Angola en de treurigheid

7 Jun

20150329_152625

Lieve I,

Voor ik de grens overstak wist ik twee dingen over Angola: accommodatie is er belachelijk duur, en het stikt er van de landmijnen. Dat laatste is de erfenis van dertig jaar burgeroorlog, en het eerste eigenlijk ook: door die oorlog is er geen infrastructuur voor toerisme en dus zijn alle hotels gericht op zakenlui. Zaken betekent hier olie, en olie betekent geld. En dus was mijn grootste zorg: waar ga ik slapen? Geen campsites, geen hotels die ik kon betalen, geen enkel stukje vrije grond in de wildernis dat zomaar te vertrouwen was. Maar voortdurende onzekerheid is de natuurlijke staat van de avonturier en vertrouwen in een goede afloop het enige soelaas. Vol goede moed reed ik Oshikango in, het eerste stadje van enige betekenis vanuit het zuiden in de richting van Lubango en de kust. Uit de krochten van mijn talenreservoir diepte ik mijn Spaans op en begon bij de Portugees sprekende bevolking zo goed en zo kwaad als dat ging rond te vragen naar slaapplekken. Ik kwam uit bij verschillende hotels die minimaal 50 euro vroegen voor een kamer en waar ik niet mocht kamperen, ook al hadden ze ruimte zat. Dit kon nog wel eens uiterst ingewikkeld worden.

Ik stond in een zijstraat omstandig uit te leggen wat ik zocht toen een glimmende nieuwe Toyota naast mij stopte en de chauffeur in het Engels vroeg of hij kon helpen.

‘Rij door’, zei hij, ‘na een kilometer of tachtig, net buiten Xangongo is een controlepost van de politie. Vraag de agenten of je daar mag staan.’

Het is altijd even aftasten in een nieuw land. Hoe reageert de lokale bevolking op een blanke vreemdeling in een oude Landcruiser? Kan ik geld pinnen en bij welke banken? Zijn er supermarkten en wat is daar te koop? En: wat wil de politie als ze je aanhouden? ‘Gasosa,’ had ik al gehoord, oftewel: frisdrank. Ik had voor de zekerheid een paar blikjes cola voor in de auto gelegd en een pakje sigaretten gekocht.

Het was al donker toen ik aangehouden werd. Dit was de plek. Nu maar hopen dat ze goede zin hadden.

‘Kamperen? Ja hoor, geen probleem. Ga daar maar staan. Of nee, daar, een beetje meer in het licht, dat is veiliger.’

Verder werden er geen woorden aan vuil gemaakt. De blikjes cola konden blijven waar ze waren. Alsof er elke dag iemand langskwam met een tent op het dak. Het hielp misschien dat ze daar zelf stonden te kamperen; een legertent in het gras, een waslijn aan de boom, een smeulend vuurtje en een scharrelende kip. En terwijl de politie doorging met het controleren van passerende vrachtwagens, installeerde ik me met een kopje soep naast de auto. Een kleine portie lef, een vriendelijke glimlach en een beetje vertrouwen – misschien was het allemaal een stuk simpeler dan ik dacht.

20150317_164532

In Lubango kwam ik terecht op de parkeerplaats bij het sportpark. De lokale jongeren trapten er een balletje, renden een rondje, kregen atletiekles in het enorme lege zwembad. De troosteloosheid droop van de afbladderende muren, van de scheef hangende hekken, van de gele waterfietsen op het droge, maar er hing een sfeer van opgewekte zorgeloosheid – de energie van een hoopvolle generatie. Het was er veilig, zei men, het licht zou aan blijven en er was de hele nacht bewaking. Er stond een geïmproviseerde hamburgertent en een semipermanente mobiele bar met een overdekt terrasje. Het ademde allemaal vergane glorie, of gemiste kans, zoals, zo zou later blijken, alles in dit land. Maar dit was het echte Angola; ik stond midden in het lokale sociale leven. Ik bestelde een hamburger bij de dames in de kraam en een Cuca, het lokale pils, van de tap en werd uitgenodigd aan een tafeltje door een jongen die een beetje Engels sprak. Ik keuvelde de dag weg in de avondkoelte en kroop tegen tienen achterin de auto in de slaapzak – om de aandacht niet teveel op mijzelf te vestigen vouwde ik de tent maar niet uit. Zó vertrouwd voelde het nou ook weer niet.

Ondanks mijn positieve ervaringen van de eerste twee dagen kon ik mijn draai niet echt vinden. Wat deed ik hier eigenlijk? Ik wist niet of nauwelijks wat er te zien of te doen was en dat wat ik wel zag – de Tundavala Kloof, Cristo Rei in Lubango, Serra de Leba – was mooi, maar niet overdreven spectaculair. Er waren wat parken, maar ik had geen idee van de bereikbaarheid daarvan en bovendien had ik al zoveel parken gezien dat ik bepaald geen onbedwingbare neiging voelde om er heel veel moeite voor te doen. Misschien was ik onderhand te lang onderweg, had ik al teveel gezien. Werd het tijd om aan een terugkeer te gaan denken?

IMG_7106

In Namibe aan de kust wist men de troosteloosheid tot kunst te verheffen door de boulevard langs het strand te verfraaien met een aftandse kermis. Ik probeerde een campsite te vinden die daar zowaar ergens zou moeten zijn, maar niet te bereiken was als gevolg van de jaarlijkse ‘Fiëstas del Mar’. Kraampjes, eettentjes en dus die in elkaar zakkende kermis versperden de weg. Er waren ook politieagenten, die, aan hun aantal en uitrusting te zien, de te verwachten menigte zo nodig met geweld in bedwang moesten zien te houden. Vooralsnog was de enige bezoeker een verdwaalde hond, die snuffelde aan wat visresten onder een afvalbak. Een van de agenten bracht me, via een omleiding, naar de campsite. Die had meer weg van een stadsparkje met speeltuin, bedoeld om een dag door te brengen met de kinderen, niet de nacht in een tent. Er was al jaren geen onderhoud gepleegd, de van oorsprong veelkleurige speeltoestellen waren alle verbleekt tot dezelfde kleur grijs met bruine roestvlekken, de wasbak in de doucheruimte zag eruit alsof hij elk moment de moed kon opgeven en zichzelf ter aarde zou storten. Het kostte omgerekend vijftien euro per nacht. Ik vroeg of ik niet gewoon op de parkeerplaats aan zee mocht kamperen, naast de kermis. Na enig aandringen kroop de agent met de staart tussen de benen naar zijn baas. Het mocht, maar niet op de parkeerplaats. De agent zou mij een andere plek wijzen. Op de terugweg naar de kermis vroeg hij of ik bier had, en of hij er niet eentje verdiende. Voor de verandering was ik het met hem eens. Hij wilde hem wel ter plekke (zijn baas mocht het niet weten), dus ik stopte, drukte hem een Cuca in de hand die hij, terwijl ik weer gas gaf, haastig opdronk, waarna hij het lege flesje zonder nadenken uit het raam flikkerde.

‘Kan ik niet hier staan?’ vroeg ik, toen we langs de parkeerplaats kwamen. Het was pal aan zee, een kleine strook strand tussen het asfalt en het water, er stonden wat bomen die schaduw gaven.

‘Niet veilig,’ zei hij en dirigeerde me de kermis op. ‘Hier,’ zei hij even later, en wees op de lege ruimte tussen twee kraampjes, direct naast de politiebus, midden op de kermis. Het was zo’n onmogelijke plek dat ik het weer grappig vond. Bovendien was het gratis, had ik het strand en de zee voor de deur en een overvloed aan eettentjes op koprolafstand. Misschien werd het vanavond wel feest.

Dat bleek ijdele hoop. Weliswaar blèrde uit elke speaker naar goed Afrikaans gebruik een volledig overstuurd en dus krakend volume aan herrie, veel meer dan een tweede verdwaalde hond kwam er niet opdagen. Wel kreeg ik bij een door de agenten aangeraden restaurant verse gegrilde vis met aardappelen en groenten die ik oppeuzelde terwijl op t.v. Barcelona weer eens een Champions League tegenstander in de pan hakte. Soms zijn het de kleine geneugten waar je het van moet hebben.

IMG_7135

Het is dat ik in Lucira last had van mijn darmen en er niet echt een wc in de buurt was, anders was ik er misschien een dag langer gebleven. Ik mocht er op het strand kamperen, opnieuw naast het kamp van de politie (weer een tent, weer een vuurtje, weer een waslijn en een paar kippen), op een heuvel, goed zichtbaar voor het hele dorp. Maar ze vielen me hier, en eigenlijk in de hele rest van Angola, niet lastig. Natuurlijk was er met enige regelmaat de verbaasde blik, het staren alsof ze nog nooit een blanke hadden gezien, maar er werd nauwelijks gezeurd, niet om geld, niet om aandacht. Ik kreeg zelfs eten aangeboden – er was rijst, zei de agent die mij ontving en mijn gegevens noteerde. Ik was graag op de uitnodiging in gegaan, ware het niet dat ik besloten had niks te eten in verband met die opspelende darmen, en het feit dat de wc die mij gewezen was zich aan de andere kant van het dorp bevond (oom agent had me er eerder op de brommer naartoe gebracht).

IMG_7154

In plaats van te eten observeerde ik wat men zoal doet in een gemiddeld vissersdorp: vis aan land brengen. Twee bootjes meerden aan en werden door een man/vrouw of tien deels het strand op getrokken. Manden vol vis kwamen tevoorschijn, die werden omgekieperd op het zand. De vis werd gesorteerd en geteld. Hier en daar liep iemand die er blijkbaar recht op had weg met een mooie buit, waarna enkele meiden het gros van de vangst in een plastic bak gooiden, die op het hoofd tilden en koers zetten naar de hutjes verderop, waar, zo vermoed ik, de markt was. Dit was een dagelijks ritueel, dat kon ik zien. De volkomen vanzelfsprekende manier waarop het ging, waarbij eenieder van iedereen wist waarom die daar was. Er was soms discussie, een vriendelijk soort onenigheid, maar geen ruzie. Er werden grapjes gemaakt, geld wisselde van hand. Hier was een dorp in alle rust bezig voor zichzelf te zorgen, met alle sociale relaties die daarbij hoorden. Er was een ingesleten structuur en organisatie die ik zag, zonder dat ik haar doorgrondde. Het waren de lijntjes die een dorp bij elkaar houden, maar voor een buitenstaander onzichtbaar zijn. Ik stond ernaar te kijken, een blanke met een camera, en eindelijk kon het een keer niemand wat schelen.

IMG_7193

Het was mijn vriend Gabriel in Namibië, die Angola kende en met wie ik de route besproken had, die de Zulu Bar in Lobito had aangeraden. Het was een bar en restaurant, geen hotel, maar Gabriel kende de eigenaar, en als ik meldde dat ik via hem kwam mocht ik er vast kamperen. En zo was het. Ik kreeg een ideale plek op het strand, onder de palmbomen, mocht het gastentoilet en de personeelsdouche gebruiken, stroom aftappen van het restaurant en inloggen op de wifi. ’s Avonds sliep ik in met de ruisende zee in de oren, ’s morgens rolde ik vanuit de tent de golven in. Ik bleef vier dagen, waarin ik mijn darmen tot rust liet komen, las in de hangmat, schreef in het restaurant en zwom in de zee. Het enige minpuntje was de drukkende, benauwende, vochtige hitte. Ik was de woestijn met haar droge en daarom draagbare hitte nu echt voorbij. Vanaf nu werd het tropisch; plakkerig warm, met regelmatig een enorme bak regen uit een zwarte donderwolk. En het zou alleen maar erger worden.

Op weg naar Luanda maakte ik een uitstapje naar de Quedas de Agua da Binga (watervallen) en het Mirador da Lua – opnieuw twee bezienswaardigheden uit categorie C. Ik waagde nog een poging bij de ingang van Parque Nacional da Quicama, maar reed snel door toen bleek dat het me ongeveer 100 dollar zou kosten om daar te overnachten. Luanda zelf was niet veel beter. De stad was volledig dichtgeslibt met dikke, nieuwe Landcruisers van olielui die de uitgezakte taxi’s van de velen die de tanker hadden gemist aan de kant probeerden te duwen.

IMG_7470

Uiteindelijk wist ik Clube Nautico te bereiken, de zeiljachtclub waar ik naar verluid gratis zou kunnen kamperen. Er was een grote parkeerplaats en de bewakers vonden het inderdaad prima als ik daar mijn tent uitvouwde. Ik mocht de openbare wc en douche gebruiken, al moest ik regelmatig met slaapogen op zoek naar iemand met de sleutel om de deur open te krijgen, en was er maar de helft van de tijd stromend water. Maar wie niet betaalt heeft geen recht tot klagen. Voordeel van de plek was dat er genoeg mensen met geld langskwamen die mij een merkwaardige verschijning vonden en even een praatje kwamen maken. Zo leerde ik Kelse kennen. Hij had eenzelfde Landcruiser als ik, alleen veel nieuwer en ongeveer tien keer duurder en hij was er voorlopig alleen mee naar Namibië geweest. Hij droomde van een reis als die van mij en dat schepte een band. Ik mocht de volgende dag met hem en zijn vrienden mee gaan vissen, maar eerst zouden we gaan stappen.

Teatro Elinga was vrijwel leeg toen ik er binnenstapte. Dat gaf niet, het was nog vroeg, en clubs als deze krijgen pas schwung na middernacht. Ik nam een bier aan de bar en maakte me geen zorgen. Dat veranderde toen het om één uur nog niet veel drukker was, de batterij van mijn telefoon waarschuwde dat hij stroom nodig had en mijn nieuwe vriend zich niet had laten zien. Toch was dit de place to be vanavond, zo had Kelse mij verzekerd. Uiteindelijk kwam hij dan toch binnen, twee dames in zijn kielzog. Het werd nog wel even gezellig, maar uiteindelijk was ook dit een feest met niet veel meer dan een C-status. Misschien lag het niet aan mij, misschien was dit land gewoon een derderangs toeristenoord.

Het vissen sloeg ik over. Het weinig geslaagde feest had desondanks de nodige biertjes gekost en mijn hoofd protesteerde tegen al te veel actie. Bovendien regende het weer eens, waardoor de drang om de tent uit de komen minimaal was. Toch was het niet allemaal ellende in Luanda. Ik had via Ben en Johan, twee Nederlandse motorreizigers (uit Heibloem, of all places) die ik kende uit Nairobi, contact gelegd met motorclub Amigos da Picada. De secretaris had een garage en omdat ik een vriend was van vrienden kreeg Landcruiser er een gratis check-up en ik een fijne lunch. Ook de volgende dag werd ik getrakteerd op een lunch, omdat Kelse zijn Landcruiser bij dezelfde garage langs kwam brengen en dat toeval met mij wilde vieren bij het beste steengrillrestaurant van de stad. En nog was er geen einde aan de gastvrijheid, want ’s avonds ging hij eten bij vrienden en mocht ik aanschuiven in een appartement met een maandelijkse huur ter hoogte van Landcruisers aankoopprijs en uitzicht op de verlichte baai. Mocht het landschap de verwachtingen misschien niet helemaal inlossen, de mensen die erin woonden maakten dat gemis volledig goed.

20150331_222852

Quedas do Calandula zou als attractie een Triple A status kunnen hebben. Hoewel iets kleiner, kunnen deze watervallen qua schoonheid concurreren met de Victoria Falls in Zambia/Zimbabwe en Iguazu in Argentinië/Brazilië. Maar dit was Angola en hier had het uitzichtplatform de burgeroorlog maar ternauwernood overleefd. Verderop was het beter, waar geen faciliteiten en geen hekken waren, waar de natuur haar gang kon gaan en je jezelf naar hartenlust te pletter kon storten, mocht dat je voorkeur hebben. Als je er tenminste in slaagde de haveloze jongetjes van je af te slaan die zichzelf tot vervelens toe aanboden als gids voor iets waarvoor je zelf geen moeite hoefde te doen om het te vinden – het was welgeteld vijftig meter van de parkeerplaats naar het uitzichtpunt. Toch huurde ik er eentje in, want ik zag ook mensen beneden bij het water en de weg daarheen was minder duidelijk. Ik glibberde over een steil pad door de jungle naar beneden, waadde kniediep door het water en stond tot aan de enkels in de modder. Dat zou anders kunnen, ik zag de mogelijkheden: een prachtige wandeling door de natuur, over houten bruggetjes, eindigend onderaan de waterval. Die Angolezen zouden eens in Iguazu moeten gaan kijken. Maar de autoriteiten hadden het waarschijnlijk te druk met het vullen van hun zakken met oliegeld, terwijl de lokale kinderen met tien tegelijk aan de broek van de weinige bezoekers moesten gaan hangen om een schraal handje rijst te verdienen.

20150403_123455

Gabriel had me aangeraden niet bij de watervallen te overnachten, omdat er teveel onguur volk rondhing, dus ik reed verder naar het noorden. Het lukte niet om Uige te bereiken, dus toen ik in de schemer een politiepost tegenkwam waagde ik opnieuw een poging: wisten ze misschien een plek om te kamperen? De agent maakte een weids gebaar, als in: doe je best, vriend, ruimte zat. Ik zocht een plekje net uit het zicht van het politiekamp – een stel goedgezinde agenten in de buurt was wel fijn, maar aan pottenkijkers had ik niet per se behoefte – en kookte mijn vertrouwde bordje pasta. Dit zou vanaf nu tot aan de grens met de Democratische Republiek Congo (DRC) de procedure worden. Er waren bij mijn weten geen bezienswaardigheden meer tussen hier en de grens en ik zou de komende dagen gewoon op mijn gemak gaan rijden en zien waar ik aan het eind van elke dag was en daar een geschikte slaapplaats zoeken.

Het plan was om via M’Banza Congo naar grensplaats Luvo te rijden, maar net na Lucunga ging het mis. Ik had nog gevraagd of ik op de goede weg zat en men had ja geknikt. Niemand zei erbij dat het onmogelijk was om het met de auto te doen. Een tijd lang ging het goed, al werd de weg steeds smaller. Er was een autospoor, maar daarvan verdween steeds de helft onder het hoge gras – nu eens aan de ene kant, dan aan de andere. Er kwamen hier niet veel auto’s, zoveel was duidelijk. Dat feit stemde mij in het begin nog vrolijk: ik zat op een route waar vrijwel niemand kwam, dat bracht de avonturier in mij naar boven. Zingend ploegde ik door het steeds dichter wordende groen. Zolang er een spoor was maakte ik mij niet druk. Totdat een kloof het spoor kruiste. Ik zag het net op tijd. Een beekje. Niet meer dan twee meter breed, maar drie meter in de diepte. Ooit was er een bruggetje geweest, maar nu lag er slechts een enkele stalen balk overheen. Net genoeg om te voet over te steken, maar Landcruiser kon er met geen mogelijkheid door. Er was geen keus, ik moest terug. Draaien was nog een hele kunst, waarbij ik Landcruiser eerst vooruit, daarna achteruit met volle kracht het struikgewas in manoeuvreerde, onderwijl een tak ter grootte van een jonge berkeboom meesleurend, die bijna door de voorruit ging.

Terug in Lucunga moest ik mij eerst registreren voordat ik mocht blijven. Er waren drie of vier mensen bij betrokken die allemaal hun zegje moesten doen en er moest een kopie van het paspoort gemaakt worden, die ik zelf bleek te moeten betalen. Maar het ging allemaal allervriendelijkst en uiteindelijk kreeg ik een plek naast het politiebureau, waar ik veilig was en ze me in de gaten konden houden. ’s Morgens werd ik gewekt door de drukte bij de centrale watervoorziening die achter de auto bleek te zijn en waar het hele dorp zijn jerrycans kwam vullen voordat het water weer op was. Opnieuw was ik getuige van zo’n typisch dorps ritueel, al kon men mijn camera nu een stuk minder waarderen.

IMG_7582

Om M’Banza Congo te bereiken moest ik helemaal terug naar de kust, naar N’Zeto. De weg was niet meer dan een modderig pad dat door de jungle liep, langs het soort armetierige dorpjes waarmee ik inmiddels bekend was. Eén keer reed ik mij vast in de modder. De weg vertoonde diepe gaten en Landcruiser kwam met de ‘buik’ vast te zitten op een heuveltje, waardoor alle vier de banden hun grip verloren. Drie jongens op een scooter schoten mij te hulp en met zijn vieren krikten we de auto op, groeven de modder weg en duwden takken onder de wielen. Een klein uur later kon ik weer verder, over het pad dat erlangs liep en dat ik had gemist. Als dank gaf ik de jongens de blikjes cola en wat geld. Ik deed uiteindelijk 10 uur over 150 kilometer. Onderweg kwam ik twee Poolse missionarissen tegen. Ik rook mijn kans, maakte kennis en mocht hen inderdaad volgen naar hun missiepost in N’Zeto. Daar wezen ze me een plek en lieten me verder aan mijn lot over. Ik vond het best, ik was weer veilig en er was zelfs een douche met een straaltje water om de modder weg te spoelen.

IMG_7600

Het zou nog twee dagen duren voor ik de grens bereikte. Het werd Noqui, omdat een Portugese vrachtwagenchauffeur mij waarschuwde voor de corruptie aan Congolese kant in Luvo. In Noqui deden ze minder moeilijk, zei hij. Ik was er tegen vijven, wat betekende dat ze gingen sluiten. De douanier wilde wel mijn paspoort stempelen, maar ik mocht pas de volgende dag de grens over. Ook goed, er was een grote parkeerplaats voor vrachtwagens waar ik kon kamperen en het geheel lag op een heuvel, waardoor ik een weids uitzicht had over de rivier de Congo. Mijn God, de machtige, legendarische Congo. Ik haalde mijn stoeltje en een koude Cuca uit de auto en ging er even voor zitten. De zon wierp haar laatste licht uit over het water, een vrachtboot lag roerloos te wachten op de nacht. Ik dacht aan Apocalypse Now, en aan Heart of Darkness van Joseph Konrad, het boek waarop de film gebaseerd was en dat ik op Zanzibar had gelezen. De laatste regel echode in mijn hoofd: ‘The horror! The horror!

Congo. Morgen ging ik erheen.

Liefs,

N

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: