Het is hier geen Afrika (of misschien toch?)

9 Mei

IMG_5950

Lieve I,

Namibië is nog beter gelukt dan Zuid-Afrika. Zijn in de Regenboognatie de restanten van de Apartheid nog opvallend aanwezig in de vorm van townships, in Namibië zijn de zwarten zowat verdwenen, zo lijkt het. In ieder geval als je vanuit het zuiden het land binnenrijdt, zoals ik deed. Waarschijnlijk waren er ook gewoon minder, of misschien hebben de Duitsers, die er een tijd lang de baas waren, de zaak weer eens wat gründlicher aangepakt dan de Hollanders en de oorspronkelijk bevolking zodanig over de kling gejaagd dat er niemand meer over is gebleven. En vervolgens kwam er ook hier nog het blanke Zuid-Afrikaans regime overheen (Namibië maakte van 1920 tot 1990 deel uit van Zuid-Afrika). Feit is dat Namibië één grote ontzettend lege woestijn is, waar desondanks nauwelijks een stuk land bestaat dat geen blank privé-eigendom is. Rijdend door de eindeloze stoffige vlakten passeer je kilometer na kilometer hek, aan beide kanten van de weg. Namibië is, zeg maar, twee keer niks met een hek eromheen en een weg door het midden. Af en toe is er een teken van leven dat er op de kaart uitziet als een dorp, een stad, een nederzetting, maar in werkelijkheid niet meer is dan een pleisterplaats, met een winkeltje, een mogelijkheid om te overnachten en, als je geluk hebt, een benzinepomp. Soms is er een poort in het hek, met een spoor erachter dat ook naar niks lijkt te leiden, maar uiteindelijk uitkomt bij een boerderij, een lodge of een campsite (meestal alles in één), waar een van oorsprong Duitse of Afrikaner familie woont die, ondersteund door een legertje zwart personeel, volledig zelfvoorzienend is. Deze landgoederen zijn kleine wildreservaten, zo groot als de provincie Utrecht, waar de springbokken, oryxen en zebra’s grazen naast de koeien van de eigenaar. Namibië is het Wilde Westen in Afrikaner-Duitse stijl, waar de paarden vervangen zijn door de onvermijdelijke Toyota Hilux pick-up en de saloon door een Bayerische Bierstube. Je moet guts hebben om hier te wonen en in die zin is de Afrikaner trots begrijpelijk; dit is geen land voor kleinzerige watjes.

De eerste bezienswaardigheid die ik passeerde, buiten dus die van de hitte trillende zandkleurige eindeloosheid, was de Fish River Canyon, een diep uitgesleten droge rivierbedding. Je kunt er doorheen wandelen, in vijf dagen, maar niet in deze tijd van het jaar, wanneer het er op de bodem vijftig graden kan worden en er nergens water beschikbaar is. Het bleef dus bij bewondering vanaf de rand, wat voor een eerste kennismaking met het land spectaculair genoeg was.

IMG_5630

De volgende stop was Lüderitz waar verder niet zo heel veel meer over te zeggen is dan dat het de ordentliche saaiheid heeft van een gemiddeld Duits stadje, al is dat in het chaotische Afrika een attractie op zich. Maar waar het hier om gaat is Kolmanskop, het verlaten dorp net buiten de stad, aan de rand van het Sperrgebiet. Ooit werden hier heel veel diamanten gevonden – ze lagen gewoon aan de oppervlakte tussen het woestijnzand en in het bijbehorend museumpje zie je foto’s van mensen die op hun buik door de woestijn kruipen om ze te zoeken. Die mensen werkten voor de Consolidated Diamant Mines en woonden in Kolmanskop. Tegenwoordig worden de diamanten veel zuidelijker in het Sperrgebiet (zo genoemd omdat het vanwege die diamanten verboden gebied is voor gewone stervelingen) gevonden en sinds 1956 is het dorp verlaten en overgeleverd aan wind en woestijn. Kolmanskop is nu een spookstad en een photographer’s paradise, met afgebladderde muren, inzakkende plafonds en bergen zand die door open ramen en deuren naar binnen golven. Ik ben geen fotograaf, maar ook ik liep er een uur of twee geconcentreerd en gefascineerd rond om te proberen de desolaatheid te vangen met de camera.

IMG_5780

Verder ging het, over wegen die weliswaar niet geasfalteerd zijn, maar waarover je toch gewoon tachtig kunt rijden. Ook dat hebben ze hier beter begrepen dan in de rest van Afrika. Bij wegen van Chinees asfalt is timing alles; kom je een jaar te vroeg dan ligt alles open en hobbel je honderden kilometers langs het werk in uitvoering, kom je drie jaar na de aanleg dan hobbel je weer langs de eigenlijke weg om de gaten in het asfalt te ontwijken. ‘Leg dan geen asfalt,’ heb ik al vaal gedacht en in Namibië hebben ze precies dat gedaan. Om de zoveel tijd kruipt er een Caterpillar over het pad met achter zich aan een grote driehoek van rubberbanden. Daarna is de weg weer effen. Stoffig als het kielzog van een kamelenkaravaan in de Sahara, waardoor je aan het eind van een dag rijden een zandbak ter grootte van de Sterreberg* uit de auto moet vegen, maar je kunt nou eenmaal niet alles hebben.

IMG_5900

Ik kwam uit bij de prototypische Namibische woestijnervaring, het ultieme visitekaartje van het land, de toeristentrekker bij uitstek: de Sossusvlei. Je moet daar in rijden bij zonsopkomst zodat je het magnifieke licht kunt vangen dat achter de rode duinen vandaan komt en een schaduwenspel speelt met de welvingen in het woestijnzand. Wereldvermaard, dat spel, dus ik zorgde dat ik er op tijd was, al is opstaan om vijf uur, in het donker, voor mij niks minder dan een kwelling. En wat denk je? Mist. Het zat potdicht, en hoe dichter ik bij de vallei kwam waar het allemaal te doen was, hoe minder ik kon zien. Geen zonsopkomst dus en in het grijzige licht dat door de nevel drong zag de beroemde dead vlei, zeg maar het topstuk van de tentoonstelling, er niet heel veel anders uit dan de Sterreberg, alleen met dode in plaats van levende bomen. Voordeel van de bewolking was dat het niet zo heel warm was en ik de duinen kon beklimmen zonder onmiddellijk vertoon van uitdrogingsverschijnselen. Al was het nog steeds zwaar genoeg, ook zonder een voetbaltrainer die aan de voet van de heuvel stond te blèren dat het allemaal sneller moest, zoals toentertijd op die vervloekte Sterreberg. Eenmaal boven zag ik toch een streep blauw verschijnen en een uur later was de mist grotendeels verdwenen waardoor ik alsnog kreeg waarvoor ik was gekomen.

IMG_6040

Duitser dan Swakopmund wordt Afrika niet. Op de terrassen in het centrum heerst een Gemütlichkeit die ik mij voorstel bij een vroege lentedag in München, in de straten spat de Bürgerlichkeit van de huizen, waarvan de fantasieloze architectuur gekopieerd is uit Die Heimat en op de menukaart van Kücki’s Pub prijkt bovenaan de onvermijdelijke Wiener Schnitzel, mit Bratkartoffeln. Needless to say dat ik die bestelde, en inderdaad, in Duitsland zelf heb ik hem niet beter gehad. Anders dan rondstruinen, een beetje shoppen en me verbazen deed ik er niks, hoewel het de adventure sports capital van het land is, waar je kunt zandsurfen, quadbiken en parachutespringen. Ik ben nooit zo van de adrenalinekick geweest, geef mij maar gewoon een bal, dus die portie kon naar Fikkie. Bovendien had ik op dat moment geen vrienden en slaat zo’n kick nogal dood als je alleen bent en er niemand is om te delen in de feestvreugde. Nee, ik trok liever naar het noorden, langs de kust, opnieuw de woestijn in, door Skeleton Coast National Park naar Twyfelfontein – een van die plaatsen met een geweldige naam in het Afrikaans. Deze is gebaseerd op de bron die daar uit de grond komt, die soms wel en soms geen water geeft. Twyfelfontein is beroemd vanwege de rotsgravures van het Sanvolk uit het Stenen Tijdperk. Ze tonen de dieren die ze hier tegenkwamen, waarvan er niet veel, maar nog steeds wel enkele rondzwerven door het landschap; oryxen, giraffen, olifanten, leeuwen. Dat fascineerde mij nog het meest; noordwest Namibië moet zo ongeveer het laatste stukje wildernis in Afrika zijn dat geen park is, maar waar desondanks de dieren nog ‘echt’ in het wild leven. Het geeft aan hoe uitgestrekt en dunbevolkt het land is.

IMG_6398

Na een bezoek aan het petrified forest, waar ik zomaar kon gaan zitten op een versteende boom van 260 miljoen (!) jaar oud, en aan de Doros Crater die nauwelijks te vinden was, maar waar ik weer eens echt compleet verlaten van alles en iedereen in de wildernis kon kamperen, trok ik naar Kamanjab, naar de Oppi Koppi Restcamp. Die lodge is zo’n plek waar je als overlander op zit te wachten: als je een buitenlandse nummerplaat hebt mag je er gratis kamperen, er is een zwembad, gratis (werkende) wifi en een restaurant waar je een ontzettend malse zebra-, oryx-, giraf- of springboksteak naar binnen kunt werken, compleet met champignonsaus, aardappelkroketjes en salade. Onafrikaans lekker.

De vreugde was van korte duur, want toen ik mijn gratis kampeerplek opzocht en Landcruiser in een aangename positie probeerde te manoeuvreren raakte ik, achteruitrijdend, een boompje. Ik had eerst niet eens in de gaten dat ik schade had, totdat ik vond dat de auto wel goed stond en de achterdeur probeerde te openen. Dat ging niet. Er zat een kleine, nauwelijks zichtbare deuk in, die desondanks het handvat en het slot blokkeerde. Ik kon er niet in. Dat was nogal onhandig natuurlijk en samen met de lodge-eigenaar wrikte ik het achterruitje eruit. Nu kon ik in ieder geval naar binnen klimmen. De volgende dag bezocht ik de lokale garage, maar die was dicht. De dag erna stond ik er weer, maar hadden ze geen tijd. ’s Middags kon ik terecht, maar kregen ze, zelfs met een koevoet, de deur niet open. De derde dag lukte het uiteindelijk wel, alleen kon nu de deur niet meer dicht. Dat wil zeggen, niet meer op slot. Ik moest een nieuw slot en een nieuw handvat, of, in het ergste geval, een hele nieuwe deur. Zoals alles in Namibië ligt Kamanjab nogal nergens en onderdelen hadden ze er niet. Daarvoor moest ik naar Windhoek. Nu moest ik toch al naar Windhoek, voor een nieuwe achterruit, waar al in Ethiopië een steen doorheen gegaan was en die ik in Nairobi had laten vervangen door een mindere kwaliteit glas. Bovendien moest ik ook een nieuwe voorruit, waar inmiddels drie sterren in zaten, en nieuwe banden. Kortom, naar Windhoek was het probleem niet, dat zat in de planning, maar de reparatie van de deur bleek oneindig veel moeilijker dan ik op dat moment anticipeerde.

IMG_6531

Etosha is voor Namibische begrippen maar een kleine omweg als je van Kamanjab naar Windhoek moet. Hoewel ik eigenlijk al had besloten het park over te slaan – wat konden ze er in godsnaam nog voor wild hebben dat ik niet al gezien had? – kon ik toch de verleiding niet weerstaan om er een dagje doorheen te rijden. Etosha draait om de waterholes en daar komen alle dieren tegelijk bij elkaar. Olifant, giraf, zebra, gnoe, springbok, oryx, kudu en jakhals in één plaatje, dát had ik nog niet gezien. Bovendien zou het een van de beste plekken in Afrika moeten zijn om de zwarte neushoorn te zien (die overigens helemaal niet zwart is, maar zo genoemd wordt om hem te onderscheiden van de witte neushoorn, die overigens ook niet wit is, maar zo genoemd wordt omdat hij een brede bek heeft. Huh? Welnu, ze zijn beide grijs, maar de witte neushoorn heet in het Engels eigenlijk wide rhino, vanwege dus die brede bek. En dat is verbasterd tot white, waardoor die andere black is gaan heten. Of het waar is weet ik niet, maar dat is het verhaal). Ik kreeg waarvoor ik kwam. Bij de verschillende waterholes verzamelden zich inderdaad de hele rataplan aan wild en onderweg spotte ik nog een stuk of wat leeuwen. De uitsmijter kwam ’s avonds toen ik, veel te laat, in het donker, bij de lodge aankwam. Nu zijn de lodges in Etosha van een bijzonder slag. Ze zijn gebouwd aan de rand van een waterhole waar met name bij zonsop- en ondergang de dieren komen drinken. Je krijgt dan het merkwaardige fenomeen dat al die ‘avonturiers’ die overdag in een gehuurde safariauto met chauffeur over de vlakten zijn rondgereden, ’s avonds met een biertje op het balkon van hun luxe bungalow gaan zitten om te kijken naar badende olifanten. Want dat waterhole, daar staan dus gewoon een paar schijnwerpers op. Met zacht geel schemerlicht – olifanten zijn natuurlijk niet helemaal gek – maar toch, het heeft langzamerhand verdacht veel weg van een Burgers’ Bush XL. Het past allemaal perfect in het aangeharkte, risicoloze, onafrikaanse Namibië. Etosha is avontuur op zijn Duits: het echte werk, maar wel met een schone broek. Tegelijkertijd moet gezegd: ik zat daar wel degelijk ook gefascineerd twee uur lang naar badende, ruziënde en piepende (voor zo’n groot beest maakt een neushoorn nogal een zielig hoog geluidje) black rhino’s te kijken – een ervaring die zonder die schijnwerpers onmogelijk was geweest.

IMG_6633

Operatie Repair Back Door begon op zaterdagmorgen in Windhoek, toen Toyotadealer Pupkewitz** wel open was, maar er niet gewerkt werd in de workshop. Wachten tot maandag dus. Ik had onderdak gevonden bij Cardboard Box Backpackers, dat zijn naam eer aandeed vanwege de ondermaatse faciliteiten, maar dat helemaal goed maakte door de, ik zou bijna zeggen gemütliche sfeer. Het was een van de weinige plekken die ik ben tegengekomen waar de lokale bevolking daadwerkelijk mengt met het toeristenvolk en de rondhangende Europese piloten op zoek naar werk. Het zal met de naburige universiteit te maken hebben die de bar aan het zwembad voorziet van jonge hippe studenten, die niet te beroerd zijn een praatje te beginnen. Het ontaardde die zaterdagavond allemaal in een groots feest in de stad waarbij ik weer eens een van de laatsten was die naar huis ging en over het hek moest klimmen om binnen te komen, omdat de bewaker lag te pitten.

Maandagmorgen meldde ik mij weer bij Pupkewitz. Die deur, tsja, daar konden ze niks aan doen, daarmee moest ik naar een panel beater. Ook daar waren ze snel klaar met mij: niet te repareren, er moest een nieuwe deur in. Waar ik die kreeg? Bij Toyota. Ik terug naar Pupkewitz. Een nieuwe deur? Nee, die hadden ze niet. Kon besteld worden in Japan. Wachttijd: vier tot zes weken. Ja, dank je de koekoek, onmogelijk. Na even doorvragen bleken ze ook nog wel iemand anders te kennen die de deur wel kon maken. Als nieuw, zei die, maar dan moest ik wel ergens een handvat en een slot vandaan halen. Ze keken er moeilijk bij, maar gaven me een adres waar ik het kon proberen. Ondertussen had ik ook de honorair consul van Nederland in Windhoek opgesnord, die mij voorzag van een note verbale in verband met het aanvragen van een visum voor DRC en en passant ook de garage aanraadde van Robert – een Duitser, hoe kon het anders. Roberts garage lag op de route naar het adres waar Pupkewitz me heen gestuurd had. Een handvat en een slot? Nee, die had hij niet. Hij kon wel de deur repareren, als ik de onderdelen ergens kon vinden. Het adres dat ik had was de plek waar ik moest zijn, zei hij. Als ze het daar niet hadden, hadden ze het nergens.

Ik kwam aan bij een garage die gespecialiseerd was in Landcruisers. En er stond eenzelfde auto als die van mij voor de deur (met een Duits kenteken, uiteraard), klaar voor een eenzelfde soort expeditie. Dat bood hoop. Het mannetje achter de onderdelenbalie fronste zijn wenkbrauwen, timmerde wat op zijn toetsenbord en zei: ‘Nee, heb ik niet. Kan ik bestellen, in Japan. Wachttijd: zes weken, als je geluk hebt.’ Hij moet de wanhoop in mijn ogen gezien hebben, want hij tikte nog wat door op zijn computer, tuurde naar het scherm, kantelde zijn hoofd naar de ene, toen naar de andere kant. ‘Ik heb wel een handvat voor een voordeur. Dat past misschien.’ Een monteur haalde ergens een handvat vandaan, dat we vergeleken met mijn verbogen exemplaar. ‘Moet kunnen,’ was het oordeel van de kenners. Ok, nu had ik een handvat, maar nog geen slot. Terug naar Robert.

‘Ik heb een Landcruiser staan in reparatie,’ zei hij, ‘en ik moet toch wachten op onderdelen. Ik kan het slot daaruit halen en zelf een nieuw bestellen. Maakt voor mij niks uit.’

Ik ben niet zo van het knuffelen van wildvreemde mannen, maar ik stond op het punt Robert om de nek te vliegen. In plaats daarvan reed ik terug naar de Landcruiser garage om het handvat te halen. Na drie dagen voortdurend tussen hoop en vrees heen en weer rijden in Windhoek kon de reparatie nu eindelijk beginnen. Dacht ik. Totdat ik de volgende morgen het handvat aan Robert liet zien.

‘Niet hetzelfde,’ zei hij. En, net op tijd, voordat ik de andere deur aan gort sloeg van frustratie (of, waarschijnlijker, mijn hand brak bij de poging), voegde hij daaraan toe: ‘Maar we maken het wel passend.’ Ik stel voor dat mensen met een zwak hart niet met de auto naar Afrika gaan.

In twee dagen mepten ze met geweld de deur recht, plaatsten slot en handvat en spoten het geheel over in Landcruisers eigen witte kleur. Het zag eruit alsof er nooit iets gebeurd was en enige tijd later bleek de verzekering de kosten nog te betalen ook. Het had al met al een week geduurd, maar weer had ik gewonnen. In mijn strijd tegen Afrika stond ik nu toch echt een straatlengte voor. En toen moest de procedure voor een Angolees visum in Oshakati nog beginnen (zie De aanhouder (of hoe je een visum regelt voor Angola)).

20150219_121831

Het belangrijkste hoofdstuk in The last train to Zona Verde van Paul Theroux is dat waarin hij zijn desillusie beschrijft wanneer hij het Ju/’Hoansi-volk bezoekt. Naar dat volk, dat leeft in het uiterste oosten van Namibië, bij Tsumkwe nabij de grens met Botswana, is veel onderzoek gedaan, omdat het rechtstreeks afstamt van de eerste mensen op aarde, de San. In tegenstelling tot vele andere volkeren zijn de Ju/’Hoansi geen migranten – ze hebben altijd ongeveer daar geleefd waar ze nu nog leven, ver weg van alle moderne beschaving en met behoud van hun oeroude tradities. Tenminste, dat was de verwachting van Theroux. Wat hij aantreft is een krakkemikkig dorp zoals alle andere in Afrika, waar niemand werk heeft en iedereen vooral rondhangt en drinkt. Na de jacht op traditionele wijze, waar geen wild geschoten wordt omdat het er niet meer is, trekken zijn begeleiders hun gewone kloffie weer aan, bestaande uit een afgedankt westers t-shirt en een kapotte broek. Waar hij getuige van was blijk niets meer dan een voor toeristen opgevoerde show van een leefwijze die niet meer bestaat. En op de conferentie die hij bijwoont kijken de plaatselijke jongeren met net zoveel verbazing naar oude filmbeelden van hun voorvaderen als hijzelf.

Het verhaal van Theroux sluit aan bij mijn ervaringen tijdens deze reis en zeker ook bij mijn ervaring in Namibië. Opvallend vind ik dat Theroux zo verbaasd is over wat hij aantrof. Mij kan, als aanvankelijke nieuwkomer in Afrika, enige naïviteit nog vergeven worden, maar ik zou verwachten dat Theroux, die toch een uitgebreid cv heeft als het gaat om leven en reizen in Afrika, beter zou weten. Zelfs hij had nog een beeld van een soort ‘echt’ Afrika, zelfs hij had nog het idee dat de ongerepte wildernis met door de huidige tijd onaangeraakte volkeren nog ergens bestond. Of misschien was het gewoon hoop en is die hoop door zijn ervaring bij de Ju/’Hoansi definitief de grond in geboord. Hij concludeert: ‘Being wrong and disillusioned seems an inevitable consequence of any serious African journey.’ Ik vermoed dat zijn desillusie in Namibië de voornaamste reden is dat hij zijn geplande reis uiteindelijk niet voltooit (hij wilde van Kaapstad naar Timboektoe in Mali, maar stopt in Angola).

Hoewel ik die desillusie van Theroux graag met eigen ogen had willen aanschouwen reisde ik niet naar Tsumkwe. Het gedoe met de deur had zoveel tijd gekost dat ik, zelfs al heb ik niet echt een planning, het gevoel begon te krijgen dat ik een beetje voort moest maken, wilde ik het rondje Afrika ooit binnen het budget af krijgen. Bovendien lag er nog een andere wildernis en een ander ‘traditioneel’ levend volk op me te wachten, in het noordwesten, wat een stuk meer in de richting was van waar ik heen wilde. Ik scheurde over de hoofdweg vanuit Windhoek terug naar Kamanjab en wentelde me, voordat ik mij opnieuw in het avontuur stortte, nog enkele dagen in de luxe van Oppi Koppi Restcamp. Daar deed ik even een Paul-Theroux-tje en bezocht een dorp van de Himba’s, een volk dat de oude tradities in ere houdt, maar ook zo slim is om daar een toeristisch slaatje uit te slaan – er is geen eenvoudig bereikbare ‘Himbakraal’ waar je zonder te betalen rond kunt lopen. En dit is wat Afrika is, wat wij westerlingen er ook van vinden of van verwachten. In plaats van Afrika aan te willen passen, en te verwachten dat al die volkeren, geheel los van onze eigen verdorven maatschappij, traditioneel, puur en duurzaam blijven leven, zodat wij ons daaraan kunnen vergapen, moeten we misschien ons beeld van Afrika aanpassen. Hoe zouden wij er tegenaan kijken als iemand het Europa van pakweg vijfhonderd of duizend jaar geleden zou beschouwen als het ‘echte’ Europa?

IMG_6776

Toch is er wel degelijk een duidelijke grens tussen ‘Duits’ en ‘Afrikaans’ Namibië. Net zoals door Botswana loopt er ook door Namibië een veterinary fence; een hek dat, zoals ik het begrepen heb, bedoeld is om het overslaan van ziekten van wilde naar gedomesticeerde dieren, en andersom, tegen te gaan. Nog afgezien van het feit dat de controle op mij nogal slap overkwam snap ik niet hoe het werkt. Ik zag zowel binnen als buiten het hek zowel wilde als gedomesticeerde dieren. Wat het hek wel doet is, zoals Theroux in zijn boek ook heel terecht (maar in iets andere bewoordingen) constateert, het Duitse deel van het Afrikaanse deel scheiden. Het lijkt zowaar alsof ook de zwarten binnen het hek gedomesticeerd zijn en buiten het hek in het wild mogen leven. Wonen en werken ze binnen het hek voornamelijk op de landgoederen van rijke blanken, buiten het hek wonen ze in hutjes en schrapen ze hun levensonderhoud bij elkaar door zelf een beetje te boeren. Misschien zijn de ‘wilde’ dieren die binnen het hek op de landgoederen leven dus ook gewoon gefokt en ingeënt tegen vanalles en nog wat, terwijl buiten het hek de echte wilde dieren leven. Wat zou suggereren dat het zowel voor die ‘echte’ wilde dieren als voor het vee van de zwarten niet zo belangrijk geacht wordt of ze wel of niet ziek worden. Maar dat is giswerk van mijn kant. Feit is dat het leven binnen en buiten het hek nogal verschilt. En het was de wereld buiten het hek die ik ging verkennen.

IMG_6806

Het Kaokoveld is de wildernis zoals je hem wilt hebben: nog uitgestrekter, nog leger dan de rest van Namibië, en nog steeds toegankelijk, soort van. Even ten noorden van Kamanjab verliet ik de asfaltweg die Windhoek met Opuwo verbindt. De weg werd een dirt track door wat kleine dorpjes en veranderde daarna in een spoor. Ik wist wat er ging komen en hield mijn hand aan de 4×4-versnellingspook om onmiddellijk naar de vierwielaandrijving te kunnen schakelen als het zover was. Even nog raakte ik het spoor kwijt, stapte uit om te zoeken en koerste enigszins op goed geluk verder. Maar ik had goed gegokt, het spoor keerde terug en daar was wat ik aan had zien komen: zand. De Khowarib Schlucht is een droge rivierbedding waar van tijd tot tijd een gek met een Landcruiser doorheen rijdt. Ik schakelde naar de 4×4 en gaf gas. De kunst is om momentum te houden, te zorgen dat je vooral niet te langzaam gaat, want dan sta je op een gegeven moment stil en kom je niet meer weg, omdat de spinnende wielen zich ingraven. De bochten zijn het moeilijkst, wanneer de banden wegslippen, grip verliezen en je dus vertraagt. Verder dan vol gas in de tweede versnelling kom je niet en soms moet je terug naar de één. Niet te vroeg, want dan krijgt de auto een schok en staat-ie stil, niet te laat, want dan ga je al zo langzaam dat je er ook niet meer uitkomt. En sturen. Het diepe zand hier ontwijken, een steen daar. Kan ik onder die overhangende tak door? Ja, nee, het moet! Landcruiser krijgt een klap, maar ik moet door, anders wordt het graven. Fuck, een olifant. Een olifant?! Ik zei al, dit is het deel van Namibië waar wild nog wild is en ja, ze zijn er, de olifanten. Ik zie er drie, maar durf maar één keer te stoppen. Mochten ze het op hun heupen krijgen dan kom ik niet snel genoeg weg. En dus cross ik door, door, door.

IMG_6788

En dan sta ik toch stil. Een bocht, te laat geschakeld. Volle kracht achteruit, volle kracht vooruit, low gear, ja, ja, ja, ik beweeg weer, langzaam, langzaam, doortrekken nu… ennn…. daar gaan we weer. Het gebeurt me enkele keren, maar Landcruiser laat zien waarom hij mijn vriend is. Steeds kom ik erdoor zonder dat ik uit hoef te stappen om te graven. De hele dag werk ik me achter het stuur in het zweet, dan ben ik eruit. Ik vind zowaar een officiële kampeerplek (wat vaak niet meer betekent dan dat er op een gegeven moment iemand geld komt halen omdat je op zijn land staat) aan een klein stroompje. Het koele water en een koud biertje zijn de simpele maar perfecte beloning. En een kopje thee met een chocolaatje, na het eten, onder de stilte van de sterren, in het maanlicht dat weerkaatst in de kabbelende zwarte spiegel naast me.

De tweede nacht slaap ik op een heuvel die me doet denken aan de beste kampeerplek die ik had in Iran, op het eiland Qeshm. Toen keek ik vanuit mijn toplocatie uit over een eindeloze watervlakte, nu ben ik omringd door een zee van zand. Het zijn die plekken waar het om gaat; het totale, ultieme alleen-zijn met de natuur, die in haar onmetelijke grootsheid haar onverschilligheid toont. Jouw aanwezigheid, en die van alle anderen, is van geen enkel belang. Die berg daar was er al lang, lang voordat jij hier was, en zal er nog zijn lang, lang nadat jij bent verdwenen. Mensen met een te groot ego moeten eens een tijdje gaan wildkamperen in het noordwesten van Namibië. Dat zal ze leren.

IMG_6862

Op dag drie van mijn expeditie bleek dat ik bepaald niet alleen was. Ik had geen haast en besloot een zijweg in te slaan, die volgens mijn GPS naar de kust liep en aangegeven werd als een 4WD-track. Voor wie anders dan voor Landcruiser zou zo’n weggetje bedoeld zijn? Landcruiser kan alle wegen aan, zeg ik altijd, en als Landcruiser er niet meer doorheen komt, houdt het op een weg te zijn. Ik draaide richting westen. Ik had misschien een half uur gereden toen drie dieren, die een moment daarvoor nog deel van de boom leken te zijn, zich ineens losmaakten van hun achtergrond en over de weg renden. Onmiddellijk trapte ik op de rem en greep naar mijn verrekijker. Wat ik met mijn komst had gestoord bleken drie cheetahs te zijn. Cheetahs! Die zijn misschien nog moeilijker te spotten dan luipaarden en ik had ze maar een keer eerder gezien, in de Masai Mara in Kenia. Misschien was ik dan nu in het Afrika van mijn dromen aangekomen. Misschien begon het ‘echte’ Afrika ten noorden van het veterinary fence in Namibië.

Hoe verder ik richting zee kwam, hoe losser en dieper het zand werd. Ik schakelde heen en terug tussen 2 en 4WD en passeerde ondertussen struisvogels, oryxen en springbokken. Het landschap werd steeds mooier, waardoor ik mij toch weer liet verleiden een fotostop te maken. Fout! Nadat ik mijn kiekjes gekiekt had en instapte om weer weg te rijden, groef Landcruiser zich in. En deze keer kwam ik er niet meer uit. Ik moest er eigenlijk wel om lachen en begon als een bezetene te graven, een zesendertiggradenzon op mijn kop en zwetend als een kaas in een groentekas. Na twintig minuten kon ik weer verder.

IMG_6942

Het spoor leidde steeds verder de duinen in en op een gegeven moment passeerde ik het bordje ‘Skeleton Coast National Park – Verboden Toegang’ waarvan mij verteld was het te negeren. Dat deed ik trouw. Wie ging mij hier controleren? Van de andere kant: Afrikanen hebben de neiging overal vanuit het niks op te duiken, en met die Duitsers weet je het nooit. Niet helemaal gerust reed ik toch door; ik had mijn zinnen gezet op een fabuleuze kampeerplek aan het strand en met bangeschijterij kom je nergens. Toch besloot ik na een half uur om te draaien. Hoewel er over de algemene richting geen misverstand kon bestaan, was het pad op mijn GPS niet meer te zien. En ook in werkelijkheid verdween het spoor om de zoveel tijd, omdat er een duin overheen was gewaaid, waar ik dan deels omheen, deels doorheen moest. En die duinen werden steeds groter. Ik bedacht dat ik alleen was, op verboden gebied, dat niemand wist waar ik was, dat ik geen bereik had op mijn telefoon en dat het over een uur of twee, drie donker zou zijn. Het was een van die weinige keren dat ik echt graag met twee auto’s had willen zijn.

Gedurende de volgende twee dagen stak ik van de Hartmann Valley over naar de Marienfluss Valley. Ik passeerde verschillende Himba-dorpen, die uit niet veel meer bestonden dan een rondje van in de grond gestoken losse takken, waarbinnen een paar hutjes stonden en ’s nachts ook het vee onderdak vond. Tijdens een van mijn lunches hoorde ik ergens gelach en gezang van vrouwen. Ik ging eropaf om mijn kans op een ongedwongen en spontane ontmoeting te grijpen. Ik was nu zo ver van de moderne beschaving dat de steek-je-hand-uit-als-je-een-blanke-ziet-reflex misschien nog niet was ingeburgerd. Maar ik kon niemand vinden. Ook het geluid was weggestorven, dus het leek erop dat ze mij wel gespot hadden en niet van zins waren me te ontmoeten. Erger was dat ik ook Landcruiser niet meer terug kon vinden. Ik was een eindje de bush in gelopen en het leek mij wel duidelijk hoe ik terug moest. Dat bleek een vergissing. Ik had in Zuid-Amerika in het Boliviaanse regenwoud die ervaring al eens gehad: hoe onwaarschijnlijk ook, loop drie meter het bos in en alle bomen zien er hetzelfde uit. Ik maande mijzelf tot kalmte en liep in de richting waarvan ik dacht dat het de goede was. Na een minuut of tien zag ik het wit van Landcruiser door de bomen schitteren. Het had allemaal niet heel lang geduurd en het was geen drama, maar ik vatte het wel op als een waarschuwing: ‘Pas op, hoe veilig je je ook voelt, je bent hier niet thuis.’ En weer realiseerde ik me hoe ver thuis eigenlijk weg was. Naast dat me dat weer alert maakte op de mogelijke gevaren, gaf het me ook een immens gevoel van voldoening. Misschien was dit de state of mind van de werkelijke avonturier; voelen dat je voor een uitdaging staat die je mentale grenzen tart, die je zintuigen op scherp zet, en tegelijkertijd merken dat je de zaak, vooralsnog, onder controle hebt.

IMG_7012

Ik kreeg toch mijn spontane ontmoeting met de Himba’s, toen ik een stukje een rivierbedding inreed op zoek naar een dam die daar moest zijn. Die dam was er en er omheen speelden kinderen. Het duurde niet lang of er stonden ook een stuk of vier volwassenen om mij heen. Ze kwamen uit een nabijgelegen dorp, begreep ik toen ik in mijn beste OtjiHimba (bestaande uit het uiten van Engelse kreten ondersteund door handen- en voetenwerk) probeerde te communiceren. Ze wezen op hun eigen kapotgelopen schoenen en vervolgens op die van mij (ook kapot, maar een beetje minder). Aan die ruil kon ik natuurlijk niet beginnen. Ik mocht wel nog een paar fotootjes maken. Daarna was de gespreksstof op en begaf ik mij weer naar dat wat de doorgaande weg moest heten, al was er langzamerhand van een doorgang nauwelijks nog sprake. Het pad werd steeds nauwer, met dichte begroeiing op schouderhoge zandmuren aan beide kanten. Het ging ook omhoog, over stenen die bij de aanleg uit de grond omhoog geploegd leken, waarna vergeten was dat het doel van de operatie een begaanbare weg was. Vervolgens leek iedereen vergeten dat er überhaupt sprake was geweest van een operatie, en een doel, waarna de erosie er een paar jaar lang ongestoord overheen geragd had. Desondanks stond het pad op mijn GPS als een 4WD-trail en had ik bovendien niet veel meer keus dan inderdaad doorgaan. Dit was ongeveer de grens van wat Landcruiser aankon. Ik hobbelde in eerste versnelling low gear over uitstekende rotspunten en stond regelmatig stil om de volgende hobbel te kunnen nemen. Landcruiser viel linksvoor in een gat, dan rechtsachter, dan met de hele achterkant. Mijn clearance was regelmatig niet hoog genoeg en ik beukte om de zoveel tijd met de trekhaak op een kei (het is dat ik dat geluid inmiddels wel kende, anders had ik gedacht dat de hele auto uit elkaar viel). Maar ik ken Landcruiser nu een beetje en technisch rijden ligt mij beter dan op volle kracht door het losse zand scheuren en eigenlijk had ik wel lol.

IMG_7078

Ik eindigde in een fijne lodge in Epupa Falls, in het uiterste noorden, direct aan de Kunene, de rivier die de grens met Angola is. Vijf dagen had ik door de wildernis gecrosst, de ‘echte’ wildernis, zonder dat ik het gevoel had dat ik in een oversized zoo terecht was gekomen. Dit was pas echt waar ik voor gekomen was, dit was het Afrika dat ik zocht. En aan de overkant van die snelstromende bruine rivier lag Angola. Paul Theroux heeft in zijn boek geen goed woord voor over voor dat land, en stak bijna met angst en beven de grens over (nadat, toegegeven, zijn identiteit gestolen was). Maar ik had er wel zin in, ondanks dat ik, evenals Theroux, zo goed als geen informatie had over waar ik mij in ging storten. Maar hee, was ik nou een avonturier, of niet?

Liefs,

N

 

* De Sterreberg is een grote hoop rul zand in de bossen in de buurt van waar ik vandaan kom. Als jongetje ging ik er weleens heen om te ravotten en als iets groter jongetje kwam ik er met de voetbalclub, om door dat pokkezand naar boven en naar beneden te stiefelen, zodat de conditie op peil bleef.

** De naam Pupkewitz vertegenwoordigt voor mij Namibië. Niet alleen lijkt de halve middenstand in Namibië in handen te zijn van deze familie – je komt de naam te pas en te onpas tegen op reclameborden van winkels en garages – het is ook en vooral het Duits met een exotisch tintje dat de naam zo typisch passend maakt bij het bizarre land dat Namibië is. ‘Het zijn geëmigreerde Duitse joden,’ zei iemand.

Advertenties

5 Reacties to “Het is hier geen Afrika (of misschien toch?)”

  1. Anne Sloot 9 mei 2015 bij 14:18 #

    Prachtige verhalen schrijf je, groeten uit Tanzania

  2. Theo en Jopie van den Ende 9 mei 2015 bij 15:31 #

    Het lijkt zo kort geleden dat je ons ontmoette, wij met een gebroken distributie riem ver van de bewoonde wereld in Uganda, jij samen met je vriend op weg naar Lake Bunyony. Je was al lang onderweg en moest ook nog heel ver. Het is toch inmiddels al ongeveer een jaar geleden dat wij je daar ontmoet hebben. Wij wensen je nog een mooie tijd en een goede maar vooral veilige reis.

    Groet van Theo en Jopie.

    • niemandonderweg 11 mei 2015 bij 12:39 #

      Dank je wel! Soms lijkt het inderdaad net alsof het gisteren was, haha! Ik heb hele goede herinneringen aan Uganda. Leuk dat jullie me nog steeds volgen!

  3. Willem 7 juni 2015 bij 15:08 #

    Nu pas tijd om te lezen, je gaat nu verder dan waar wij stopten, heel benieuwd. Straks je Angola avonturen lezen. Have fun xxx

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: