Uit het ouderlijk huis (1)

21 Jun

Woningbouw 1980 - 7 - bewerkt

Bienenstich

Op een dinsdagmiddag in november, rond vier uur, kondigt het einde van mijn jeugd zich aan in de vorm van een foldertje. Het is mijn vader die het onder mijn neus duwt. We zitten aan de kleine tafel naast de schuifpui die toegang geeft naar de tuin. Mijn moeder heeft net thee gezet en voor ons alle drie een stuk zelfgemaakte taart afgesneden: Bienenstich. Bijensteek.

‘Kijk hier maar eens naar,’ zegt mijn vader. Hij kijkt me geamuseerd onderzoekend aan.

‘Woonlandschap De Leyhoeve,’ lees ik, ‘het nieuwe wonen voor de 50-plusser van vandaag de dag.’

Binnenin foto’s van blakende ouderen aan de wijn, drie generaties mannen vissend aan de waterkant, een picknickende familie in het gras.

‘Koppelt het comfort en de service van een hotel aan prachtige huurwoningen, volledige mogelijkheid tot zorg binnen handbereik.’

‘Gaan jullie verhuizen?’ vraag ik, half voor de grap.

‘Ja,’ zegt mijn vader.

Ik kijk naar mijn moeder, dan weer naar mijn vader, dan weer naar het foldertje.

‘Naar Groningen?’

Mijn vader glimlacht, mijn moeder peilt mijn reactie. Ik neem een hap van de taart.

Mijn ouders zijn Limburgers. Hoewel ze onderling het Wanssumse dialect van mijn moeder spreken, wonen ze al bijna veertig jaar in Kessel, het dorp waar mijn vader is geboren. Zijn ouders, mijn opa en oma, liggen hier op het kerkhof, twee van zijn broers, mijn ooms, wonen een paar straten verderop. Alle familie van mijn moeders kant woont in Limburg, binnen een straal van vijftig kilometer. Mijn broer woont het verste weg. In Groningen.

‘Gaan jullie bij Luuk wonen?’ vraag ik.

‘Bijna,’ zegt mijn vader. ‘Een paar honderd meter verder.’

Ik ben net terug van een lange reis door Afrika. Gedurende twee jaar trok ik met mijn auto door het continent, sliep ik in een tentje op het dak, elke nacht ergens anders. Sinds anderhalve week woon ik weer even bij mijn ouders. Ik probeer te wennen aan het leven in Nederland, zonder meteen verzeild te raken in allerlei sociale verplichtingen. Vrienden weten dat ik er weer ben, maar ik houd alle contact voorlopig af. Ik leef in een niemandsland, mijn wereld niet groter dan dit huis. Het huis van mijn jeugd, het huis waar ik ben opgegroeid, waar ik van mijn vierde tot mijn achttiende gewoond heb. Het huis dat, meer dan wat ook, mijn thuis is. Het huis dat nu, net nadat ik het heb teruggevonden, verloren dreigt te gaan.

‘Wanneer?’ vraag ik.

‘Over twee jaar, als alles volgens plan verloopt. Het complex moet nog gebouwd worden.’

Mijn vader heeft het huis deels zelf gebouwd. Ik herinner me de houten constructies die aangaven waar de muren kwamen. Of misschien ken ik die alleen van foto’s. Er is een album waarin het huis op elk volgend zwart fotoblad met plakfolie meer vorm krijgt – fundamenten, wanden, een dak met een vlag. Een berg zand die later de tuin zou worden. Soms staat er een jongetje op met een helblond pispotkapsel. Later gaf dat jongetje een spreekbeurt over zijn huis, en over houtskeletbouw. Ben ik dat jongetje nog wel?

Woningbouw 1980 - 1_bewerkt

Mijn vader laat mij de plattegrond zien van het appartement dat ze waarschijnlijk gaan kiezen.

‘Dat is niet zo groot,’ zeg ik.

‘Je zult moeten opruimen,’ zegt mijn moeder.

De zolder van mijn ouderlijk huis ligt vol met spullen uit mijn jeugd. Dozen met oude schriften, tekeningen, agenda’s, boeken, knuffels, LEGO, Playmobil en spellen. In het nieuwe appartement van mijn ouders zal er geen plaats meer voor zijn. In de kamer in een woonvereniging die ik binnenkort weer betrek is ook nauwelijks ruimte. Ik zal eraan moeten geloven.

Na twee jaar van huis te zijn geweest, na een reis waarin ik het ultieme avontuur probeerde te vinden, probeerde los te zijn van alles wat mijn gedachten en daden weerhield van wie ik eigenlijk was, of dacht te zijn –  een kluizenaar -, na een reis waarin ik het verlangen cultiveerde om te verdwijnen en tot de conclusie kwam dat dat verlangen alleen mogelijk was precies omdat ik een thuis had van waaruit ik kon vertrekken, na een reis waarin ik mijn oude leven probeerde achter me te laten, word ik juist bij thuiskomst geconfronteerd met mijn verleden.

Misschien is de enige manier om dat verleden los te laten om mezelf erin onder te dompelen, om elk tastbaar detail ervan door mijn handen te laten gaan en bij elk ervan te bedenken of het het behouden waard is. Hier begint het echte einde van mijn vorige leven. Ik ga een klein monument oprichten voor het huis waaraan ik van ons vieren – mijn ouders, mijn broer en ik – misschien het meest gehecht ben, juist omdat ik er van ons allemaal de minste tijd heb doorgebracht en het juist daardoor staat voor de onwankelbare basis van waaruit ik de wereld kon ontdekken, van waaruit ik alleen maar kon vertrekken omdat ik wist dat het er altijd zou staan als ik weer terug kwam. Dat huis, het enige echte huis dat ik ken, ga ik eren, bij wijze van afscheid, door het optekenen van de verhalen die het al die tijd heeft vastgehouden in de vorm van de spullen die mijn leven bepaald hebben. Ik geef symbolisch terug wat ik gekregen heb: een onbezorgde jeugd.

Mijn moeder schenkt thee bij, houdt mijn lege bordje omhoog.

‘Nog een stukje taart?’

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: