uit zijn eigen zak! Dat was mij nog nooit overkomen. Dat ik geld kreeg van een Afrikaan. Meestal probeerden ze uitentreuren geld van mij los te krijgen, met een smoesje, een leugentje, een zielig verhaal. Maar deze Baliemedewerker van de Maand snapte dat ik net het land binnen was gekomen, dat ik nog geen tijd gehad had om iets te regelen, dat ik moe was en even geen gezeik aan mijn kop wilde. Hij maakte zich niet eens zorgen of hij het geld wel terugkreeg, hij zorgde gewoon dat ik mijn biertje kon drinken. Soms vallen dingen ook mee.

De volgende dag reed ik, op advies van de Receptionist van de Week, die zijn oom gebeld had die bij de immigratiedienst werkte, terug naar de grens. Er zou toch echt een kantoortje moeten zijn waar ze mijn paspoort konden stempelen. Na enig navragen stond ik er voor de deur. Vijf minuten later stond ik weer buiten, met stempel. Ik vroeg nog of dat alles was, of ik hiermee door het hele land kon reizen. Geen probleem, werd mij verteld, bij het uitreizen zou ik weer een stempel krijgen en daarmee zou de zaak afgedaan zijn. Ik wist dat dit niet klopte. Ik zou aan de grens een transit visum moeten krijgen voor 48 uur, dat eventueel in Cotonou verlengd kon worden. Maar ik wilde de zaak niet ingewikkelder maken dan die was en ik moest, met of zonder visum, toch naar Cotonou omdat ik sowieso van plan was langer te blijven. Bovendien leek het mij wel aardig om te zien hoe dit verhaal verder zou gaan. Ik reed langs de pinautomaat, gaf aan de balie van het City Hotel 2000 CFA af voor de Onvolprezen Receptionist die al vertrokken was voor een welverdiende vrije dag, en ging op weg naar Cotonou.

Na een tussenstop in Porto Novo, waar ik in het ecologisch centrum overnachtte en getuige was van een gruwelijk langdradige huwelijksceremonie, die het bruidspaar tenminste anderhalf uur wachtend buiten de zaal hield terwijl alle honderdvijftig aanwezigen bij naam genoemd werden, meldde ik mij in Cotonou bij de immigratiedienst. Waarom ik niet al een visum had. Ik zei dat ze dat maar aan de dienstdoende agent aan de grens moesten vragen en verrek, dat deden ze, nadat ik bij de immigratiebaas uitgelegd had wat er was gebeurd. Uiteindelijk mocht ik een formuliertje invullen. Maar ik was vergeten van tevoren de naam van een hotel op te zoeken, dus ik vulde op goed geluk Hotel Cotonou in – ik meende dat ik die naam ergens had gelezen. Dat bestond niet, zei de dame aan de balie.

‘Ik weet niet precies hoe het heet, maar zoiets is het,’ zei ik.

‘Heeft u een reserveringsbewijs?’

‘Ik heb nog niet gereserveerd, ik kom net aan in de stad.’

‘Gaat u dan eerst reserveren en komt u morgen terug.’

‘Nee, nee, nee, niks daarvan. Waarom moet ik een reservering hebben? Bent u bang dat ik geen kamer vind? Ik reis al anderhalf jaar door Afrika en ik heb nog nooit iets gereserveerd en toch is het altijd goed gekomen. En Cotonou zit vol met hotels. Waar maakt u zich druk om? Bovendien heb ik een tent op de auto, ik kan overal slapen.’

‘Op het formulier moet een hotel ingevuld worden waar u gereserveerd heeft, met kamernummer.’

Ik herinnerde mij opeens iets.

‘Het is het Ibis Hotel Cotonou, dat is de naam,’ zei ik. Ik had van iemand gehoord dat daar gratis wifi was, daarom kende ik de naam. ‘Ik heb kamer 41.’

‘U zei dat u geen reservering had.’

‘Ik heb me vergist. Het is kamer 41. In het Ibis Hotel.’

‘Ik moet ook het adres hebben.’

‘Hoezo? Er is maar een Ibis Hotel in Cotonou, dat weet iedereen te vinden.’

‘Ik moet een adres hebben.’

‘Prima, ik zoek het even op.’

Ik haalde mijn telefoon uit mijn zak, vond op internet het adres en las het hardop voor. Ze gaf mij het formulier terug.

‘Wat moet ik daarmee doen?’

‘Het goede hotel invullen.’

Ze schoof demonstratief het balieraampje dicht. Ik krabbelde ‘Ibis’ bij de naam van het hotel, schreef het adres erbij en ‘room 41’. Reservering, my ass. Er was maar een lage afscheiding tussen de wachtruimte en de andere kant van de balie, dus ik meldde mij in plaats van voor het raampje, aan de zijkant en duwde haar het formulier onder de neus.

‘Zo goed?’

Ze nam zonder te kijken het formulier aan en legde het naast zich neer. Op een briefje schreef ze een bedrag. Ze opende het raampje en stak het briefje naar buiten. Ik betaalde en moest eigenlijk nog wisselgeld terugkrijgen, maar ze maakte geen aanstalten om dat te geven. Ik kreeg alleen een betalingsbewijs.

‘Die driehonderd franc is zeker voor de service?’ vroeg ik.

Met een klap schoof ze het raampje voor mijn neus dicht. Twee dagen later had ik een visum.

20150714_131227

Je kunt over een asfaltweg van Cotonou naar Ouidah, maar je kunt ook via de Route des Pêches, een zandweg die parallel aan de kust loopt. Daar kom je langs traditionele dorpjes bestaande uit rieten hutjes, waar de kleurig versierde kano’s onder de palmbomen liggen te wachten op de volgende vaart, waar de vissers op het strand hun netten knopen en de vrouwen met rechte rug en gestrekte benen gebukt staan over een kookpot of een wasteil. Als je even vergeet hoe zwaar het leven hier is, hoe moeilijk het moet zijn om rond te komen, dan is het een prachtige route. Merkwaardig hoe armoede altijd mooier lijkt te zijn dan rijkdom.

De route eindigt bij het slavenmonument in Ouidah, het Point of No Return, vanwaar de slaven uit het binnenland verscheept werden naar de suikerplantages aan de andere kant van de oceaan, of naar de Goudkust in Ghana. Ook zo’n mooie plek waar je niet aan afziet dat de grond gedrenkt is in bloed, zweet en tranen. Ik stapte er uit de auto en liep onder de stenen boog door, die geflankeerd wordt door sculpturen van geketende slaven. Ik probeerde mij voor te stellen hoe hier rijen mannen, vrouwen en kinderen richting zee sjokten, in veel gevallen hun dood tegemoet, vaak al op zee, in het stinkende ruim van een boot vol kotsende lotgenoten. Het was pijnlijk om te zien dat ook deze plek omringd werd door souvenirwinkeltjes en gidsen, vechtend om de aandacht van de spaarzame toerist.

IMG_8308

Niks van dat alles in Possotomé aan Lake Ahémé. Hier werd het leven bepaald door het ritme van de zachtjes aanspoelende golven, waarop de kano’s van de lokale vissers vredig dobberden. Om de zoveel tijd voer zo’n visser voorbij, staand op de achtersteven, het bootje voortduwend met een lange stok. Of ik zelf niet eens wilde proberen op traditionele wijze een vis te vangen? Als je mij een beetje kent, I, weet je dat ik mij zoiets geen twee keer laat zeggen. En dus stond ik de volgende morgen zelf op de voorsteven van zo’n pirogue en zwiepte zwierig een net het water in. De eerste keer zag het er vermoedelijk vrij onhandig uit, maar bij de tweede poging zwaaide het net toch redelijk sierlijk door de lucht. Toen ik het ophaalde was er nergens een vis te bekennen natuurlijk, maar ook de professional die mij aanwijzingen gaf had vijf pogingen nodig om iets te vangen waar zelfs een peuter bij de lunch beteuterd naar zou kijken.

20150717_105447

Abomey was ooit de hoofdstad van het gevreesde Dahomey koninkrijk. Nu is het een ingeslapen plaatsje, waar verspreid door de stad alleen nog de restanten van het eens zo machtige bolwerk zichtbaar zijn. Iedere nieuwe koning bouwde zijn eigen paleis tegen dat van de oude koning aan, en aangezien er in totaal twaalf koningen waren moet het bouwwerk op zijn hoogtepunt zo’n beetje het meest indrukwekkende in West-Afrika geweest zijn. Nu staan er nog slechts twee paleizen overeind, waarin een museum is gevestigd. Een gids leidde mij er rond, onder andere langs de troon van koning Ghézo, steunend op vier schedels van overwonnen vijanden. In de stad stonden verschillende voodoo tempels, versierd met felgekleurde reliëfs of schilderingen met symbolische betekenis. De tempels zelf mocht ik niet in, dat is voorbehouden aan de voodoopriesters, die daar hun rituelen uitvoeren en offers brengen aan hun goden. Niks duistere krachten, waarmee voodoo vaak geassocieerd wordt, maar meestal juist positieve energie gericht op welvaart, geluk en gezondheid.

20150718_145649

’s avonds hoorde ik vanaf de campsite een verwoed getrommel, ergens in de buurt. Hoewel het pikkedonker was liep ik de straat op om op onderzoek uit te gaan. Een voorbijganger die ik vroeg naar de herkomst wilde mij wel naar de plek brengen waar het te doen was. Het was een begrafenis legde hij uit, en er werd gedanst. Ik kwam ergens in een achterafstraatje terecht waar zich een merkwaardig ritueel afspeelde. Aan de kant van de weg, in het halfdonker, ik kon ze nauwelijks zien, zat een aantal jongens verwoed te beuken op traditionele trommels. Het leek minstens zoveel om de energie en de herrie te gaan als om het daadwerkelijke ritme, want heel veel structuur kon ik er niet in ontdekken. Mijn gids wees naar de straat: ‘Daar, zie je het?’ Het duurde even voordat mijn ogen aan het donker gewend waren, maar inderdaad, midden op de weg bewoog iets. Pas toen het dichterbij kwam zag ik wat het was. Of eigenlijk zag ik niet echt wat het was. Ik kan het alleen maar omschrijven als een grote hyperactieve hooibaal. Er zat geen voor- of achterkant aan, het draaide om zijn as, rolde over de kop, tolde van de ene naar de andere kant van de weg, hield halt net voor het publiek, of voor een kind dat zich geschrokken en schreeuwend uit de voeten maakte. Er waren er vier van en om de beurt namen ze het ‘podium’. Ook hier weinig structuur, vooral ogenschijnlijk ongecoördineerde energie en beweging. Toen omstanders mij in de gaten kregen werd ik meegetrokken naar een andere hoek. Ik moest betalen, dan zouden ze iets bijzonders voor mij doen. Het woord ‘slang’ viel, maar ik had geen idee wat ze bedoelden. Ik graaide in mijn zak, haalde er een briefje van vijfhonderd franc uit en duwde dat in een hand. Even later kwam er een grote hooibaal op mij af stormen. Hij hield halt voor mijn neus, schreeuwde iets, tolde weer weg, stortte zich op de grond. Toen hij weer rechtop kwam lag er een slang in het zand. Iemand pakte het beest op, hield het voor mijn neus. Ik moest het aanraken, of zoiets, of overpakken, maar dat leek mij niet zo’n goed idee. Ik weerde af, iemand schreeuwde ‘geld, geld’. Ik schudde nee, zei dat ik al betaald had. En zo snel als de slang gekomen was, verdween hij weer. De hooibaal tolde verder, werd door omstanders omgegooid en weer rechtop geholpen. Er was geen opbouw, geen choreografie, niks, alleen tollende hooibalen in een donkere straat, waar af en toe ook nog gewoon een brommer of een auto doorheen reed. Met een beetje goede wil zou je het kunnen omschrijven als een magisch, mystiek, onbegrijpelijk en fascinerend voodooritueel. Met een nuchterder blik leek het op een slap overblijfsel van wat eens geappelleerd moet hebben aan een geloof in een hogere godenwereld, daar waar de voorouders naartoe gegaan waren, waarmee via maskers en rituele dans contact gelegd kon worden. Ik betwijfel of het voor de aanwezigen die betekenis nog had, of ze er nog in geloofden. Het leek meer op iets wat je nu eenmaal doet als iemand dood is, iets dat verlangd wordt door de gemeenschap. Op het platteland had het misschien gewerkt, tussen de lemen hutjes, op een open plek in het bos omringd door kampvuren. Hier, in de stad, met minimaal kunstlicht, onderbroken door passerend verkeer kon ik er niet veel meer van maken dan slecht theater.

20150718_152627

Ik reed nog verder naar het noorden, naar Natitingou en Pendjari National Park. De wildparken in West-Afrika zijn bij lange na niet zo bijzonder als die in het oosten en zuiden – er is hier minder ruimte en er wonen relatief veel meer mensen en bijgevolg veel minder dieren – maar het was alweer een tijdje geleden dat ik de uitgestrektheid en stilte van de natuur ervaren had, dus het leek me toch aardig om weer eens zo’n park te bezoeken. Het viel niet tegen. Het was inderdaad fijn om weer even weg te zijn van de mensen en de drukte en ik trof toch ook weer genoeg wilde dieren om het interessant te maken.

Net ten zuiden van het park stak ik de grens over naar Togo. Opnieuw ging dat allemaal minder soepel dan je zou hopen, omdat ik aan de grens eerst veertig kilometer teruggestuurd werd om een stempel te halen en ik vervolgens ten kantore anderhalf uur moest wachten totdat de stempelkoning klaar was met lunchen. Aan Togolese zijde wisten ze weer eens niks van een visum, dus dat moest ik maar regelen in Kara, de eerstvolgende stad. Ik overnachtte in Koutammakou , tussen de traditionele modderhuisjes, gebouwd in unieke stijl door mensen die probeerden te ontsnappen aan de bloeddorstige Dahomey-koningen. De huisjes zien eruit als kleine forten, met verhoogde torentjes op de hoeken en een muur daartussen. Achter de deur was een doorgang ter hoogte van een geit zodat je nogal moest bukken om echt binnen te komen, wat het onmogelijk maakte om het huis in te stormen. Bovendien diende de begane grond als stal, waardoor eventuele indringers eerst door een kudde geiten of schapen heen moesten om bij de mensen te komen, die zich op de eerste verdieping verschansten en van daaruit onwelkome gasten konden bestoken met pijl en boog of speren. De bewoners waren animisten, wat betekent dat ze niet alleen een ziel toeschreven aan mensen en dieren, maar bijvoorbeeld ook aan planten, bomen, stenen, rivieren en rotsformaties. Voor elk huis stonden hoopjes van aardewerk, die de leden van het gezin plus overleden (voor)ouders symboliseerden. Op die manier maakten ook de doden nog altijd deel uit van het aardse leven en kon met hen gecommuniceerd worden. Niet alleen de huisjes waren bijzonder om te zien, ze stonden ook in een uiterst vriendelijk ogende omgeving van glooiende groene akkers, gelardeerd met oeroude baobabs. De ondergaande zon wierp een magisch licht over het geheel en toen het eenmaal donker was sliep ik in onder een oneindige sterrenhemel, bij het geruststellende geluid van blatende schapen en knorrende varkens.

IMG_8444

In Kara keek de man van immigratie even vreemd op van het feit dat ik geen visum had en toch was binnengekomen. Maar het was geen probleem, ik moest een formuliertje invullen, drie pasfoto’s inleveren, betalen en even wachten. Na een uur stond ik weer buiten met een visum van drie maanden, multiple entry. Soms vallen dingen ook mee.

In een plaatsje net onder Kara was toevallig het jaarlijkse, vierdaagse Evala festival aan de gang. Een van de hoogtepunten was la lutte, een worsteltoernooi, waarbij de winnaars van voorronden in de omliggende dorpen tegen elkaar streden in een grote finale tijdens het festival. Het was een gigantische happening, zelfs de Chef d’Etat was aanwezig. Helaas bleek het worstelen al afgelopen toen ik Landcruiser eindelijk door de chaos van auto’s, brommertjes en mensen gestuurd had. De president zat al met zijn gevolg te eten, terwijl het armere deel van de bevolking zich voor het hek stond te vergapen aan al het gebraad dat voorbij kwam. Het enige dat ik nog meekreeg van de wedstrijd was een enkele winnaar die op de schouders van vrienden en medestrijders in feestelijk dansende optocht voorbij werd gedragen.

IMG_8501

In Lomé mocht ik logeren bij Dyonne, een nicht van een vriendin van mijn moeder. Ze had een groot huis met een logeerkamer die ik mocht gebruiken. Ik hing er twee dagen rond, terwijl de wasmachine overuren maakte en ik op de veranda met een biertje sterke Afrika-verhalen uitwisselde met Dyonne – wat nog erger werd toen een collega van haar man aan kwam waaien en ons uitnodigde voor een barbecue, de volgende dag in zijn nieuwe huis. De enige sightseeing die ik deed was een bezoek aan de fetisj-markt – een openlucht-voodoo-apotheek die vol lag met afgehakte, grijnzende koppen van katten, honden en apen, uitgedroogde kameleons en vleermuizen, dooie vogels, koeienschedels en zelfs een gorillahand. Het was, vermalen tot poeder en opgelost in thee of vermengd tot crème, allemaal ergens goed voor, van hoofdpijn tot malaria en van erectieproblemen tot jeukende oksels. Rondom de markt waren hutjes waarin voodoo priesters spreekuur hielden en voorschreven of er een schildpad of een stekelbaars verpulverd moest worden. Het was even bizar als interessant, en hoewel er entree gevraagd werd aan toeristen betrof het hier wel degelijk een lokale dagelijkse praktijk, iets wat bij Togolezen geen enkele wenkbrauw deed fronsen.

IMG_8502

Nadat ik de kater van de in bier gedrenkte barbecue had weggeslapen, de was had opgeruimd en Dyonne had bedankt voor haar feestelijke gastvrijheid, ging ik op weg naar de grens. Aan de andere kant, in Ghana, wachtte M, die anderhalf jaar eerder in Ethiopië op bezoek was geweest en die de vorige dag in Accra was aangekomen. Ik kreeg weer eens een maandje reisgezelschap. Ik had er wel zin in, trapte het gaspedaal in en zette koers naar weer een nieuw land.

Liefs,

N

Advertenties

Eén reactie to “Voodoo, apen en slaven”

  1. Francis van de Westerlo 7 oktober 2015 bij 15:06 #

    Wat een geweldig verhaal!
    Tijd om niemand te volgen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: