Keerpunt – Paradise revisited

6 Aug

20140729_120930

Liefste,

Ik zit op het strand. Het water van de Indische Oceaan rolt af en aan, ruist in golven door de hippe loungemuziek die bij de houten bar uit de speakers komt. In de verte knipperen oranje lichtjes – vissersboten op weg naar het maal van morgen, of vuurtorens op de eilandjes voor de kust. Niet zichtbaar aan de overkant, iets naar het noorden, is Zanzibar. De tafel waaraan ik zit staat een beetje scheef, de kussens in de bank plakken aan mijn benen, het licht onder het rieten dak is maar net genoeg om mijn toetsenbord te kunnen zien. Ik ben alleen.

Gisteren zat er een groep van achttien Britse jongeren in de banken. Ze waren aan het eind van een maand reizen door Tanzania. Hun begeleider hield een afsluitend praatje. Hij adviseerde hen om hun ervaringen op te schrijven, een ansichtkaart te nemen en te noteren wat deze reis met hen gedaan had. Of, als er nu niks in hen opkwam, dat later te doen, ergens in de komende weken. ‘Dit,’ zei hij, ‘was niet zomaar een vakantie. Dit heeft iets met jullie gedaan. Dit heeft, hoe klein misschien ook, een verandering in jullie teweeggebracht. Die verandering is belangrijk. Als je over een paar jaar terugleest wat je nu opschrijft, zul je begrijpen wat je hier deed en waarom je hier was. Deze ervaring geeft vorm aan de rest van je leven.’

20140717_170434

Bijna stond ik op, en riep ik, vingertje opgeheven: ‘Ja, zo is het!’ Maar zoiets doe je niet. De waarheid mag gezegd worden, maar je moet wel je momenten kiezen. Vraag het aan Socrates, die op de markt in Athene voorbijgangers een spiegel voorhield en uiteindelijk gedwongen werd de gifbeker te drinken. Nee, ik zoek mijn waarheid liever in stilte, schrijf een brief aan jou, zoute golven aan de ene kant, zoetgevooisde lounge aan de andere. Ik weet dat je me begrijpt, ik zag het in je ogen, donker, fonkelend in het licht van de afnemende maan op Zanzibar. Een dolfijn, zei ik, even samen met mij op zwemmend langs de boot, gracieus, speels onder mij door duikend, om aan de andere kant weer tevoorschijn te komen. Uitdagend, uitnodigend, om daarna in de onmetelijke diepte te verdwijnen. Een episode, zei ik, zoals mijn hele tocht is opgebouwd uit episodes – afleveringen met personages die komen en verdwijnen. Sommigen keren later terug, veruit de meesten eindigen in vergetelheid. Een enkele blijft je altijd bij. Jij, I, bent zo iemand. Ik zag een glimp van je, daar, op dat witte zand op Zanzibar. Misschien is na deze episode mijn leven nooit meer hetzelfde. Misschien blijkt uiteindelijk alles tot nu toe voorbereidend werk geweest voor dat moment op dat legendarische eiland. Geen mus kan van het dak vallen zonder dat dat gevolgen heeft voor het verhaal, zei W.F. Hermans. Misschien is dat nog meer een filosofische uitspraak dan dat het een bewering is over de structuur van fictie. Misschien is dit het punt waar het universum mij al die tijd al wilde hebben.

20140725_142523

Zanzibar is ook op een andere manier een keerpunt. Vanaf nu ben ik over de helft van mijn reistijd, de tijd die mij scheidt van mijn terugkeer is nu korter dan de tijd die mij scheidt van mijn vertrek. Ik ben dus, in die zin, op weg naar huis. Niet dat het zo voelt, o nee, het voelt nog steeds als vooruit, door een eindeloze ruimte van tijd, niet als terug. Terug is naar het noorden en het noorden is nog lang niet aan de orde.

Aan de orde was, nog voor mijn keerpuntervaring op Zanzibar, de tocht door een van ’s werelds beroemdste wildernissen, en de Garden of Eden. Daarvoor reed ik van Jakobson’s Beach in Kigoma naar Mwanza, waar ik Jop en Marie-Fleur, oftewel ‘de Koekies’, oppikte. Eerst was er nog gedoe met een kapotte Koekiecamera, maar de verloren halve WK-finale van Oranje en de bijbehorende kaaskoppenparty boden uiteindelijk uitkomst in de vorm van een geleende camera, plus een nieuwe zoomlens. Want deze wereld mag volgens Plato slechts een onzuivere afbeelding zijn van het ideaal, als je naar het aardse paradijs gaat wil je toch een scherpe foto kunnen maken. En zo reden we, twee digitale camera’s, een groothoek- en een zoomlens, een polaroidcamera, twee telefoons en een verrekijker in de aanslag, richting Serengeti. Ik achter het stuur, de Koekies op een geïmproviseerde tweezitsbank naast me. Ik verwachtte niks, twijfelde zelfs even om te gaan, want ik was al in de Masai Mara, die in het noorden aan de Serengeti grenst, en had daar de meeste dieren al gezien. Maar ja, de Serengeti. Hoe kun je voor een safari naar Afrika rijden en het meest beroemde park overslaan? Dat is als Japanner naar Europa komen en in Parijs de Eiffeltoren links laten liggen omdat je in Rotterdam de Euromast al gezien hebt.

IMG_3657

De ingang is weinig pretentieus. Een slagboom, een kantoortje voor de formaliteiten en een paar picknicktafels. Zelfs een tourbus vol dertienjarige meiden verstoort de rust niet. We smeren een boterham met pindakaas, slurpen een kopje thee weg en rijden door de poort, Africa van Toto op de radio (‘As sure as Kilimanjaro rises like Olympus above the Serengeti’). En dan zien we de immense vlakte met gnoes, zebra’s, gazelles en impala’s. Hier en daar knabbelt een giraf aan een acacia, een eenzame olifant stapt door het hoge gras. Op de achtergrond grijs glooiende bergen. We volgen gewoon de hoofdweg richting Seronera, het hart van het park waar het meeste wild zich ophoudt, maar zien daar al vrijwel alle dieren die er te vinden zijn. Op de valreep, in het bijnaduister, dient zich ook nog een leeuw aan. Als we eindelijk de campsite bereiken schijnt de maan.

IMG_3334

We bereiden een prima spaghetti in wat een grote donkere leegte lijkt. Maar als we met een biertje uitbuiken onder de sterren blijkt dat we niet alleen zijn. Tenminste drie paar in het licht van een zaklamp glinsterende ogen staan ons aan te staren. Met ingehouden adem kijken we terug, fluisterend discussiërend over wat het zou kunnen zijn en wat we geacht worden te doen. Ook de ogen lijken besluiteloos en verdwijnen uiteindelijk in het niks. De rust lijkt weergekeerd, maar even later wandelt op tien meter afstand een hyena door het kamp. We horen nu ook hyena’s huilen, niet al te ver van de tent. En dan stappen er plotseling drie zebra’s het maanlicht in. We staren met open mond en doen verder alsof we er niet zijn. Ook de zebra’s doen of we er niet zijn en gaan op een meter of twintig afstand doodgemoedereerd staan grazen. Iets verderop, nauwelijks zichtbaar, ontdekken we de schim van de hyena, die ook staat te doen alsof hij er niet is. Nog iets verder nog zo’n schim. Hebben ze plannen? We moeten de volgende morgen vroeg op, maar van slapen kan nu geen sprake zijn. We observeren het tafereel zeker een half uur. Er gebeurt uiteindelijk niks, maar ik heb zelden zo vol spanning naar een zebra staan kijken.

Het mooie van een safari in je eigen auto is dat je daadwerkelijk zelf op onderzoek uit moet. Geen gids die zegt waar je heen moet voor de hippo’s, of communiceert met andere gidsen om een luipaard te vinden. Je spot zelf, boekje erbij om op te zoeken wat je ziet. Misschien mis je wat, maar als je iets ziet wat je zelf gevonden hebt is de vreugde des te groter. En zo kon het gebeuren dat we op weg naar de Ngorongoro Crater, we waren de Serengeti al bijna uit, onze grootste ontdekking deden. We stonden even stil, aan de kant van de weg, waarschijnlijk om een vogel te fotograferen. Ik speurde de omgeving af met een verrekijker.

‘Ik wil niet vervelend doen,’ zei ik, ‘maar ik denk dat ik daar een leeuw zie.’

Ergens in de verte stak iets boven het bruine gras uit. ‘Het kan ook een graspol zijn.’

De Koekies spitsten hun oren, keken in de richting waarin ik wees.

‘Ik zie nu ook iets bewegen.’

We reden iets verder, keken opnieuw.

‘Ja, een mannetjesleeuw, kan niet missen!’

De opwinding in de auto steeg. Een mannetjesleeuw, die hadden we nog niet gezien.

‘Dichterbij!’

Voorzichtig reed ik de auto nog een stukje verder vooruit.

‘Daar is een weggetje, dat leidt er recht naartoe!’

We reden het weggetje in. En daar waren ze. Niet één mannetjesleeuw, maar een hele familie. Twee mannetjes, vijf vrouwtjes en een stuk of zeven jongen. We kwamen tot op drie meter afstand. We fluisterden, keken elkaar aan.

‘Jezus.’

Twintig minuten cirkelden we rond de groep, fotografeerden van alle kanten. De leeuwen vonden het wel best. Keken even op als we bewogen, gaapten en luierden verder. Toen werden wij gespot. Een stilstaande Landcruiser in het veld. Dat kan alleen een leeuw betekenen. Over het weggetje naderden vier andere Landcruisers. De rust was voorbij, maar heel even waren wij de voorhoede van het spottersgilde.

IMG_2471

De Ngorongoro Crater is feitelijk een hele grote kuil in de grond. In het midden bevindt zich een deels drooggevallen zoutmeer, daaromheen savanne en bos. De wanden sluiten het geheel min of meer af voor invloeden van buiten. De omstandigheden zijn ideaal voor een groot palet aan dieren. Sinds het begin der tijden lijkt hier niks veranderd. Zo zou het paradijs eruit hebben kunnen zien, voor de komst van de mens. Dat zeggen althans de toeristenbrochures en die zijn per definitie lyrisch. Wij, de Koekies en ik, gaan dat zelf maar eens uitchecken. We rijden de Serengeti uit en onmiddellijk de Ngorongoro Conservation Area in. Bij de ondergaande zon rijden we naar boven, naar de rand van de krater. En dan, verscholen in een bocht in de weg, opent zich het uitzicht op de Garden of Eden. De brochures hebben niks teveel beloofd, het is fabuleus. Een beschrijving doet het geen recht, een foto evenmin. Daar aan de rand te staan, uitkijkend over de heiïge vlakte, doet je bijna geloven dat God bestaat. En dan zijn er nog niet eens dieren te zien. Die zitten beneden en afdalen doen we pas morgen.

IMG_2485

We kamperen aan de rand van de krater. In het ijskoude donker eten we rijst met chili con carne. Marie-Fleur zit met de rug naar het struikgewas, Jop zit schuin naast haar, ik er tegenover. Ik ben halverwege de berg op mijn bord als ik opkijk. Mijn hart slaat een slag over. Er komt een ondefinieerbaar geluid uit mijn keel dat op de een of andere manier schrik uitdrukt. De Koekies kijken mij aan.

‘Wat is er?’

Ik kijk strak naar een punt achter Marie-Fleur, kan geen woord uitbrengen. Jop volgt mijn blik en ziet het dan ook.

Holy shit!’ Hij vliegt op uit zijn stoel, gaat bij de auto staan.

‘Wat? Wat?!’ Marie-Fleur kijkt niet om, schiet naar Jop.

Ik sta langzaam op, zet een paar stappen achteruit. Drie meter van mij vandaan, precies achter de stoel van Marie-Fleur staat een gigantische olifant. Hij kijkt ons aan, of naar de chili, dat is niet uit te maken. Ik zet nog een stap achteruit.

‘Niet wegrennen,’ zeg ik. ‘Rustig achteruit lopen.’

Dat heb ik geleerd van een gids. Als je wegrent komt hij achter je aan. We blijven staan, verlamd. De slurf van het beest zwiept traag heen en weer, zijn oren flapperen. Hij is niet boos. Denk ik. Hoop ik. Hij draait om, begint te knabbelen aan de struiken. Achter ons gaat het gejoel en geschreeuw van de andere kampeerders gewoon door. Ze hebben geen idee. We pakken de camera, maar het is te donker voor een goede foto. We staren, zien hoe onze gast rustig door het gebladerte struint. Ik denk aan het voedsel in mijn auto. Sinaasappels. De deuren staan open. Als hij maar niet… De olifantenkop zwenkt naar de achterkant van de auto. Ik houd mijn adem in. Dan loopt hij voorbij, langs Landcruiser naar voren, zijn rug hoger dan het dak.

‘Hij gaat,’ zeg ik.

De kolos lost op in het donker. We halen adem. Niemand heeft iets gemerkt.

Bij zonsopgang dalen we af in de krater. In een file van Landcruisers hobbelen we naar beneden. De close encounter met onze geslurfde vriend van de vorige avond is het gesprek van dag. Te pas en te onpas doen de Koekies mijn verschrikte kreet na, of schudt iemand met het hoofd en fluistert: ‘die olifant… drie meter!’ Ondertussen spotten we verder. Een luipaard is het doel, of een zwarte neushoorn. Maar beiden zijn traditioneel moeilijk te vinden. Wel zien we de bekende dieren – gnoes, zebra’s, gazelles – en spotten we wat nieuwe vogels. De Landcruiserfile heeft zich verspreid en is nauwelijks nog storend. Totdat we in de verte opnieuw een rij auto’s zien staan. Daar moet iets bijzonders zitten. We crossen erheen, sluiten aan in de rij en kijken om ons heen. In eerste instantie zien we niks. Ik speur opnieuw met de verrekijker. En dan, ja, heel in de verte, zelfs met verrekijker nauwelijks zichtbaar: een zwarte neushoorn. Check! (‘Jee,’ denk ik, ‘als ik een zwarte neushoorn was zou ik me ook verstoppen. Zo gauw je je laat zien staan er twintig Landcruisers voor je neus. Je zou er agressief van worden.’ En dat zijn ze dan ook.)

IMG_4476

Na Ngorongoro stoppen we twee nachten in toeristisch Arusha, waar iedereen ons de safari probeert aan te smeren die we net gedaan hebben, of iets probeert te verkopen dat veel te duur is. Ik bied overal 2000 shilling (nog geen euro). Dat helpt, want ze vinden dat ik ze daarmee in de maling neem en willen dan niet meer met me praten. En aldus is mijn doel bereikt.

Na Arusha kamperen we op de hellingen van Mount Kilimanjaro. Tenminste, dat zegt men. Wij hebben het hele ding niet gezien. Verborgen achter de wolken? Ammehoela. Hoe kan een berg van 6000 meter hoogte compleet verdwijnen achter de wolken? Wij vermoeden een complot. Die berg bestaat niet, maar niemand mag daarover praten.

Wat wel bestaat is Zanzibar, al twijfel je aan je ogen als je er bent. Nergens zag ik een zee die zo groen was, nergens stranden die zo wit waren. Het doet me denken aan mijn eerste keer in Turkije, waar ik turquoise water zag dat ik alleen kende van ansichtkaarten. Ik dacht altijd dat dat trucagefoto’s waren. Maar het bleek allemaal echt te bestaan. De Ngorongoro Crater de Garden of Eden? Het zal wel. Het paradijs ziet eruit als Zanzibar.

We verblijven eerst in Stone Town, de smeltkroes van Arabieren, Afrikanen, Indiërs en koloniaal Europa. Alles loopt er door elkaar in de nauwe straatjes, waar je verdwijnt, maar niet verdwaalt, omdat er altijd de zee is, de turquoise, blauwe, diepgroene, loodgrijze zee, waar het zicht tot op de bodem reikt, hoe diep je ook kijkt. We eten verse kreeft van de markt en drinken er een sapje van suikerriet bij, kijken uit over de chaos van daken en slenteren door de slingerende straatjes met verkopers van kruiden, specerijen, vis, fruit en kralen. Het is zo toeristisch als een plek kan zijn, maar het deert niet, het deert allemaal niet, want dit is de plek die elk lyrisch woord in een brochure verdient.

IMG_2607

We trekken naar Kendwa Rocks voor beachlife zoals beachlife bedoeld is. Een cocktailbar onder de palmbomen op het strand, ligstoelen onder rieten parasols, blanke babes in bikini, gespierde Afrikanen op het volleybalveld. En ’s avonds, als de zon onder is, diner bij kaarslicht, een biertje bij het kampvuur en feest in de bijbehorende beachclub. En dan zijn daar niet alleen de Koekies, maar dient ook Ross zich aan, mijn Britse vriend op de motor, die ik ken uit Addis en drinken we bier en dansen we tot het licht wordt.

De Koekies hebben een vlucht terug naar huis en rukken zich los, het eind van weer een episode, maar onmiddellijk dient zich een nieuwe aan. Ik blijf, tref de Canadese Zoha en Melissa en party gezellig verder. Overdag hang ik in de stoelen, lees een boek, schrijf, voetbal met de lokalo’s op het strand, koel af in het zalige water.

P1170450

En dan ineens ben jij daar. Met je zwarte krullende haren, je koffiebruine huid en je vrolijk zelfverzekerde blik. Het zijn Zoha en Melissa die je uitnodigen, maar ik heb ze gestuurd. Je accepteert maar al te graag, je vraagt me alles over vanalles en danst om me heen als ware ik het centrum van de wereld. En dat ben ik. Op dat moment ben ik de kern van het al en jij het deeltje dat mij rondcirkelend compleet maakt. Het is niet het universum dat mij hierheen gestuurd heeft, ik ben het universum. Ik zet de lijnen in mijn leven uit, ik ben degene die alles op zijn plaats zet. En wie anders dan jij kan mij dit doen inzien, hier, nu, in dit paradijs.

Ik kus je, I. Ik wanhoop niet meer. Ik weet nu dat je er bent, ergens, en ooit vind ik je terug.

Liefs,

N

Advertenties

2 Reacties to “Keerpunt – Paradise revisited”

  1. Theo en Jopie van den Ende 6 augustus 2014 bij 20:22 #

    Wat een mooi verhaal heb je weer geschreven. Je hebt een mooi avontuur beleefd samen met Jop en Marie-Fleur, een olifant op 3 meter is toch wat anders dan een gorilla op 3 meter zoals Marie-Fleur, Jop en wij al heel erg spannend vonden in Uganda.
    Wij wensen je nog een fijne reis en eens een behouden thuiskomst.
    Wij blijven je volgen.

    Groet van Jopie en Theo

  2. Maria 8 augustus 2014 bij 00:05 #

    Hoi, je verhalen worden als maar spannender. Schitterend beschreven met veel romantiek. Wanneer komt je boek uit? Zet mij maar op de bestellijst. Fijne tijd.
    Maria

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: