Mount Kenya en het echte avontuur

7 Mei

IMG_0739

Lieve I,

Echte avonturen zijn niet voor mij weggelegd. Die overtuiging is zo sterk dat ik de bewering kan omdraaien: als ik iets meemaak kan het geen echt avontuur zijn. Als ik het kan doen kan in principe iedereen het doen. En als iedereen het in principe kan doen is het geen echt avontuur. Echte avonturen zijn weggelegd voor bijzondere mensen, met bijzondere kwaliteiten. Het zijn avonturen die je serieus in gevaar brengen. Mensen die echte avonturen beleven trotseren dat gevaar en accepteren het feit dat het fout kan aflopen. De ontdekkingsreizigers uit de 15de en 16de eeuw, dát waren avonturiers. Livingstone en Stanley die Afrika door trokken in de 19de eeuw, Amundsen, Scott en Shackleton die begin 20ste eeuw naar de Zuidpool gingen. Van hun reizen kwamen veel bemanningsleden niet terug, en de meesten stierven ook zelf in het harnas.

Ik ben daartoe niet bereid, I. Ik ben een verwende 21ste-eeuwer die teveel gehecht is aan luxe om zijn leven in de waagschaal te stellen. Bovendien is er niet meer zo heel veel te ontdekken. Wil je daadwerkelijk iets nieuws doen, of komen op plekken waar nog niemand geweest is, dan is zeer specialistische kennis vereist. Je moet geloven in iets waar niemand anders in gelooft en heel veel energie, tijd en geld steken in een plan met een uiterst onzekere afloop. Daarbij vergeleken is dat wat ik doe peanuts. Ik ben geen avonturier, ik ben een toerist die misschien net iets verder gaat dan de lui die elk jaar naar hetzelfde appartement op Ibiza gaan, maar een toerist niettemin.

IMG_0772

Desondanks probeer ik wat van het licht te vangen dat afstraalt van de grote avonturiers uit het verleden, laat ik mij inspireren en zoek ik zo nu en dan plaatsen op in de schaduw van de highlights op de toeristenkaart. En dus toog ik niet naar Naro Moru of Nanyuki, aan de voet van Mount Kenya, waar de hordes heen gaan, maar naar de andere kant van de berg, naar Chogoria, daar waar de langste, de moeilijkste, de duurste en de mooiste route naar de top begint. Er staat in principe vijf dagen voor, geadviseerd wordt, vanwege het hoogteverschil, er zeven voor te nemen, maar om geld te besparen deed ik het in vier. En omdat ik het eerste deel met de auto kon doen, zeiden ze. Met die van mij wel, zeiden ze. Ik vroeg nog hoe de weg was. Met een Landcruiser? Geen probleem, zeiden ze.

De gids zei zijn naam die ik niet verstond, maar ik mocht hem Loi noemen (later, als in: nu ik deze brief schrijf, bedacht ik dat hij de r niet kon uitspreken, iets waar meer Kenianen last van hebben, en hij dus waarschijnlijk Roy bedoelde). Achterin zat de drager, Nicholas (al weet ik ook dat niet zeker), tussen vijf plastic zakken met boodschappen en kookspullen die ons leven moesten redden, een doosje met eieren en een jerrycan met kerosine. Drie uurtjes slechts zou het zijn naar het einde van de weg, daar waar het looppad begon en we de eerste nacht zouden doorbrengen. We hadden geen haast.

‘Aan de eerste vijf kilometer zijn ze net bezig geweest,’ stelde Loi mij gerust.

‘Dan zijn ze het dorp zelf toch vergeten,’ constateerde ik, talloze gaten in de weg ontwijkend en mijn hoofd stotend aan het dak, toen ik per ongeluk toch zo’n kuil in reed. Achterin klotsten Nicholas en zijn boodschappen door de ruimte. Ik dacht aan de eieren.

Daar waar ze aan de weg aan het werken geweest waren, waren ze daar halverwege de klus mee opgehouden; de bulldozer stond roerloos aan de kant en dat wat een weg moest worden was een vers omgeploegde rivier van zandkluiten, waar je tot je enkels in zou wegzakken, mocht je de behoefte hebben om uit te stappen.

‘De weg is nog niet echt af, he?’ wierp ik subtiel op. Loi grinnikte.

‘Dit is Afrika, bwana.’

Ik schudde mijn hoofd en gaf extra gas om Landcruiser er doorheen te loodsen.

Een half uur later, inmiddels omringd door dik en vochtig regenwoud veranderde het zand in modder. Op een kleine heuvel bleef Landcruiser steken. Vier slippende banden groeven zich in. Achteruit en nog eens proberen, met iets meer vaart. Geen effect.

‘We zitten vast,’ constateerde ik nogal overbodig.

‘Heb je een panga?’ vroeg Loi.

‘Een watte?’

‘Een panga.’ Hij maakte een hakbeweging met zijn hand.

‘Je bedoelt een machete?’

Loi knikte.

Inderdaad heb ik sinds Lake Baringo een heuse machete in de auto. Ik zag hem liggen in een winkeltje en vond het wel een gaaf ding om mee te nemen als souvenir. Als souvenir, I. Niet om daadwerkelijk te gebruiken.

‘Geef maar,’ zei Loi.

Met een rustige trefzekerheid hakten Loi en Nicholas de ongerepte natuur langs de kant van de weg in stukken, propten de bamboetakken onder de wielen en wezen in de richting vanwaar we gekomen waren.

IMG_0592

‘Achteruit, en dan nog eens. Full speed.’

Full speed is niet zo heel hard in de eerste versnelling low gear 4WD, maar als je vol gas geeft klinkt het alsof je de motor over zijn toeren de vernieling in blaast. So much voor de stilte van de natuur.

Bij de derde poging en na nog meer groen om de enkeldiepe moddersporen te dempen, schoot ik er doorheen en konden we verder.

‘Zo, dat ging lekker,’ grapte ik.

Loi keek stoïcijns voor zich uit. ‘Hier rechts aanhouden,’ zei hij.

Het was nog maar het begin. Tien minuten later stond ik weer stil. De weg liep omhoog, zoals steeds, we gingen immers een berg op, en het zand was niet helemaal droog, maar het zag er bepaald niet uit alsof hier de 4×4 nodig zou zijn. Ik zette Landcruiser een beetje terug, probeerde het opnieuw. Onder het bovenste laagje zand bleek een dikke zuigende smurrie te zitten. Ik gleed naar de zijkant tegen de zandwand aan die was ontstaan door het uitgraven van de route door het bos. Landcruiser spinde nijdig, maar er zat geen beweging meer in.

Panga?’ vroeg ik. Loi knikte.

Opnieuw kapten de Kenianen het halve regenwoud om Landcruiser grip te geven, groeven met de panga de modder weg, duwden terwijl ik gas gaf. Het ging niet voor- en niet achteruit.

Ik haalde mijn zandplaten tevoorschijn. Ze gingen onder de wielen, linksvoor en rechtsachter, daarna links- en rechtsachter, links- en rechtsvoor, niks hielp. Landcruiser bleef spinnen.

Ik haalde de auto overhoop om mijn hi-jack boven water te krijgen. Gezamenlijk krikten we de achterkant van Landcruiser omhoog, stopten de andere helft van het regenwoud onder de wielen. Het baatte niet.

IMG_0603

Inmiddels stonden we twee uur te zwoegen en leken ook Loi en Nicholas langzaam wanhopig te worden. Met de handen in de zij aanschouwden ze de situatie. Ik had nog één kaart die ik kon spelen.

‘Ik heb ook een sleeplint. Als we dat aan de ene kant om een boom binden en aan de andere kant, met de hi-jack ertussen, aan de auto vastmaken kunnen we lieren.’

Ze keken niet alsof ze begrepen wat ik bedoelde, toch diepte ik het sleeplint, twee boomlinten en vier sleepogen op uit de krochten van de auto. Zag Landcruiser aan de buitenkant al bruin van de modderspetters, binnen werd de zaak inmiddels ook vrij chaotisch, nat en smerig. We vonden een geschikte boom en lierden ons een ongeluk. Het werkte niet.

Nog eens opkrikken, nog eens kappen, weer de zandplaten eronder, graven, opnieuw gas geven, opnieuw duwen. Ik keek op mijn horloge. Vier uur. Over drie uur zou het pikkedonker zijn en volgens de meest optimistische schatting zou het nog twee uur zijn tot aan onze bestemming. Als we tenminste niet nog eens vast kwamen te zitten en nu zouden kunnen vertrekken.

Er stopte een brommertje. Twee mannen schoten ons te hulp, gaven advies, duwden mee. Misschien was dit net het zetje dat we nodig hadden, want na nog een half uur ploeteren ploegde Landcruiser zich het gat uit.

Of dit normaal was, vroeg ik Loi.

‘Soms komen we pas om tien uur aan bij het kamp,’ zei hij. ‘Of overnachten we langs de kant van de weg.’

Ik deed de struisvogel – stak mijn kop figuurlijk in het zand en ging er vanuit dat we het gewoon gingen halen. Ik gaf gas.

Om half zes ging ik een bocht om en reed op een bergop lopende goot af met sporen die kniediep wegzakten in de modder.

Full speed!’ gilde Loi.

Mijn rechterbeen schoot naar voren als kreeg ik een krampaanval, Landcruiser schreeuwde als een speenvarken op weg naar de slacht. We bonkten over de bulten, vlogen letterlijk alle kanten op door de cabine, kantelden bijna naar links, kregen dan toch weer een klap en helden over naar rechts.

We kwamen tot halverwege. Toen viel de neus van de auto ineens naar beneden, hoorde ik een knal en stonden we plotseling stil. Nog steeds gaf ik gas, de motor gierde, de wielen draaiden, maar we gingen niet meer vooruit. Was ik alleen geweest dan was dit het moment om in paniek te raken.

Loi stapte uit, liep naar achteren, kwam terug met mijn bushdouche. Die was met een klap van het dak geslingerd en naar de filistijnen.

Het hele verhaal begon opnieuw, alleen werd het nu langzaam donker. Weer ging er een flinke portie regenwoud aan en stukje bij beetje kwamen we verder. Toen ik uiteindelijk boven aan de goot stond en we het ergste gehad hadden, was het zeven uur. Ik zag geen hand voor ogen, maar we moesten verder.

Om half acht kreeg ik bijna een hartaanval. Loi schreeuwde en ik was zo gewend dat hij ‘full speed’ riep dat ik Landcruiser automatisch op zijn staart trapte. Maar hij riep iets anders, hij riep ‘elephants!’ en pas toen dat tot me doordrong zag ik ze. Drie meter voor een slurf tussen flapperende oren stond ik stil. Het beest kwam dreigend onze kant op, een jong achter zich verscholen. Ik hapte naar adem. Loi bleef rustig, knipperde met mijn zaklamp door de voorruit en wist de aanvaller op andere gedachten te brengen. De olifanten draaiden om, stapten statig terug de duisternis in.

Om acht uur kwamen we bij een campsite. Helaas niet degene die aan het eind van de weg en aan het begin van het looppad lag. Dat was nog tenminste een uur verder. Maar het was mooi geweest. Landcruiser had serieuze klappen gekregen, het was donker en we hadden de hele dag niets gegeten. Tijd voor rust.

IMG_0799

De beloning kwam de volgende dag, toen we gestaag omhoog liepen en overnachtten in zo’n grot waar ze jongensdromen van maken: midden in het regenwoud, naast een donderende waterval, alleen bereikbaar over een steil pad, overwoekerd door exotische struiken en omgevallen bomen. Loi en Nicholas maakten een kampvuur. Ik keek uit over de vallei en was toch heel even David Livingstone, zwervend door de wildernis, zoekend naar de bron van de Nijl.

IMG_0664

Dag twee van de daadwerkelijke trek naar de top voerde me boven langs een kloof met uitzicht op een waterval. De naam was Vivienne Falls, naar een vrouw die daar ooit naar beneden was gevallen. Bij het uitzichtpunt stond een bordje ter nagedachtenis. Zo’n graf wil ik ook wel, dacht ik. Als ik ooit sterf, I, wil je dan een mooie plek zoeken, moeilijk bereikbaar, op een hoge berg, en me daar begraven? Zodat onze kleinkinderen tenminste één keer in hun leven een reden hebben om een uitdagende tocht te maken, een avontuur te beleven, namelijk om het graf van hun grootvader op te zoeken? Zodat ze daar, op die berg, met uitzicht op de wilde stille natuur, kunnen bedenken waarom ik daar lig?

IMG_0672

Dag twee ging naadloos over in dag drie, toen ik na een vroeg bord spaghetti om zes uur de slaapzak in kroop (met al mijn kleren aan!), om rond twee uur ’s nachts weer op te staan en na een kopje thee met biscuitjes de laatste push naar de top te maken. Het was donker en mistig, met mijn zaklamp kon ik Loi, die een meter voor mij liep, net onderscheiden. Na een uur omhoog klauteren over modderige paadjes, langs manshoge keien, wadend door zompige vlaktes en klaterende stroompjes, begon het te sneeuwen.

‘Dat is uitzonderlijk,’ zei Loi, ‘meestal sneeuwt het niet aan deze kant. Gevaarlijk ook, want als we met dit beperkte zicht het pad kwijtraken vinden we het nooit meer terug.’

Bedankt, Loi.

Langzaam werd de berg steeds witter. Mijn schoenen zakten steeds verder weg in de sneeuw, mijn adem werd steeds verder afgeknepen door de toenemende hoogte. Het pad bestond alleen nog uit de voetafdrukken van Loi, waar ik systematisch en secuur mijn voeten probeerde in te zetten, omdat dat de enige plekken waren waarvan ik zeker wist dat ik houvast had. Al gleed ook Loi soms weg.

Af en toe keek ik omhoog en zag de berg alleen maar steiler worden. Achter elke top verscheen een nieuwe. Er kwam geen eind aan. Ik bedacht dat een misstap het einde zou betekenen, mij zou veranderen in het begin van een lawine die uiteen spatte op de rotsen onder me. Ik vroeg mij af waarom ik dit ook alweer wilde, vervloekte mijzelf omdat ik weer zo nodig de moeilijke weg had moeten kiezen, vervloekte de mist en de sneeuw waardoor de beloning – schitterende uitzichten – uitbleef en vervloekte al mijn ex-vriendinnetjes, hoewel die er niks mee te maken hadden. Of misschien hadden die er op een of andere manier alles mee te maken.

Net onder de top waaide het zo hard dat ik nauwelijks rechtop kon blijven staan. Er was een staalkabel gespannen om je aan vast te houden.

‘Dat hebben ze een paar jaar geleden gedaan,’ schreeuwde Loi boven de wind uit. ‘Er zijn hier verschillende mensen naar beneden gevallen.’

Bedankt, Loi.

Het was zes uur in de morgen toen we de top, Point Lenana (4985 meter), bereikten. Precies op schema om de zon te zien opkomen. Alleen was er geen zon. Alles was gehuld in een ondoordringbare mist. Heel even verscheen een oranje waas, die meteen weer verdween achter een ijzig wit. Er was niets te zien.

‘Maak toch maar een foto,’ zei ik tegen Loi.

Ik klom naar het punt waar de vlag stond en het bord dat bewees dat dit de top was. Erachter was een kleine vitrine. Er lag een Bijbel in. Mijn God, dacht ik, Hij is ook overal.

IMG_0764

De meeste ongelukken in de bergen vinden plaats tijdens de afdaling. Het werk is gedaan, het doel bereikt, de concentratie verslapt. En dan glijd je uit. Ik was dus voorzichtig, stapte opnieuw in de voetsporen van Loi, zakte toch nog regelmatig tot de knieën in de sneeuw, maar kwam veilig terug bij de hut. Na het ontbijt liepen we in een ruk terug naar de auto. Ik had in twee dagen 3000 meter geklommen en was in negen uur weer afgedaald naar het beginpunt.

‘Nu hopen dat de terugweg beter gaat,’ zei ik.

‘Bergaf is makkelijk,’ zei Loi.

Toch zat ik nog een keer vast. Ik gaf gas om door een modderpoel te komen, maar Landcruiser gooide zijn kont naar voren, kwam dwars over de weg te staan, kreeg toen plotseling weer grip en schoot de berm in. Nicholas groef nog wat met de panga, Loi duwde en ik vervuilde het bos nog maar eens met uitlaatgassen. Toen waren we erdoor.

Terug in Chogoria gaf ik mijn kompanen een hand en een dikke fooi. Een jongen vroeg of hij mijn auto mocht wassen. Ik knikte en ging op zoek naar een koude Tusker. Met het biertje in de hand, op een dakterras in de schaduw van Mount Kenya, overdacht ik mijn avontuur. Het was niets vergeleken met de ontberingen van de ontdekkingsreizigers uit het verleden, maar je kunt toch ook niet zeggen dat het niet echt was. Natuurlijk, het kan altijd extremer, maar op een schaal van mensen die altijd thuis blijven en een regelmatig leven leiden tot mensen die sterven terwijl ze een berg beklimmen, zit ik significant dichter bij de durfals en de gekken dan bij de saaie drommels die elke avond chips etend op de bank naar RTL4 kijken. Ik ben geen 15de-eeuwse ontdekkingsreiziger, ik ben geen David Livingstone, geen Ernest Shackleton. Ik ben Niemand in het Bijzonder die in een Landcruiser rondreist om dingen te zien die hij nog niet kent. Dat anderen ze al gezien hebben is niet zo relevant. Dit is mijn ontdekkingsreis en dat wat ik meemaak is belangrijk voor mij. En misschien is dat genoeg. Genoeg om mijn leven interessant te maken, genoeg om een beetje van mijn licht te laten afstralen op de mensen die dicht bij me staan, genoeg om mij in de kijker te spelen bij meisjes zoals jij.

Een lieve groet, I, ik ga op weg naar mijn volgende avontuur.

Je N

PS. Na mijn avontuur op de berg zwierf ik verder door de wildernis, reed in mijn eentje door Meru National Park, ging op zoek naar leeuwen en cheetahs in de Masai Mara en wandelde door Saiwa Swamp. Ik zag ze, de leeuwen en cheetahs, de giraffen en zebra’s, de olifanten en neushoorns, de wildebeests en topi’s, de hyena’s en jakhalzen, de impala’s en gazelle’s, de buffels en elanden, de apen en vogels, vogels en vogels. Ik sliep op een oude theeplantage, keek de halve finale Champions League bij een 80-jarig vrouwtje thuis op de bank, kampeerde op de rand van een klif met uitzicht op een 95 meter hoge waterval. Maar ik kan niet alles opschrijven I, ik kan het je vertellen, ooit, als we samen zijn en alle tijd van de wereld hebben.

IMG_1114

Inmiddels ben ik in Oeganda, vier ik vakantie bij een dure lodge met uitzicht op de Nijl. De bron van die rivier is hier vlakbij, al is het niet het punt dat Livingstone zocht. Dit is het punt dat Speke enkele jaren eerder identificeerde als de bron, maar dat niet als zodanig erkend werd. Livingstone ging de kwestie voor eens en voor altijd ophelderen en zocht naar de Mountains of the Moon, verder naar het zuiden en door Ptolemeus aangewezen als de echte bron. Daar ga ik heen.

Advertenties

8 Reacties to “Mount Kenya en het echte avontuur”

  1. Maarten 7 mei 2014 bij 12:40 #

    Prachtig

  2. M 7 mei 2014 bij 13:36 #

    Geen kraanvogeltje gedaan?

  3. Maria 7 mei 2014 bij 19:04 #

    En toch vind ik je een avonturier! Prachtig verhaal weer.

  4. wijnand224 7 mei 2014 bij 20:20 #

    Wat een geweldig avontuur. En wat prachtig verteld! Man, wat geniet ik hiervan, dank je dat je dit met ons deelt.

  5. jet 7 mei 2014 bij 22:00 #

    spekes camp . daar hebben wij de dag voor oud en nieuw door gebracht. erg mooie plek

  6. Gerard 12 mei 2014 bij 10:43 #

    en ik maar denken dat het alleen maar warm en droog is in Afrika…

  7. marjon 12 mei 2014 bij 11:21 #

    Fantastisch!!

  8. Anne 14 mei 2014 bij 22:42 #

    Hey neef,
    Wanneer wordt dit boek verfilmd?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: