Centraal Afrika en de akkefietjes

1 Jul

IMG_7649

Lieve I,

Ik stel voor dat je de kaart er even bij pakt, wat dit wordt ingewikkeld als je de geografie van dit stukje Afrika niet heel goed kent. Of kijk hier gewoon even mee.

Er zijn grofweg drie mogelijkheden om vanuit Matadi, net over de grens vanuit Angola, door Congo Kinshasa (DRC) naar Congo Brazzaville te rijden. Alle drie hebben een serieus nadeel. Voor wat betreft de conditie van de weg lijkt de route via Kinshasa de beste – volgens mijn Michelinkaart loopt er een heuse snelweg van Matadi naar Kinshasa. Maar ja, Kinshasa. ‘Blijf daar weg,’ zei iemand, ‘er is daar niks anders dan problemen.’ Daar komt bij dat daar weliswaar een veerdienst is die mij en Landcruiser over de Congo naar Brazzaville kan brengen, maar ook daarover heb ik slechts horrorverhalen gehoord. De auto zou met een hijskraan de boot op moeten, met alle risico’s en kosten van dien. Ik zie Landcruiser al vanaf vijf meter hoogte tussen wal en schip terechtkomen, terwijl ik net een kapitaal heb neergelegd om hem op te hijsen. Bovendien schijnen ze aan de overkant heel moeilijk te doen, wetende dat er geen weg terug is. En ik maar lappen zeker? Dacht het niet.

Tweede mogelijkheid is om bij Kimpese de snelweg te verlaten richting Luozi. De ferry daar zou veel simpeler, goedkoper en makkelijker zijn. Maar dan moet ik vanuit Luozi naar Boko, een weg die in het droge seizoen nog te doen is, maar in het regenseizoen een glijbaan wordt. ‘Een hel,’ zei iemand. Ik zit op de grens tussen de twee seizoenen en je zult natuurlijk net zien dat het begint te regenen als ik op die weg zit.

Mogelijkheid drie lijkt de beste optie: in Matadi is een brug over de Congo. Vanaf daar loopt een, op het eerste gezicht, redelijke weg richting Boma en Muanda, naar Cabinda. Nu moet je weten, I, dat Cabinda een merkwaardig stukje land is. Het is een losstaand deeltje van Angola dat in DRC ligt en in het noorden grenst aan Congo Brazzaville. Je kunt dus vanuit DRC door Angola naar Congo Brazzaville (volg je het nog?). Maar als ik die route neem, moet ik dus een tweede keer Angola in.

Pardon? Herinnert u zich deze nog… nog… nog…?!

‘In Muanda is het geen probleem, in twee uur heb je je visum,’ zei iemand.

IMG_7604

Ik steek de grens over. Angola uit, DRC in. Twee dagen later zal ik opnieuw de grens DRC-Angola oversteken, alleen dan de andere kant op. Althans, dat is het plan. Cabinda zal het worden. Alles beter dan die hijskraan in Kinshasa en de hel van Boko.

Een man met aan één hand vijf halve vingers kopieert de gegevens van mijn paspoort in een schrift. Een ander schrijft de informatie uit mijn gele boekje met inentingen over. Ik moet even wachten, dan komt er iemand die mij naar het kantoortje van de douane brengt. Ik leg uit wat ik kom doen. Er wordt achter in de auto gekeken, ik wijs op het kooktoestel en de jerrycans met drinkwater. Er wordt gestempeld, ik krijg een hand, men wenst mij een goede reis. Bijna vraag ik of ze niet nog een irritante vraag moeten stellen, of ze niet nog moeten proberen een petit cadeau van me los te krijgen. Maar wie ben ik om hier de corruptie te herintroduceren? De zon schijnt, er waait een verkoelend briesje, het is geen dag om de dingen moeilijker te maken dan ze zijn. Ik rijd Congo in. Er komen vast nog problemen genoeg.

De weg van Matadi naar Muanda bestaat het eerste stuk uit asfalt. Daarna wordt het asfalt met gaten. De gaten worden vervolgens zo talrijk dat er stukken zijn zonder asfalt. Tenslotte is er helemaal geen asfalt meer, alleen gaten. Die worden zo groot dat kleinere auto’s er zowat in verdwijnen. Het is een geluk dat het niet regent.

Ik passeer de ene na de andere politiecontrole. Vaak word ik aangehouden. Waar ik vandaan kom, waar ik heen ga. Dat ze zo’n dorst hebben. ‘Nee hoor, grapje, rij maar door.’ Een politieman die een grapje maakt over corruptie, het moet niet gekker worden. Ik heb verhalen gehoord over reizigers die alles moesten uitpakken, uren moesten wachten zodat de politie door de bagage kon gaan om iets te vinden dat ze konden stelen, of waar ze een onbenullige boete aan konden ophangen. Niets van dat alles. Er wordt vriendelijk geknikt, gezwaaid, gesalueerd. Ik begin het nog bijna jammer te vinden dat ik zo kort in het land zal zijn. Maar dat is voordat ik in Muanda kom.

‘Ik wil graag een visum voor Cabinda.’

‘Gaat u daar even zitten.’

De militair achter de balie verdwijnt door een deur. Een kwartier later komt hij terug.

‘Dat gaat nu niet. De baas is er niet.’

‘Wanneer komt hij terug?’

‘Hij is in Kinshasa.’

‘Wanneer is hij weer hier?’

‘Morgenavond.’

‘Morgen is het vrijdag. Dus dan kan ik pas maandag een visum krijgen?’ Ik krijg het langzaam benauwd.

‘Misschien. We weten niet zeker of hij komt.’

‘U weet niet of uw baas terugkomt?’

‘We krijgen een nieuwe baas. Misschien komt hij pas over een maand.’

‘Over een maand?? Is er niet iemand anders die mij een visum kan geven?’

‘Nee, dat kan alleen de baas.’

‘Dus met een beetje pech is het een maand lang onmogelijk om een visum te krijgen?’

‘U kunt naar Matadi.’

‘Daar kom ik net vandaan!’

‘Als u nu vertrekt bent u vanavond in Matadi. Dan kunt u morgenvroeg daar een visum halen en morgenmiddag hier terug zijn en de grens oversteken.’

‘Is er in Matadi wel een baas?’

‘In Matadi is altijd een baas.’

Ik moet, op zijn zachtst gezegd, even aan het idee wennen. Dat ik weer terug moet over die weg. Ja, het is mogelijk in een dag, het kost een uur of zeven, zonder al te veel pauze, zonder al te veel oponthoud in Boma, zonder politie die moeilijk doet. Zonder regen. Ik ben er nu vrij makkelijk doorheen gekomen, maar dit is Congo, alles kan elk moment veranderen. Dat ik morgenavond, met visum, weer hier terug ben is theoretisch mogelijk, maar in de praktijk nogal optimistisch. Bovendien, als ik ergens een hekel aan heb is het terug rijden over dezelfde weg, en die weg moet ik dan zelfs nog twee keer afleggen. Maar ik heb geen keus. In het ergste geval verlies ik een dag en dat is nog altijd stukken beter dan Landcruiser een modderglijbaan op sturen of aan gort laten klungelen door een incapabele kraandrijver in Kinshasa.

IMG_7622

Vrijdagmorgen sta ik bij het Angolese consulaat in Matadi.

‘Kan ik het visum vandaag nog krijgen?’

‘Regelt u eerst alle papieren.’ Ze willen kopieën van alle visa in mijn twee paspoorten.

‘Maar krijg ik dan het visum vandaag? Zo niet, dan ga ik dat nu niet allemaal regelen, dan neem ik een andere route en ga ik niet door Cabinda.’

Dat is een beetje bluf, maar niet helemaal. Ondanks het vooruitzicht van de glijbaan heb ik weinig zin om het hele weekend in Matadi uit mijn neus te gaan zitten eten.

‘Regelt u eerst de papieren, dan leg ik het voor aan de baas.’

‘Kunt u niet eerst even bij de baas gaan vragen of het mogelijk is? Dat bespaart mij misschien een hoop werk.’

‘Regelt u eerst de papieren.’

Een uur later ben ik terug met alle kopieën.

‘Wacht u hier.’

Een half uur later is de boodschapper terug.

‘De baas is in Kinshasa, hij komt pas vanavond laat terug.’

Ik bedwing de neiging om de man naar de keel te vliegen en met zijn kop door een ruit te rammen.

‘Dat had u mij ook kunnen vertellen voordat ik al die kopieën ging maken, of niet?’

‘U kunt nu gaan betalen bij de bank en dan kunt u maandag om twaalf uur uw visum ophalen.’

‘Kan het niet eerder? Ik wil die dag nog in Cabinda zijn.’

‘Brengt u vandaag nog het betaalbewijs.’

 

Bij de katholieke missiepost hakkel ik mij een weg naar een kampeerplek. Ik heb in Angola drie weken lang mijn Spaans opgehaald en moet nu ineens overschakelen op Frans. Toen ik in Zuid-Amerika was merkte ik al dat die twee talen met elkaar interfereren. Op de middelbare school heb ik zes jaar Frans gehad en in Peru, waar ik aan het begin van die reis mijn eerste woordjes Spaans leerde, zeiden ze dat ik Spaans sprak met een Frans accent. Aan het eind van die reis kon ik mij redelijk redden in het Spaans, maar kon ik niet eens meer tot tien tellen in het Frans. Mijn theoretische kennis van het Frans is vanwege de lessen op de middelbare school veel groter dan die van het Spaans, maar Spaans heb ik vooraleerst leren spreken. Zeker na drie weken Angola ligt die taal dus vooraan in de mond als ik in het Frans aan de huismeester probeer uit te leggen wie ik ben, waar ik vandaan kom en wat ik wil. Meneer Van de Watering, de docent die ik zowel in de brugklas als in de laatste twee eindexamenjaren voor Frans heb gehad, spreekt mij vanuit de diepte van de herinnering verontwaardigd toe. Verkeerd gebruik van het Frans vatte hij op als een persoonlijke belediging. Of ik dan helemaal niks van hem geleerd heb?

Zoals gebruikelijk bij zo’n beetje alle missieposten is ook aan deze een school en een ziekenhuis verbonden. Er is een door een galerij omzoomde binnenplaats die dienst doet als schoolplein, waar ik onder twee bomen mag kamperen. Het is weekend dus er zijn geen kinderen en er heerst een vredige rust. Een van de zusters sjouwt met een emmer water, de huismeester veegt wat afgevallen blaadjes weg, vier verse vissen liggen op een schaal te drogen in de zon. Waar heb ik mij eigenlijk druk om zitten maken? Als ik hier nog ergens stroom vandaan weet te halen is dit een perfecte plek om twee dagen in de koelte van de galerij te gaan zitten schrijven. Ik moet niet teveel willen forceren, Afrika laat dat niet toe, zoveel heb ik inmiddels toch wel geleerd? Ik haal de stroomkabel uit de auto en ga op zoek naar een stopcontact.

IMG_7629

Tegen de tijd dat het donker is galmt het geluid van de avondmis over het schoolplein. Het komt niet van de kerk bij de missiepost, waar, zoals de volgende dagen zal blijken, de zusters elke morgen om zeven uur de goedheid van de Heer bezingen, maar van een kerk verderop. ‘Ver weg,’ volgens de bewaker die ik vraag of ik er niet heen kan. Op zondagmorgen hoor ik het weer, het klinkt als een feestje, en het kan niet ver weg zijn, wat die bewaker ook mag zeggen. Ik ga op zoek. Om de hoek, nog geen tien minuten van de missiepost vandaan, blijken maar liefst twee kerken te zijn, tegenover elkaar. Het volume van hun muziekinstallaties blaast bijna het stof van de weg. Zou de Here Jezus hier hardhorend zijn?

Ik kies degene met de meest swingende tune. Binnen wijst behalve het simpele kruis van neonlicht niks op de functie kerk. Het ziet eruit als een gebouw dat niet af is; een kale betonnen ruimte, open ramen, geen deuren. Aan het plafond hangen brede, met spinnenwebben bedekte lampen, waarvan de helft het niet doet. Achter het podium is een geopend rood theatergordijn geschilderd, met een doorkijk naar een weinig inspirerend golvend groen landschap. De gelovigen mogen plaatsnemen op plastic stoeltjes van Chinese makelij. Maar wat heb je nu helemaal nodig voor het loven van de Heer? Op het podium staat een zevenkoppig koor, ondersteund door een drummer, een percussionist en een toetsenist. De melodieën zijn simpel en voorspelbaar, muzikaal gezien is er weinig aan, maar ‘ik bezweer u beminde gelovigen, het ging vooruit. Het ging verbazend goed vooruit.’*

Als ik binnenkom is de zaal nog maar half gevuld, maar tegen de tijd dat de band echt op stoom is staan er tenminste driehonderd mensen voor hun stoel met de heupen te draaien, te klappen, te dansen. Een keurige heer, grijs pak, fleurige stropdas, het type saaie accountmanager, houdt het niet meer en komt vanuit zijn plek in de rij al swingend naar voren, om voor het podium een lesje traditioneel Afrikaanse dans weg te geven. Het meisje voor mij sluit de ogen, heft de handen op, palmen naar boven en zweeft al ritmisch wiegend weg richting hemel. Ik, stijve blanke, sta erbij en kijk ernaar. Ik denk aan het magistrale boek Congo van David van Reybrouck en aan alles wat deze mensen moeten hebben meegemaakt – oorlog, honger, ziekte, corruptie. En dan kijk ik weer naar die man, dansend voor het podium, naar dat meisje in extase, naar al die mensen die hier opgaan in de muziek, en ik zie de vreugde, de energie die door dit sfeerloze gebouw stroomt en dan denk ik dat je van alles kunt zeggen over het christendom, over de kerk, over missionarissen en aan hoe gemakkelijk het is om het allemaal belachelijk te maken. Maar degene die dit, wat hier gebeurt, belachelijk durft te maken sla ik op zijn bek. Als dit de manier is om de wanhoop te verdrijven, om deze mensen de kracht te geven om door te gaan, om te blijven lachen en het leven te vieren, dan zeg ik: ‘Hallelujah, praise the Lord!’

IMG_7619

Ik vertrek uiteindelijk op dinsdag. Tegen de tijd dat ik op maandag daadwerkelijk mijn paspoort met visum terug had was het, hoe verbazingwekkend, te laat om nog te gaan rijden. Ik word uitgezwaaid door een klas kinderen (‘Adieu Le Blanc!’) en begeef me voor de derde keer op die steeds slechter wordende weg. Maar de politie blijft vriendelijk en het regent niet, dus ik bereik zonder kleerscheuren de grens met Cabinda. Daar wil men aan Angolese kant van alles weten, al gaat het meer om het stellen van vragen dan om de antwoorden. Er is niks bijzonders te melden, maar een blanke vreemdeling in een Europese Landcruiser kunnen ze niet zonder meer de grens over laten gaan, zo lijkt het. Ik onderga het allemaal in de verveelde houding die ik mij heb aangeleerd in de aanwezigheid van officials. Het grootste probleem is de taal: ik moet nu weer switchen van Frans naar Spaans en wat er uit mijn mond komt is een gebrabbel dat lijkt op geen van beide. Meneer Van de Watering schudt moedeloos het hoofd.

Cabinda is niet meer dan noodzakelijk kwaad en ik blijf er slechts een nacht, opnieuw naast de kerk bij de katholieke missiepost. De volgende dag spoel ik bijna weg in een wolkbreuk die de straat in een rivier verandert. Het water komt op sommige plekken tot aan de bumper – het laatste restje treurigheid dat ik nog tegoed had van Angola. In Pointe Noire in Congo Brazzaville vind ik weer een kerk die mij onderdak wil bieden en zowaar een Europees aandoend koffietentje dat prima wraps serveert onder het genot van een Champions League wedstrijd en gratis wifi.

Twee dagen later probeer ik een bezoek te brengen aan Tchimpounga, een chimpanseereservaat van de Jane Goodall Foundation dat iets verder naar het noorden ligt, maar ik mag er niet binnen – er wordt verbouwd en ze kunnen, of willen, geen gasten ontvangen. Dan maar naar Conkouati, het park een stukje verderop. De entree is niet misselijk, maar ik wil iets doen en men belooft mij allerlei dieren die hier zouden zitten, dus ik betaal. En ik moet ergens de rivier over, maar dat is geen probleem, zegt men. Dat blijkt te kloppen, het is geen probleem. De veerman wil alleen omgerekend twintig euro voor de overvaart, die misschien net vier keer de lengte van de veerpont telt. En ik moet ook weer terug, dus dat betekent nog eens twintig euro. Graag nu het volledige bedrag betalen. Het lijkt mij dat ik hier gigantisch word afgezet, dus ik ga de discussie aan. Uiteindelijk is de veerman zo boos dat hij me wegstuurt zonder geld te willen. Dat lijkt mij dan weer geen goede oplossing, want ik zie het al gebeuren dat hij me straks aan de andere kant laat staan als ik terugkom, tenzij ik het driedubbele betaal. Ik ben van hem afhankelijk. Ik betaal uiteindelijk 15 euro.

IMG_7639

In het park is geen dier te zien. Ik kan een gids huren, voor nog eens vijftien euro, maar ik vind het wel goed. Als ik een mooi kampeerplekje aan het meer kan vinden, ben ik tevreden. Dat lukt niet. Er is maar een weg en die loopt dood bij het meer. Door de dichte begroeiing is er geen ruimte om te kamperen. Ik draai om en pik een lifter op. Die blijkt het hoofd van een van de dorpjes te zijn waar ik langs ben gereden en hij regelt dat ik bij een familie op het erf mag kamperen. ’s Avonds meld ik mij bij hun kampvuur en probeer wat met de kinderen te praten, die eerder nogal gefascineerd naar mijn tent en kookkunsten stonden te kijken. Van Van de Watering krijg ik een zesje.

En dan moet ik de volgende dag dus terug naar de rivier. Ik ben er vroeg, om tien uur, zodat ik nog dezelfde dag een heel eind naar het noorden kan rijden. De veerpont ligt aan de andere kant. Verderop op de andere oever zie ik mensen. Ik roep en ik zwaai. Er komt een bootje mijn kant op, een boodschapper, zo blijkt. Door de regen van afgelopen nacht is er teveel stroming en de motor van de veerpont is niet sterk genoeg, zegt hij, dus ik kan pas vanmiddag over. Om twee uur. Ik mag met hem mee om aan de andere kant, waar een dorpje is, te wachten. Ik kijk naar het water, naar de stroming. Ik zie geen verschil met gisteren. Dit is het dus, de wraak die ik vreesde. Ik bedank, ik blijf liever bij de auto. Ik heb wat te eten, ik heb een stoel en een boek. Bovendien is de auto smerig en die kan ik nu mooi wassen, op zijn Afrikaans, aan de rand van de rivier. Mij maken ze niet gek.

Af en toe komt er iemand langs die ook over wil. Dat gaat wel, met een kano. Steeds vraag ik hoe het zit met de stroming en wat de normale prijs is voor een overtocht met de auto. De prijs lijkt te kloppen, het is inderdaad zo duur, maar die stroming… iemand zegt dat het klopt, iemand anders lijkt het onzin. Ik weet het niet. Hoe dan ook is er niks dat ik kan doen. Ik eet, ik was, ik zwem en ik lees. Een dagje in de zon aan de rivier, er zijn ergere dingen.

IMG_7680

Om vier uur komt de pont mijn kant op. De veerman wil nu het bewijs zien van mijn verblijf in het park. Ik laat hem het entreebewijs zien, maar dat bedoelt hij niet. Verder heb ik niks, ik heb geen gids gehuurd, ik heb alleen gereden en geslapen, bij mensen thuis. Weer wordt het bijna ruzie. Ik geef hem uiteindelijk nog eens vijftien euro en dan zijn we opeens toch vrienden. Of hij mijn telefoonnummer en e-mail adres mag? Natuurlijk meneer. Ik schrijf mijn gegevens op een briefje, rijd weg en zwaai met een glimlach. Hufter.

In de paar dagen dat ik in Congo Brazzaville ben, doen dit soort akkefietjes zich voortdurend voor. Een half uur nadat ik Conkouati uit ben gereden kom ik opnieuw een slagboom van het park tegen. Als ik erdoor wil moet ik weer betalen. Maar het bedrag is onderhandelbaar en ik krijg geen bonnetje, dus ik vermoed dat het in de zak van de dienstdoende militair verdwijnt. Even later kom ik een auto tegen met een stuk of twintig mannen in de laadbak. Ze stappen uit omdat de auto anders niet door de modder komt. Ik moet wachten tot zij erdoor zijn en twee mannen komen mijn kant op. Dat ik moet betalen voor het gebruik van de weg. Ik ben te pissig om met zoveel opzichtige onzin te kunnen lachen. Eerst doe ik of ik ze niet begrijp, zeg daarna dat ik al betaald heb, maar ze dringen aan. Dan heb ik er genoeg van. Midden in een zin van hun gewauwel bonjour ik ze een goede dag en geef gas. Half door het riet rijd ik hun auto voorbij. Als dit hier de praktijken zijn, heb ik geen behoefte om veel langer in dit land te blijven.

Maar eruit komen is nog niet gemakkelijk. In Nyanga is een emi-immigratie- en een douanekantoor, dus ik meld mij keurig voor de stempels. De ambtenaar achter het bureau mompelt iets over betalen. Ik pas mijn ikke-niet-weten-ikke-buitenlander-strategie toe, kijk niet begrijpend en lach schaapachtig. Hij durft zijn verzoek niet te herhalen en stempelt. Er staat ‘vu au passage’, wat zoveel wil zeggen als dat ze gezien hebben dat ik langskwam. Niet iets van ‘sortie’ met een datum. Merkwaardig, maar het zal wel. In het Carnet krijg ik, wel zonder gedoe, de normale stempel.

In een dorpje niet al te ver voor de grens met Gabon wil ik bier kopen en ga ik naar het plaatselijke café.

‘Ja,’ zegt het meiske achter de bar, ‘dat kan.’ Ze zet vijf flessen op de toog. Ik heb er vier besteld.

‘Eentje voor mij,’ zegt ze.

‘Eh, nee,’ zeg ik, ‘ik wil er vier.’

‘Deze is voor mij.’

‘Prima, maar ik betaal er maar vier.’ Ik geef haar geld.

Ze gaat met het geld en de vijf flessen naar buiten, waar de baas zit. Ze geeft hem het geld en zegt iets dat ik niet versta. Daarmee lijkt voor hen de zaak afgedaan. Het geld dat ik gaf zou inderdaad precies genoeg zijn voor al het bier, inclusief dat van haar. Dat wil ik dus niet, ik wil wisselgeld. Maar ik ben het gedoe meer dan zat, heb geen zin in discussie en gris het briefje dat ik gegeven heb uit de hand van de baas en loop weg. Dan maar geen bier.

Op weg terug naar de auto komt er iemand achter mij aan. Hij roept, ik negeer hem, denk dat hij in discussie wil over dat bier. Dan hoor ik ‘paspoort’. Ja, flikker maar op, vriend, ik ga niet voor elke willekeurige, waarschijnlijk dronken voorbijganger mijn paspoort tevoorschijn halen. De man loopt achter mij aan, houdt de deur tegen als ik die na het instappen dicht wil doen. Hij blijft, nu vrij agressief, eisen dat hij mijn paspoort wil zien. Ik trek met kracht de deur dicht. Hij klopt driftig tegen de ruit. Ik draai het raampje een beetje open.

‘Waarom wil je mijn paspoort zien?’

‘Politie.’

Het probleem op veel plekken in Afrika is dat je nooit precies weet wie welke functie heeft. Iedereen wil de hele tijd iets van je en het is soms moeilijk te bepalen met wie je zaken moet doen om te krijgen wat jíj wilt. Iedereen geeft antwoord op elke vraag, ongeacht of die op hem (bijna altijd een hem) van toepassing is, in de hoop er iets (lees: geld) uit te slepen. Ook bij officiële instellingen is lang niet altijd duidelijk wie je moet hebben. Politie loopt er soms bij als een zwerver. Zoals nu.

‘Waar is je badge?’ vraag ik.

Hij wijst op zijn gerafelde groene broek die inderdaad ooit deel geweest zou kunnen zijn van een politie-uniform. Hij mompelt iets over een ‘cahier’ en maakt een schrijfbeweging.

‘Je wilt mijn naam noteren?’

Hij knikt.

‘Vooruit dan, als dat het enige is.’

Ik stap uit en volg hem naar een gebouwtje achter het café. Serieuze vasthoudendheid is vaak een teken van authenticiteit. Zwendelaars zoeken bij teveel tegenstand liever een ander slachtoffer. Misschien is hij inderdaad van de politie en dan wil ik ook weer geen al te groot punt maken van het noteren van mijn naam in een uit elkaar vallend schrift waar nooit meer iemand in kijkt.

De gevechten met het volk en de officials lijken nu voorbij, maar dan is er nog altijd de natuur. Tot nu toe was de weg redelijk; zand, modder, gaten die het onmogelijk maakten om echt door te rijden, maar niks om je druk over te maken als je een Landcruiser en de tijd hebt. Het laatste stuk naar de grens wordt dat anders. De modderpoelen worden steeds groter en dieper. Ik schakel naar fourwheeldrive en kom er iedere keer doorheen. Maar het wordt steeds erger. Eén keer, bij het uitrijden van een van de poelen, sta ik vast. Het gaat licht omhoog en ook in low gear kom ik geen centimeter verder. In dat soort gevallen is er altijd nog de diff lock. Voor het geval je niet helemaal thuis bent in de terreinwagenterminologie: de diff lock is een snufje dat, de naam zegt het al, het differentieel vast zet. Het differentieel zorgt er normaal gesproken voor dat de as niet in de soep draait als je een bocht om gaat. Het wiel in de binnenbocht maakt dan minder omwentelingen dan het wiel in de buitenbocht, want legt een kleinere afstand af. Het differentieel zorgt er via een ingenieuze tandwielconstructie voor dat het verschil in omwentelingen wordt opgeheven (ik heb tijdens mijn autosleutelcursus zo’n differentieel van binnen bekeken en wat mij betreft verdient de bedenker ervan een grote veer in zijn reet, zo mooi en simpel is het). Het nadeel van de constructie is dat als een van de wielen geen grip meer heeft, bijvoorbeeld doordat het in de modder staat, het andere niet meer draait. Alle energie gaat naar het wiel zonder grip, dat spint als een dolle, terwijl het wiel dat wel grip heeft niet beweegt. Zet je nu het differentieel vast, dan gaat de as als één geheel draaien: als het ene wiel draait, draait het andere net zo hard mee, grip of niet. Zet je zowel de voor- als de achteras vast, dan heb je slechts één wiel met grip nodig om uit de penarie te komen. Je moet dan alleen geen bocht maken.

Alle keren dat ik vastzat heb ik de diff lock geprobeerd, maar nooit had het enig effect. Ik begon serieus te twijfelen aan het nut van het ding waar mijn garagehouder thuis van tevoren zo hoog van had opgegeven. Maar nu, in het uur van de waarheid (het zoveelste inmiddels), gebeurt wat er moet gebeuren: ik ga langzaam vooruit en kan verder zonder natte voeten.

 

Dat is nog maar het begin. De poelen worden nóg groter, nóg dieper. Het water spoelt regelmatig over de motorkap. Dit wordt langzaam te gek, en wie weet wat er nog komt. Ik denk aan omdraaien, maar de gedachte aan wat ik al gehad heb maakt ook dat geen aanlokkelijk idee. Bovendien, wat dan? De enige andere route naar Gabon is terug naar Dolisie en via Brazzaville naar het noorden. Dat kost een week en er is allerminst de garantie dat het daar beter is. Ik ga door en word wat rustiger als blijkt dat ik er eigenlijk vrij gemakkelijk doorheen kom. Het water is diep, maar de ondergrond lijkt redelijk hard, waardoor de kans dat ik midden in een poel blijf steken minder groot is dan ik vreesde. En er zijn overal dorpjes, er zijn mensen die me in geval van nood kunnen helpen.

Net buiten een van die dorpjes maant een jongen mij tot stoppen. Er komen twee hele diepe poelen aan, zegt hij.

‘Het water komt tot hier.’ Hij houdt een vlakke hand bij zijn schouder. ‘Daarna komt een stuk waar je niet door kunt. Je moet omrijden. Ik kan je wijzen waar.’

Ik laat hem instappen. Het lijkt erop dat enige hulp hier wel op zijn plaats is. Inderdaad rijden we door twee poelen waarbij het water tot aan het raam komt. Dan stuurt mijn gids mij naar rechts, een nauw pad op, de bush in. ‘Het kan ook een truc zijn,’ schiet het even door mijn hoofd. ‘Zometeen komen ze vanuit het struikgewas tevoorschijn met twee Kalashnikovs en kan ik Landcruiser vaarwel zeggen.’ Maar na een klein half uur kom ik weer op de weg uit.

‘Van hieruit kun je makkelijk verder naar de grens,’ zegt de jongen en stapt uit. Hij hoeft niet eens geld.

Ik passeer nog een paar ondiepe poelen en dan bereik ik de grens, al denk ik op dat moment nog dat ik al in Gabon ben. De agent kijkt vreemd op als ik al een stempel in mijn paspoort blijk te hebben.

Vu au passage, dat slaat nergens op,’ zegt hij. ‘Je krijgt daar een stempel.’ Hij wijst naar een bouwval honderd meter verder. Wel noteert hij mijn gegevens. In het gebouwtje van de douane aan de overkant laat ik mijn Carnet zien.

‘Het is al gestempeld, dat kan niet,’ zegt de douanier.

‘Nee,’ zeg ik, ‘u moet hier stempelen. Ik wijs op een nieuwe pagina naar de plek waar de entrance stempel moet komen.

‘Nee, het moet hier,’ zegt hij, ’maar daar staat er al een.’ Hij wijst naar de exitstempel die ze in Nyanga hebben gezet. ‘Het is een fout, dat mogen ze daar helemaal niet doen.’

Nu begint het mij te dagen. Ik ben helemaal nog niet in Gabon. Dit is pas de grens, ook al is mijn Carnet al in Nyanga afgestempeld. Vandaar ook die vreemde stempel in mijn paspoort. Honderd meter verder is een slagboom, dát is de grens. De douanier noteert nog maar eens mijn gegevens en geeft met een diepe zucht het Carnet terug.

‘Ik zal ze maar weer eens bellen.’

Honderd meter verder moet ik weer twee kantoortjes in waar ze opnieuw al mijn gegevens noteren. Nu krijg ik wel een exitstempel en ga ik daadwerkelijk de grens over.

Ook in Gabon blijken ze een obsessie te hebben met het noteren van gegevens. Binnen een uur passeer ik drie controleposten waar ik allemaal moet uitstappen zodat ze de informatie uit mijn paspoort kunnen overschrijven. Ergens zetten ze ook een stempel in mijn Carnet, maar niemand waagt zich aan een stempel in mijn paspoort, daarvoor moet ik naar Ndendé, de eerste plaats van enige omvang. Het is vier uur als ik daar aankom en de verantwoordelijke is al naar huis. Morgenvroeg mag ik het opnieuw proberen. Tegen een kleine donatie installeer ik mij weer bij de plaatselijke missiepost en loop het stadje in om iets te eten te zoeken. Het wordt foufou met stekelvarken en ik ga bijna over mijn nek. Welkom in Gabon.

20150420_185828

Nergens als in Afrika is zo duidelijk hoe de mens de natuur langzaam wegdrukt, en hoe die natuur blijft terugkomen. Rijdend door het landschap verwacht je niet zelden elk moment een antilope die de weg kruist, een giraf die zijn kop boven een acacia uitsteekt, een leeuw die tussen de struiken lurkt. De omgeving buiten de parken is vaak niet heel veel anders dan erin, met dat verschil dat er buiten de parken mensen wonen en de dieren daarom vertrokken zijn. Maar ze schurken er tegenaan, die mensen, tegen het wild, tegen de natuur en daar waar de verstedelijking nog niet heeft doorgezet wordt gestreden tegen het oprukkend groen. Je ziet het op de meer afgelegen plekken, in de dorpen op de heuvels van Ethiopië, op de op de bomen bevochten erven middenin de bossen van Zambia, op de weg van Ndendé naar Lambaréné in Gabon. Eigenlijk overal in Gabon. Het oerwoud reikt tot direct aan de weg, nog even en de aanliggende dorpjes worden opgeslokt door een wirwar van takken. Het lijkt alsof niemand hier rondloopt zonder machete. Het is een wapen, ja, tegen de altijd hongerige bush. Ik stel me voor wat een beproeving het moet zijn geweest om hier te rijden in, zeg, de jaren zeventig. Toen er nog geen asfalt lag en de weg een modderige slinger was, een immer vochtige tunnel door een bos zonder einde.

Als je op de heuvel staat bij het christelijke jongensinternaat in Lambaréné, waar ik onderdak vind, zie je de stad oprijzen uit de mistige zee van bomen, de rivier die daar doorheen snijdt, bruin zoals alleen een rivier in het tropisch regenwoud kan zijn. De jongens van het internaat komen kletsen, vinden die blanke gast met zijn tent interessanter dan het huiswerk dat ze geacht worden te maken. Of het ook een beetje veilig is, vraag ik. Ja, zeggen ze, al worden er soms lijken gevonden, hier om de hoek, langs de kant van de weg.

‘Eh, pardon?’

‘Mensen die ontvoerd worden en geofferd vanwege een of andere religie. Maar hoe is het leven in Nederland?’

20150422_115151

Ik wist niks van Albert Schweitzer, al heb ik ooit een film over zijn leven gezien. Hij bouwde een ziekenhuis, hier, in Lambaréné, dat nu een van de belangrijkste in Afrika is op het gebied van onderzoek naar malaria. Ook een eerdere versie van het ziekenhuis staat er nog en kun je bezoeken. Alles in originele staat, Schweitzers kantoor en slaapkamer, zijn instrumenten, de operatiekamer. En er is een zaaltje dat aan de hand van foto’s zijn levensverhaal vertelt. Theoloog, filosoof, arts en musicus. Ontvanger van de Nobelprijs voor de Vrede. Ik ben van nature niet zo’n bewonderaar, maar van deze man ben ik serieus onder de indruk. Een moderne homo universalis. Hij is begraven achter het ziekenhuis, tussen de mensen die hem al die jaren hielpen om de zaak draaiende te houden. Een simpel kruis als alle andere. Bescheiden, ook dat nog. Als ik terug ben koop ik zijn biografie.

20150422_120705

Na Lambaréné gaat de hoofdweg op oude voet verder, licht heuvelachtig, bochtig, door die bijna overwoekerde dorpjes, waar de oogst van de jungle aan de man gebracht wordt: schubdieren, mollen, stekelvarkens, ratten, vleermuizen, een enkele raaf, apen. Wat dat moet kosten, vraag ik als ik uitstap om een foto te maken. Omgerekend een euro of vijftien voor de hele aap, zegt de verkoper. En dan maakt hij hem ook klaar.

‘Lekker hoor, u mag daar gaan zitten.’

‘Mwah, ik heb geen tijd, sorry.’

20150422_145130

Er is geen reden om Libreville te bezoeken, behalve voor visa. Bij de ambassade van Kameroen kijkt men wat moeilijk, maar het kan, als ik een briefje schrijf aan de ambassadeur met het hoe en waarom. In het Frans, dank u. Ik grijp mijn woordenboek en ga ter plekke aan de slag. Als ik bijna klaar ben komt er een meisje naast me zitten. Of ze kan helpen. Ze is Kameroens en tweetalig. Ze leest na, verbetert hier en daar wat, maar uiteindelijk breng ik het er bepaald niet slecht vanaf. Meneer van de Watering kan trots op me zijn. Binnen twee uur sta ik weer buiten, met visum. Op naar de ambassade van Nigeria. Ook daar lijkt alles voorspoedig te gaan, tot de volgende morgen. Of ik 80.000 CFA, ongeveer 120 euro, wil neertellen, dan brengt de mevrouw van de balie mijn papieren naar de consul. Op dat moment vermoed ik nog niets. Betalen betekent over het algemeen dat het goedkomt. Ik wacht vijf uur. Af en toe vraag ik of er enige progressie is, maar er komt geen antwoord anders dan ‘wacht u nog even.’ Dan verdwijnt de mevrouw van de balie door een deur om even later terug te komen met mijn paspoort.

‘Er is een probleem. U bent geen resident, dus u kunt hier geen visum aanvragen. Dat moet in uw eigen land.’

Nog steeds schrik ik niet, dit is een standaard reactie. Ik leg uit dat ik al anderhalf jaar onderweg ben en dat het gezien de aard van mijn reis onmogelijk was om van tevoren een visum aan te vragen.

‘Kan ik de consul spreken?’

‘Hij wil u niet ontvangen, hij heeft zijn oordeel al gegeven. Neemt u uw paspoort en gaat u naar huis.’

‘Hoe moet ik dan door Nigeria? Hoe had ik dit anders moeten aanpakken?’

Ze haalt haar schouders op.

‘Ok, dan wil graag mijn geld terug.’

‘Dat kan niet.’

‘Het ligt daar in die la. Het is niet zo heel moeilijk.’

‘Het kan niet.’

‘Ik ga niet weg voor ik mijn geld terug heb.’

Mevrouw haalt de portier erbij. Die leidt mij naar de ontvangstruimte. Ik herhaal dat ik mijn geld wil.

‘Ik bel de consul, wacht u buiten.’

‘Niks ervan, dan laat u me niet meer binnen. Belt u de consul en zeg hem dat ik hem wil spreken. Ik wacht hier.’

Even later zwaait de deur open. De consul briest van woede. Wat ik wel niet denk. Wie ik wel niet denk dat ik ben. Dat ik onmiddellijk de ambassade moet verlaten of dat hij anders de politie belt. En of ik mijn mond wil houden totdat hij klaar is. Nee, ik krijg mijn geld niet terug, hij heeft alle recht om het te houden. Anders ga ik maar naar het Internationaal Gerechtshof en klaag ik hem aan, dan zal ik zien dat hij gelijk heeft. Het is niet zijn probleem dat ik geen mogelijkheid had om van tevoren een visum aan te vragen.

‘Waarom wordt mij niet van tevoren verteld dat ik hier geen visum kan aanvragen? Waarom laat u mij eerst betalen?’ vraag ik. Er staan inmiddels vier mensen om ons heen. De mevrouw van de balie houdt zich wijselijk op de achtergrond. De consul roept naar haar.

‘Heb jij deze meneer geïnformeerd over het feit dat hij hier geen visum kan aanvragen?’

Ze knikt voorzichtig. Natuurlijk, dat zou ik ook doen. De banen liggen niet voor het oprapen.

‘U verdoet mijn tijd. Verlaat u onmiddellijk de ambassade, anders bel ik de politie.’

Ik loop naar buiten en smijt de deur achter mij dicht. Er is hier niks meer te winnen.

 

Terug bij de campsite raadt de eigenaresse mij aan niet te lang in het land te blijven. Er zijn zware wapens gevonden in een schuur even verderop.

‘Er broeit iets,’ zegt ze. ‘Het zou op korte termijn wel eens uit de hand kunnen lopen.’

‘Goed dan,’ denk ik, ‘het was hier heel gezellig, maar misschien moet ik nu toch even verder.’

In twee dagen rijd ik naar de grens met Kameroen. Dit was allemaal slechts voorproeven, aan de andere kant zullen de problemen pas echt beginnen, al weet ik dat op dat moment nog niet. Maar daarover in de volgende brief.

Liefs,

N

 

* Uit: Liefde voor muziek – Raymond van het Groenewoud

Advertenties

Eén reactie to “Centraal Afrika en de akkefietjes”

  1. Marc Lotz 3 augustus 2015 bij 10:33 #

    Hoi
    Wat een mooie verhalen!! Wij gaan er ook aan beginnen!
    Goeie reis verder
    Marc & Els

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: