Naar huis

30 Dec

20150930_163420

Lieve I,

Het is best een eind rijden van de grens Mali-Senegal terug naar Nederland. Iemand die die reis zou kwalificeren als een avontuur op zich zou ik niks kwalijk nemen. Toch was het ergste voorbij. Dacht ik. Ik was ontsnapt aan de coup in Burkina Faso en veilig vertrokken uit Bamako – al moest ik daarvoor wel nog eerst een agent omkopen die een onschuldige omkeer-manoeuvre wenste uit te leggen als ‘gevaarlijk rijden’ en dreigde mij voor de rechter te slepen. Vanaf nu was het een kwestie van mooie routes uitzoeken en Afrika de laatste indrukken in mijn geheugen laten stempelen. In Senegal zou ik bij de meest westelijke punt van het continent de Atlantische Oceaan weer terug zien en ik verheugde me al op Marokko, met haar goede wegen, haar geurende keuken en haar gastvrije mensen. Dat daartussen nog een hele hoop zand lag in de vorm van Mauritanië baarde mij om de een of andere reden weinig zorgen. De wetenschap dat dat land op de kaart met officiële reisadviezen net als Mali geheel oranje gekleurd was, wist ik succesvol naar een heel klein hoekje in mijn achterhoofd te verdrijven. De grens tussen Mauritanië en Marokko was zelfs rood gekleurd, als in ‘no-go area’. Maar ik ging mij in het zicht van de haven toch niet laten tegenhouden door een rood lijntje op een kaart?

Het was merkwaardig wat mijn reiservaring met mij gedaan had: van de ene kant wist ik uit eerste hand wat er allemaal mis kon gaan, dat in principe achter elke bocht een nieuw probleem kon liggen en dat je daarom nooit je aandacht mocht laten verslappen als het ging om veiligheid. Dat gold zowel voor plotseling opduikende dieren of gaten in de weg als voor de politieke situatie en de omgang met mensen. Hoe kon ik, uitgaande van die ervaring, gerust zijn op een probleemloze terugtocht? Van de andere kant wist ik net zo goed uit eigen ervaring dat tegenslagen meestal groter leken dan ze uiteindelijk waren. Steeds was ik ze zonder echt veel kleerscheuren te boven gekomen. Hoogstens hadden ze me het avontuur opgeleverd dat ik zocht. Misschien had ik een bord voor mijn kop en had ik gewoon geluk gehad, was ik er in al mijn naïviteit zomaar doorheen gerold. Dat zou kunnen. Toch zou je met net zoveel recht kunnen beweren dat het juist mijn durf, intuïtie en open blik waren geweest waardoor ik zover gekomen was. Juist door op het goede moment wel van relevante zaken op de hoogte te zijn, door mijn vermogen om situaties op waarde te schatten en op basis daarvan verstandige beslissingen te nemen, was ik niet terechtgekomen in onomkeerbare ellende. Er was geen enkele reden om aan te nemen dat dat de komende twee maanden anders zou zijn. Sterker nog, de aanwijzingen en berichten van andere reizigers gaven aanleiding tot enig optimisme. Dus, ondanks dat oranje vlak en dat rode lijntje op de kaart en ondanks die tussenliggende zandwoestijn ging ik zelfverzekerd op weg naar huis. Mij kon niks meer gebeuren. Heet dat hoogmoed?

20150922_160058

De overtuiging dat ik verder fluitend naar huis zou rijden begon te wankelen in Dakar. Op de morgen na de laatste overnachting in Mali, net voor de grens met Senegal, startte Landcruiser niet. Dat was nog geen reden tot paniek. Het was de afgelopen weken al vaker voorgekomen dat ik twee of drie keer moest proberen voordat de motor aansloeg en ik wist waar het probleem zat: een van de startaccu’s was het langzaam aan het begeven, een probleem dat ik eerder had gehad in Tanzania. Door de huishoudaccu’s met de startaccu’s te verbinden kreeg ik de motor aan de praat – een truc die ik voor precies dit soort gevallen had laten inbouwen. Het was bepaald niet handig om iedere keer zo te moeten starten, daarom zocht ik in Dakar een Toyotagarage op. Daar was de mededeling dat er naast een nieuwe accu ook een nieuwe startmotor in moest. Die accu was geen probleem, daar had ik op gerekend, maar een nieuwe startmotor? De prognose was 1500 euro en een maand levertijd.

Mijn vertrouwen in officiële Toyotagarages was gedurende de reis danig afgenomen. Alles wat ze daar doen is kijken wat er niet meer als nieuw uitziet en dat vervangen. Meedenken over slimme en goedkopere tussenoplossingen is geen optie. Als je gewoon doet wat ze zeggen kom je er natuurlijk vandaan met een perfect rijdende auto, maar ook met een portemonnee die twee maanden reisbudget lichter is. Bij het vervangen van die startmotor had ik daarom zo mijn twijfels. Voor mijn vertrek was er nog een volledig gereviseerd exemplaar in gezet. Bovendien, nog afgezien van de kosten was een maand levertijd uitgesloten. Binnen ongeveer die tijd was ik thuis en kon ik naar een garage die ik wel vertrouwde. De andere optie was om op de markt een tweedehandsje te zoeken en die te laten installeren. Mijn monteur wilde dat wel doen, buiten de Toyotagarage om. Maar gezien het gedoe met de versnellingsbak in Kameroen had ik ook daar weinig zin in. En dus liet ik alleen de accu vervangen. Dat was een gok, want volgens de monteur was het niet te voorspellen wanneer mijn startmotor ermee op zou houden. Dat kon over twee maanden zijn, of morgen. Het was dus zaak om vanaf nu altijd eerst even na te denken waar ik was, voordat ik Landcruiser uitzette, om te voorkomen dat ik ergens in the middle of nowhere stilstond met een auto die niet meer startte. Dat ik nog een paar duizend kilometer Sahara moest oversteken verdrong ik.

20150922_153435

Het bereiken van de meest westelijke punt van Afrika had een glorieus moment kunnen zijn, zo’n hoogtepunt van een zware expeditie, zoals het bereiken van een bergtop. Maar net als de zuidelijkste punt van het continent gaf ook dit rotsachtige uitsteeksel geen enkele aanleiding tot feestelijkheden of ontroering. De plek was volgebouwd met restaurantjes die ook een zwerversonderkomen hadden kunnen zijn en souvenirstalletjes met bestofte beeldjes en kralenkettingen, waar lusteloze verkopers een halfslachtige poging deden om hun waar aan de man te brengen. Achter de eettentjes was een strandje vol plastic rotzooi waar de visresten in zee gekieperd werden. Op het betonnen bouwsel dat waarschijnlijk ooit bedoeld was als pier waarover je richting einde van de wereld kon flaneren, stonden nog een paar metalen bogen overeind, het halve geraamte van, zo stelde ik mij voor, een schaduwrijke promenade, die nu dienst deed als stille getuige van weer een mislukte Afrikaanse onderneming. De weg er naartoe kon ik in de wirwar van hutjes niet vinden. Pas later zag ik op de kaart dat het werkelijke punt iets zuidelijker lag. Het was particulier eigendom en in bezit van de vermoedelijk exclusieve Club Med en daarom voor het klootjesvolk onbereikbaar – een situatie die minstens zo typisch Afrikaans was als de sfeerloze plek waar ik was geweest.

De sfeer op het kleine Île de Gorée, gelegen voor de kust van Dakar en door de Nederlandse kolonisten vernoemd naar het Zeeuwse Goeree, was een stuk aangenamer. Geen verharde wegen, geen auto’s, alleen pittoreske smalle straatjes met huisjes in pasteltinten en spelende kinderen. Het meest interessant vond ik het fort op de zuidelijke punt van het eiland, waar een gigantisch dubbelloops kanon uit de Tweede Wereldoorlog met een bereik van veertien kilometer stond weg te roesten. Slechts één keer, ik meen in 1943, werd er gevuurd. Het was een voltreffer, dat wel. In de bunkers rondom en onder het kanon woonden nu mensen in donkere, klamme ruimtes. Ze leefden zo te zien van de verkoop van zelfgemaakte kitscherige schilderijen en van met gevonden voorwerpen in elkaar geflanste sculpturen. Het was niet allemaal rommel, sommigen hadden best talent en maakten mooie dingen, maar rijk zouden ze er wel nooit van worden. Al met al was het hele eiland een armzalig gebeuren, waar de galerijen van de gebouwen uit de koloniale tijd nu bewoond werden door gezinnen die nergens anders terecht konden en mannen met een lijntje en een haak probeerden het eten voor die avond bij elkaar te vissen. Een vredig tafereel van een bij nader inzien keihard leven.

20150924_150235

Rosso was een grensovergang die ik wilde vermijden. Ik had verhalen gehoord over oponthoud, agressie en corruptie. Het plan was daarom om bij Diama de grens van Senegal naar Mauritanië over te steken, een veel kleinere grenspost en een veel minder gebruikte route. Ik was er niet zeker van of ik daar een visum kon krijgen, dus probeerde ik het bij de Mauritaanse ambassade in Dakar. Ik kwam er niet eens binnen. De portier meldde dat ze geen visa meer verstrekten bij de ambassade. Ik moest naar de grens, naar Rosso, want bij Diama kon ik er geen krijgen. Ik geloofde er niks van. Het leek mij zeer sterk dat ze bij een ambassade in de hoofdstad van het buurland geen visum konden regelen. Misschien begon de corruptie hier al, speelde de portier onder één hoedje met de lui aan de grens. Hoe dan ook, ik kwam er niet in, Rosso moest het zijn.

Alles wat ik erover gehoord had bleek te kloppen. Het begon al aan Senegalese zijde. Dat ik een paar cent aan ‘community taxes’ moest betalen was nog tot daaraan toe. Bovendien kreeg ik er netjes een bonnetje van, wat meestal een teken is dat het om een officiële regeling gaat. Ook mijn paspoort werd zonder poespas gestempeld. Maar eenmaal binnen de poort die toegang gaf naar de veerboot die mij naar Mauritanië zou brengen, begon het gezeur. Iemand begeleidde mij naar de douane voor het stempelen van het Carnet. Degene die dat moest doen was er niet, dus ik moest wachten. Het leek mij efficiënter om die tijd te gebruiken om naar het kantoor van de politie te gaan, aan de overkant, waar ik me blijkbaar ook moest registreren. Een agent nam mijn paspoort aan en schreef de gegevens over.

‘Dat is dan drieduizend franc,’ zei hij.

‘Waarvoor?’ vroeg ik.

‘Registreren kost drieduizend franc.’

‘Drieduizend franc om mijn naam over te schrijven? Haha, onzin, ik betaal niks. Mag ik mijn paspoort terug?’

‘U wilt niet betalen? Komt u maar even het kantoor in.’

Er volgde een gesprek waarin de agent een verhaal afstak over belasting en dat dat nu eenmaal de regels waren. Ik zei dat ik al bijna twee jaar door Afrika reed en nog nergens had hoeven betalen voor het opschrijven van mijn naam, dat ik nog niemand anders had zien betalen en dat ik eigenlijk dacht dat hij het in zijn eigen zak ging steken.

‘Beschuldigt u mij van corruptie?’ vroeg de agent.

‘Nee, nee, nee, helemaal niet. Maar u moet ook begrijpen dat ik mij in een vreemd land bevind en dat mij de hele tijd overal om geld gevraagd wordt. Misschien kunt u mij duidelijkheid geven over wat ik hier, en aan de overkant van de rivier, precies moet betalen, dan heb ik een officieel overzicht en weet ik tenminste of het klopt wat er van mij gevraagd wordt.’

Zo’n overzicht kon hij niet geven. Hij mompelde iets over betalen bij de douane. Op mijn vraag hoeveel dan, gaf hij geen antwoord. Wel kreeg ik mijn paspoort terug. Voor deze keer liet hij me gaan.

Onderweg terug naar de douane bleef het mannetje dat mij begeleidde zeggen dat ik vijfduizend franc moest betalen om het Carnet te laten stempelen. Ik reageerde niet, liep door naar de plek die mij gewezen werd, een bureautje waar nu wel iemand achter zat. Ik nam plaats en overhandigde het Carnet. Om mij heen stonden zo’n tien man te kijken naar wat er ging gebeuren. Ik had geen idee wie van hen nu eigenlijk bij de douane hoorde, wie een ritselaar was en wie er ook gewoon kwam voor een stempel. De man aan de andere kant van het bureau zei niks, bladerde door mijn Carnet. Heen en terug. Heen en terug. Achter mij hoorde ik nog een keer ‘vijfduizend franc’ fluisteren.

‘Daar een stempel en een handtekening,’ zei ik, en wees de plek aan. ‘Het is niet ingewikkeld.’

Uiteindelijk vroeg de man bij iemand om een pen, vulde het Carnet in, stempelde en gaf het formulier terug. Blijkbaar had ik iets goed gedaan, want niemand vroeg nog om geld.

Ik wachtte in de auto tot de veerboot aankwam. Om de beurt meldden zich mensen aan mijn open raampje om hun hulp aan te bieden bij de formaliteiten aan de overkant. Ik bedankte vriendelijk, zei dat ik het wel alleen af kon. Om op de veerboot te komen moest ik tot aan de motorkap het water in en om eraf te komen opnieuw. Voor een drukke grensovergang waren de faciliteiten op zijn zachtst gezegd matig. Maar ik was Senegal uit. Het moeilijkste gedeelte kwam nu. Toen ik uitstapte werd ik bestormd door een stuk of vier mannen die mij gingen helpen. Ze struikelden bijna over elkaar heen om me de weg te wijzen naar een kantoortje waar al twintig anderen stonden, waardoor het ook zonder hun ‘hulp’ vrij duidelijk was waar ik moest zijn. Ik had aan de Senegalese kant iemand zover gekregen alle bedragen die betaald moesten worden op een papiertje te schrijven. Dat bood enige houvast, al was allerminst zeker of het allemaal ook klopte. De honderdtwintig euro voor het visum stond er alvast niet op, maar daarvan had ik al op internet gezien dat er niet aan te ontkomen was. Vijftienhonderd Ouguiya, ongeveer vier en een halve euro, voor de politie was het eerste wat mij gevraagd werd. Die ging ik in ieder geval niet betalen. Vijfduizend Ouguiya voor de veerboot, daarvan kreeg ik een bonnetje, dus dat zou wel kloppen. Tweeduizend Ouguiya taxe communale, ook daarvan een bonnetje. Vooruit maar. Toen kwam het. Mijn paspoort en kentekenbewijs moest ik inleveren (lees: werden uit mijn handen gegrist) bij de politie, om de gegevens in te voeren in de computer. Mijn Carnet moest ik aan iemand geven die zei dat hij ‘le Chef’ was. Ik moest mijn auto ergens anders parkeren voor de controle. Alles moest open, iemand klom in de auto en checkte. De ‘chef’ kwam terug met het gestempelde Carnet. Hij liet het zien.

‘Mooi, dank u,’ zei ik en wilde het document aanpakken. Hij trok het terug.

’Zeventienduizend Ouguiya,’ zei hij.

‘Moet ik betalen?’

’Zeventienduizend.’

‘Ik betaal niet. Ik heb nog nooit hoeven betalen voor het stempelen van het Carnet en dat doe ik nu ook niet.‘

‘Je moet betalen, anders krijg je het niet terug.’

‘Zeventienduizend betalen voor het zetten van een stempel? Niks ervan.’

‘Dan kom je hier niet weg.’

‘Prima, dan blijf ik hier.’

Boos liep hij weg. Ik haalde mijn schouders op, ging terug naar de auto, haalde een stoel tevoorschijn en ging een banaan zitten eten. Even later riep de chef mij vanuit het kantoor. Ik ging erheen en kreeg weer hetzelfde verhaal.

‘Je moet betalen!’ schreeuwde hij.

‘Heb je een bonnetje dan?’

‘Dit is je betaalbewijs!’ Hij wees op het Carnet.

‘Dat is geen bonnetje, dat is mijn Carnet en ik hoef niet te betalen om dat te laten stempelen. Er staat ook geen bedrag op.’

‘Je komt hier niet weg, je moet de hele nacht hier blijven.’

‘Geen probleem, ik heb een tent.’

Weer beende hij weg. Ik ging terug naar de auto. Nu kwam er iemand anders naar mij toe, die op vriendschappelijke toon met mij begon te praten.

‘Waarom betaal je niet? Doe het nou gewoon, dan kun je weg.’

‘Ik hoef niet weg.’

Ik liep een rondje over het terrein, checkte waar ik Landcruiser kon neerzetten voor een rustige nacht en waar ik eventueel naar de wc kon. Weer werd ik door de chef geroepen.

‘Je staat hier drie dagen, vijf dagen! Je kunt niet weg. Wil je niet weg?’

‘Nee hoor, maakt me niks uit, ik hoef nergens heen. Ik wil hier wel kamperen.’ Het was nog gemeend ook. Het begon donker te worden en ik had niet veel zin meer om verder te rijden.

‘Je gaat hier dood!’

‘Dat zal wel meevallen.’

Weer werd er door de andere jongen op mij ingepraat. Waarom ik toch zo moeilijk deed. Hij begon me te irriteren en ik stuurde hem weg. Iemand anders kwam naar mij toe, nam mij apart. Wat het probleem was. Ik legde het uit en hij zei tegen omstanders:

‘Hij is Europeaan, en in Europa krijgen ze overal een bonnetje voor, anders betalen ze niet.’

Ik knikte. ‘Precies, als er geen bonnetje is, klopt het niet.’ Het kon geen kwaad wat begrip te kweken bij wat willekeurige aanwezigen.

‘Ik ga zo naar huis en neem je paspoort mee. Je komt hier niet weg!’ De chef was weer terug.

‘Dat is goed,’ zei ik, ‘dan zie ik je morgen wel weer.’

Uiteindelijk werd de zaak geschikt. Een agent, een echte, in uniform, kwam vragen waarom ik niet vertrok. Ik vermoed dat hij met de chef, die natuurlijk een ordinaire ritselaar was, gepraat heeft. Ik betaalde negenduizend Ouguiya, omdat op mijn briefje nog vierduizend stond voor een passavant en vijfduizend voor een bon de sortie. Over beide had ik mijn twijfels, maar als daarmee de zaak was afgedaan had ik er vrede mee. Ik betaalde ook nog de openstaande vijftienhonderd aan de politie om mijn paspoort en kentekenbewijs terug te krijgen. Misschien klopte de bedragen op het briefje gewoon en kwam ik daar echt niet onder uit, of het nu terecht was of niet.

Bij de uitgang werd de auto nog een keer gecontroleerd, nog een keer moest ik al mijn papieren tevoorschijn halen, nog een keer werden alle stempels gecheckt. Toen mocht ik door, de inmiddels pikdonkere woestijn in. Een van de jongens die mij had aangesproken liep nog even met de auto mee naar buiten, probeerde mij de lokale herberg in te praten, maar liet en passant ook vallen dat er vijftig kilometer verderop een politiepost was, waar ik zou kunnen kamperen. Alles leek mij beter dan blijven hangen in dit in corruptie gedrenkte dorp en ik reed de duisternis in.

Inderdaad werd ik vijftig kilometer verder aangehouden. Ik vroeg of ik mocht kamperen. De politieman knikte begripvol. Hij zag dat ik moe was, zei hij, en vond het sowieso te gevaarlijk om door te rijden vanwege de vele ezels op de weg. Hij wees naar een vlak stuk zand.

‘Daar ergens is prima. Wij houden je wel in de gaten.’

Toen ik mij zo’n beetje geïnstalleerd had kwam hij naar me toe. Of ik niet wat voor hem had, iets te roken ofzo. Het leek een aardige vent en hij had me geholpen, dus ik griste het pakje sigaretten uit de auto dat ik in Kameroen voor dit soort gevallen gekocht had en liet het hem zien.

‘Sigaret?’

‘Camel? Nee, dat rook ik niet. Heb je niet iets anders?’

Nou werd het helemaal mooi. Ik grabbelde in mijn zak en haalde een paar muntjes tevoorschijn.

‘Meer ik heb ik niet.’

Hij nam het geld aan en verdween weer naar zijn post. Ik zuchtte maar weer eens diep. So much voor de probleemloze terugtocht. En toen moest de woestijn nog komen.

SAM_0025

Lag Atar al behoorlijk ver de Sahara in, voor het echte woestijngevoel moest ik nog een stukje verder, naar Chinguetti, daar waar de wegen langzaam ophouden te bestaan en verdwijnen in een door de wind eeuwig veranderend landschap van geelbruine zandduinen. Ik stuurde Landcruiser over een plateau met afbrokkelend asfalt totdat er van de weg niet veel meer over was dan een geribbeld zandpad waar flarden gele mist overheen waaiden. Chinguetti wordt beschouwd als de zevende heilige stad van de Islam, maar er bleek in het oudste gedeelte van de nederzetting, Le Ksar, niet veel meer van over dan nauwe straatjes geflankeerd door uit elkaar vallende muren van gestapelde stenen, waarachter zich nog enkele eeuwenoude bibliotheken bevonden en een gerestaureerde moskee. Tussen het puin woonden zowaar nog mensen. Nu en dan schoot er een schim een straatje in – een bewoner in traditioneel wit gewaad die zich van het gebedshuis naar zijn woning haastte, of een in kleurige half doorzichtige doeken gesluierde vrouw die een laatste boodschap ging doen voordat de vroege duisternis vanuit de omringende leegte een diepe stilte over de huizen trok. De stad werd in tweeën gedeeld door een oued, een wadi oftewel rivierdal, waar kinderen speelden in het ondiepe water. Aan de andere kant, in het nieuwere gedeelte van de stad, vond ik een plek om te slapen.

Auberge La Rose des Sables zag er, zoals alle overnachtingsplekken hier, uit als een caravanserai, een pleisterplaats voor de met zout beladen kamelenkaravanen die ooit, op hun tocht dwars door de Sahara van Timboektoe in Mali naar Marrakech in Marokko, Chinguetti aandeden. Het was niet moeilijk voor te stellen hoe rijen bepakte en uitgeputte kamelen, met touwen aan elkaar vastgeknoopt en aangevoerd door een met een tulband getooide Moor, hier het dorp in kwamen sjokken. Ik zag ze al komen, over de stuivende heuvels in de verte, moeizaam ploegend door het rulle zand, om voor de deur van La Rose des Sables halt te houden. Ik zag ze liggen, de kamelendrijvers, op een geweven deken en wat kussens op de grond, om beurten brood dippend in een tajine op een lage tafel, de kamelen, geknield, de poten onder hun lijf gevouwen, met hun scheve kaakbeweging het voer weg kauwend dat voor hun neus was neergezet. Het bestond hier nog, dat leven, al werd de koopwaar nu aangevoerd per fourwheeldrive en droegen de kamelen enkel nog toeristen de woestijn in. Ik, moderne drijver van mijn eigen woestijnschip, werd ontvangen met een ‘verre de thé’, geschonken uit een gammel ijzeren potje van Chinese makelij. Mijn gastheer bood een maaltijd aan en informeerde mij over de mogelijkheden om de volgende dag de woestenij in te trekken. Ik hoefde niks mee te nemen, alleen mijn tandenborstel, als ik wilde.

SAM_0161

De volgende morgen stond gids Salima voor de deur, twee kamelen, of eigenlijk dromedarissen, aan de hand. We liepen naar de rand van de stad, waar de huizen ophielden en de weidsheid begon waarin ik zou gaan oplossen. We staken de wadi over en liepen de heuvels in. En daar was het landschap dat ik gehoopt had te vinden, een zandwoestijn zoals ik mij die had voorgesteld, mijn fantasie gevoed door scenes uit documentaires en films. En hoewel ik alle elementen die deel uitmaakten van mijn beeld in principe kende, het losse zand, de bewolkte hemel boven, kamelen, een man in een djellaba, zag ik ze nu in een compleet nieuw perspectief. Natuurlijk had ik wel eens door duinen gelopen, ik was notabene in de Sossusvlei in Namibië geweest, ik had zand gezien dat zich aan de hand van de wind ophoopte en verplaatste, zelfs de kleur was eigenlijk niet verrassend, en toch was het anders dan alles wat ik tot nu toe gezien had. Misschien was het de wetenschap dat deze zandzee helemaal door golfde tot aan Sudan, daar waar ik mijn Afrikaanse avontuur begonnen was, dat het hetzelfde zand was waar ik nu doorheen ploegde. Misschien was het het oerbeeld van die twee kamelen aan een touwtje en die man op die slippers die voor hen uit ging in die lege vlakte, een beeld waarvan ik had gedroomd en dat nu werkelijkheid was geworden. Misschien was het ook wel de stilte, die alleen als je heel goed luisterde onderbroken werd door het ruisende stappen van de kamelen en af en toe, bovenop een duin, door de wind. Misschien was ik nog nooit zo dicht bij de natuur geweest.

Ik liep achter de kamelen aan, om de hoogste heuvels heen, zoog nu eens het landschap naar binnen als een zwart gat het licht in de ruimte, dan weer spurtte ik als een jonge hond de heuvels op, voor de minikaravaan langs, stortte ik mij op de knieën in het zand om de die ene epische foto te maken. Salima, wiens Frans nog een stuk minder was dan het mijne en met wie ik daarom nauwelijks kon communiceren, keek mij verwonderd na, maar liep gestaag door, steeds verder de leegte in. Ik volgde, mijn hart dansend in mijn borst.

Na drie uur kwamen we bij een oase, aangekondigd door drie ezels die ons vanaf een hoge heuvel voorgingen. Er stonden wat hutjes rondom een tuin van palmen, merkwaardig groen in die dorre vlakte. Eerst kregen de kamelen te drinken van water dat met een emmer opgehesen werd vanuit een simpel, onopvallend gat in de grond. Daarna nestelden we ons in de schaduw en maakte Salima een houtskoolvuurtje waarop hij thee zette en de lunch bereidde. Na het eten verscheen er een vrouw met een kindje aan de hand. Ze spreidde een doek uit in het zand en liet me wat kettinkjes en een gedeukt theepotje zien. Het spul was rijp voor de prullenbak, maar dat gold in mijn westerse optiek voor alles wat in deze door god verlaten plek gebruikt werd om in leven te blijven. Ik kocht niks, ik heb een schild gebouwd tegen armoede.

SAM_0143

Verder ging het, nog meer zand, nog meer heuvels, nog meer niks. Ik vond het prachtig. Een uur voor de zon onderging stopten we bij een bosje – een paar scheve bomen op een laag heuveltje. Het zou ons kamp voor de nacht worden, wat niet veel meer inhield dan dat ik mijn matje en slaapzak uitrolde naast het vuurtje dat Salima stookte. Hij bakte een brood, daar ter plekke in het zand en bad tot Allah, die inderdaad niet heel ver weg kon zijn. Na het eten was er niks te doen en niks te zeggen. Salima zette zijn radiootje heel zacht aan. Ik herinnerde mij ‘Loi’, mijn gids op Mount Kenya, die ik op de weg naar boven had gevraagd om zijn telefoon, waar onophoudelijk muziek uit kwam, uit te zetten. Het stoorde me, ik wilde de verlatenheid voelen, de stilte horen. Nu vond ik het wel fijn, dat zachte gezang op de achtergrond, vermoedelijk religieuze liedjes in het Arabisch. Het páste op de een of andere manier, zoals die vrouw en dat kind eerder in de oase, zoals die kamelen in de woestijn. Misschien was het dat wat ik de laatste maanden steeds meer gevoeld had en waardoor ik zo cynisch geworden was over Afrika: het idee dat er iets niet klopte, dat de mensen, al die mensen die met hun handje omhoog stonden en aan mijn kop zeurden om geld, vervreemd waren van hun eigen cultuur, van hun eigen grond. Al die krotten, die mobieltjes, de rotzooi op straat – het waren niet hún krotten, het waren niet hún mobieltjes, het was niet hún rotzooi, het was niet eens hun straat. Ze hadden niet gevraagd om dit leven, het was hun opgelegd en ze hadden erin mee gemoeten om niet van armoede te sterven. En tegen beter weten in waren ze er zelf in gaan geloven, hadden ze een maatschappij gecreëerd die niet méér was dan een slechte kopie van een opgedrongen ideaal. Het was Caitlin geweest, de vrouw van wie ik dacht dat jij het was, die me op Zanzibar had gewezen op het interieur van de stranddiscotheek waar we waren. ‘Ze hebben het ingericht zoals ze denken dat een discotheek in New York eruit ziet.’ Ik kon die opmerking toen niet helemaal plaatsen, maar ik snapte nu wat ze bedoelde. Er zat geen gevoel in, geen eigenheid en dat zielloze was in Afrika alomtegenwoordig.

Daar waar het vlak was en de grond wat harder mocht ik op een van de kamelen gaan zitten. Echt comfortabel was anders, maar voor de afwisseling was het wel fijn om even te schommelen in plaats van te lopen. Mijn gedachten schommelden met mij mee. Het was niet alleen vanwege het feit dat ik hier alleen was in een natuurfenomeen dat ik niet eerder gezien had, dat ik een verschil ervoer met de plekken in West Afrika die ik eerder bezocht had. In sub-Sahara Afrika, dat vaak werd onderscheiden van Noord Afrika, heerste ook echt een andere cultuur. Dat de Islam hier de grootste religie was en niet het Christendom speelde natuurlijk een belangrijke rol. Maar belangrijker was de weg die die twee religies en de bijbehorende cultuur hadden afgelegd om in Afrika te komen. De christelijke cultuur was met de kolonisten uit Europa meegekomen, terwijl de islamitische cultuur zich over Afrika had verspreid vanuit het Midden-Oosten. De europees-christelijke cultuur slaat, om het maar eens ongenuanceerd te zeggen, in de oerwouden en savannes van sub-Sahara Afrika als een tang op een varken, terwijl de arabisch-islamitische cultuur ontstaan is in dezelfde soort omgeving als waar ze in Afrika een inbedding gevonden heeft: in de woestijn. Ik heb er geen onderzoek naar gedaan, maar het kwam op mij over alsof die arabisch-islamitische cultuur op een veel natuurlijker wijze geïntegreerd is, dat ze omarmd is door de bevolking, terwijl de europees-christelijke cultuur een jas is die de Afrikaan in sub-Sahara Afrika niet past. Misschien dat ik me daarom wat minder op mijn gemak voelde in met name West Afrika en dat ik in de woestijn veel meer rust en samenhang ervoer. De kalme meditatieve rituelen, zoals het theedrinken, het buigen en knielen, het wassen van de handen en voeten en het golvende gezang in de moskeeën, tegenover de uitbundige vieringen in de kerken, het bijna agressieve ronselen van mensen in bijvoorbeeld Ghana, de knoertharde muziek in van elke gezelligheid gestripte bars. De europees-christelijke cultuur in Afrika lijkt zich te moeten overschreeuwen om zich te laten gelden, lijkt overcompensatie nodig te hebben om te kunnen geloven in haar eigen bestaansrecht, terwijl de arabisch-islamitische cultuur als vanzelf een plaats heeft onder de mensen.

SAM_0238

Het begon te waaien. Het zand joeg over de duintoppen, gleed als een flapperende dunne laken over de hellingen omlaag voor mijn voeten langs, fijnstof verzamelde zich in mijn haren en oren. De hemel werd aan het zicht onttrokken door een zachtgele waas, een sluier van miljarden zwevende korreltjes. Op tien meter afstand kon ik Salima en de kamelen nog maar net onderscheiden. Het was zaak ze niet uit het oog te verliezen, want net als in een dichtbegroeid oerwoud kon je hier binnen een paar tellen volledig verloren lopen. Het droeg allemaal bij aan het gevoel van de enorme verlatenheid van deze plek. Salima stopte, wachtte tot ik bij hem gekomen was en schreeuwde boven de wind uit iets over de wind. Ik kon hem maar half verstaan, maar ik begreep dat hij voorstelde om de route te wijzigen. Er was een oase in de buurt. Ik zou nog uren kunnen doorlopen in deze storm, dagen kunnen zwerven, verdwijnen in die woeste sluier van zand, maar het leek mij verstandiger om de raad van mijn gids op te volgen. Ik knikte. Een uur later, we staken de wadi weer over, doemde er iets groenigs op uit de mist. We zochten beschutting in een hutje bestaande uit een paar flinke ingegraven boomstammen, een met kleinere takken gevlochten wand en doeken om ons tegen de wind te beschermen. Het was, zo vermoedde ik, de kookplaats van de man die hier woonde en die even later in gescheurde lompen aan kwam zetten met een schaal vol verse dadels uit zijn palmgaard. Het waren de lekkerste dadels die ik ooit geproefd heb. Salima keuvelde wat met de man en bereidde de lunch, ik maakte het mij gemakkelijk, las een stuk in mijn boek en viel in een halfslaap vol dromen.

20151001_115502

Na de lunch bleek dat Salima inderdaad de route had ingekort. Het was nog slechts een half uur tot Chinguetti. Het zou wat, ik had gezien wat ik wilde zien. Misschien kwam ik ooit nog eens terug om echt per kameel van Marrakech naar Timboektoe te reizen. Voor nu ging ik gewoon verder per Landcruiser, terug naar Atar. Maar mijn woestijnavontuur was nog allerminst voorbij. In plaats van terug te rijden naar Nouakchott, waar ik vandaan kwam en waar een goede weg naartoe liep, ging ik in Atar rechtsaf, richting Choum. Al gauw hield het asfalt weer op en volgde ik alleen nog maar zandsporen. Ik was op weg naar het rode lijntje op de kaart – de grens tussen Mauritanië en Marokko, waarvan dus werd afgeraden om erheen te gaan. Maar ik had geïnformeerd bij mijn gastheer in Chinguetti, nog iemand gevraagd in Atar en het zou allemaal mogelijk moeten zijn. Zolang ik maar niet aan de andere kant van de spoorlijn kwam, want daar lagen mijnen. Het had, voor zover ik begreep, allemaal te maken met de Westelijke Sahara, het gebied dat officieel deel uitmaakt van Marokko, maar waarvan de bewoners onafhankelijk willen worden.

Om de grens naar de Westelijke Sahara over te steken moest ik terug naar de kust, bij Nouadhibou, en dat betekende dat ik die hele rode lijn moest volgen. Er loopt een legendarische spoorlijn langs die grens, van Nouadhibou via Choum naar Zouérat, waar de langste goederentrein ter wereld overheen rijd, volgeladen met erts. Die spoorlijn moest ik in de gaten houden. Ik zou op sommige plekken door diep zand moeten, was mij verteld, waar de track onzichtbaar was. Daar moest ik vertrouwen op de spoorlijn. Zo lang die in zicht was kon ik niet verdwalen. En ik had natuurlijk mijn GPS, die een stippellijntje gaf dat ik kon volgen. Op weg naar Choum, ik had de spoorlijn nog niet eens bereikt, ging het al mis. De track die ik volgde leidde me steeds verder af van het stippellijntje op mijn Garmin en hield uiteindelijk op. Daar stond ik dan, omringd door die oneindige Sahara, geen track op de grond, een lege witte plek op het schermpje van de GPS. Er zat niks anders op dan om te keren en de track terug te vinden waar ik van afgedwaald was. Na een half uur zat ik weer op koers en tegen het eind van de middag kwam ik aan bij Ben Amira, de op een na grootste monoliet ter wereld (na Ayers Rock in Australië), waar een dorpje naast lag. Dat laatste was, hoewel ik het liefst in mijn eentje wilde kamperen in de leegte, van belang: mocht Landcruiser de volgende dag niet meer starten, dan waren er in ieder geval mensen in de buurt, wat in deze omgeving niet minder dan het verschil tussen leven en dood kon betekenen.

Ben Amira was vooral een hele grote steen, een uit de kluiten gewassen kiezel in een zee van zand. Interessanter vond ik Aïsha, zijn iets kleinere kiezelvrouw, die een stuk verderop lag. Ze had haar geslacht te danken aan een onmiskenbare snee, die inderdaad weinig aan de fantasie overliet.

SAM_0298

In 1999 hadden zestien kunstenaars een aantal rondom liggende rotsblokken getransformeerd tot sculpturen. Het was een even bizar als grandioos idee om op deze compleet geïsoleerde plek een beeldentuin te maken. Ik liep rond tussen uit steen gehouwen gezichten die vanuit het binnenste van de rots door de buitenkant leken te breken, zag abstracte figuren die afkomstig waren uit een compleet andere wereld dan hun drager en er toch deel van uitmaakten, bekeek dier- en mensachtige creaties die zich als het ware om het steen gevouwen hadden. En daartussen stond, minstens zo onwerkelijk, Landcruiser, met draaiende motor, geduldig wachtend, trouw als een hond.

SAM_0314

Ik was pas weer een half uur onderweg toen het weer misging. De track was volledig verdwenen en ik reed door een open duinlandschap. Vanwege het losse zand durfde ik niet te langzaam te rijden, waardoor ik al mijn aandacht nodig had om de lage struiken die overal opdoken te ontwijken. Ik kon niet stilstaan om rustig te kijken wat nu eigenlijk de beste route was, bang als ik was om me vast te rijden. Ik zag te laat dat de duintop waar ik op af koerste aan de andere kant niet langzaam afliep, zoals de meeste andere, maar abrupt ophield. Ik hield van schrik mijn adem in, Landcruiser kwam los van de grond, zweefde heel even door de lucht, en klapte toen met de voorkant weer terug op het zand. Ik stootte mijn hoofd aan het opbergvak dat tegen het plafond hing, boeken en papieren vlogen door de cabine.

‘Godverdómme!’

Ik stopte, voelde aan mijn hoofd, keek om mij heen. Het leek allemaal mee te vallen. Ik stapte uit, liep rond de auto, keek eronder of ik iets kon ontdekken dat niet klopte. Ook hier leek niks aan de hand. Achterin had een deel van de kookspullen zich, zoals verwacht, door de auto verspreid. Erger was dat de twee jerrycans met drinkwater, allebei vol, een sprong gemaakt hadden en daarbij het kastje waar ze in stonden hadden vernield. Een van de dragers was gebroken, waardoor het geheel instabiel was geworden. Ik kon er zo niet meer op zitten. Maar met een simpele ingreep zou ik waarschijnlijk verdere schade kunnen voorkomen. Ik zette de jerrycans voorin en begon een kleine reparatie. Na een half uur kon ik weer verder. Niks aan de hand, part of the deal, al bonkte mijn hart nog even in iets te hoog tempo door.

Ik had langs de route al een paar keer wat flinke plassen water gezien. Blijkbaar had het hier nog niet zo lang geleden geregend. Of misschien was het toch grondwater dat hier en daar omhoog kwam. Ik had er verder niet zoveel aandacht aan besteed. Totdat de track door een van die plassen liep. Nog was ik niet bezorgd, er was ruimte genoeg, ik kon er makkelijk omheen zonder meteen in diep zand terecht te komen. Ik had alleen nog net iets verder moeten uitwijken… Met vijftig kilometer per uur reed ik langs het water over een stuk grond dat nog wel iets donkerder was dan de track, maar droog leek. Binnen twintig meter stond ik stil. Ik probeerde wat ik kon, maar de wielen slipten door, er was geen beweging in te krijgen. Ik stond vast in de modder. Middenin de fucking Sahara! Ik stapte uit en zakte meteen tot aan mijn enkels de grond in. Ik had het bijna gered, zag ik, de voorwielen stonden bijna weer op het droge, maar de achterwielen zaten zo’n beetje tot aan de assen in de prut. Er was niks aan te doen, er was niemand in de buurt. Dat werd graven. Ik groef mij met een mij onbekende woede de blaren op de handen. De modder bleef voortdurend aan de schep hangen en ik zakte de hele tijd weg waardoor ik moeilijk kracht kon zetten. Steeds als ik mijn voeten optilde dreigde ik mijn sandalen te verliezen. Woest deed ik ze uit en groef op blote voeten verder. Het zweet gutste uit al mijn poriën. Schreeuwend van boosheid en uitputting ging ik de klei te lijf. Het lukte. Onder de modder zat een laag hardere grond. Toen ik die eenmaal bereikt had, kon Landcruiser zichzelf langzaam uit het moeras trekken. Afgepeigerd ging ik achterin de auto zitten. Ik keek om mij heen. Links was de spoorlijn. Verder was er in de verste verte niks te zien. Geen struikje, geen heuveltje, niks. Ik was volledig en totaal alleen en had mijzelf uit de penarie geholpen. Bij gebrek aan anderen gaf ik mijzelf een schouderklopje.

SAM_0356 (2) bewerkt

Door al het oponthoud redde ik het die dag niet tot aan Nouadhibou. Ik moest nog een nacht langs het spoor kamperen. Deze keer had ik niet veel keus en nam ik het risico: net aan de andere kant van de rails, zodat ik uit het zicht van de track stond, parkeerde ik de auto bij een kleine acacia en zette de motor uit. Ik kon alleen maar hopen dat ik de volgende dag ook weer weg kwam. Onder het koken, het was inmiddels pikkedonker, zwol heel langzaam een diep gebrom aan. Het is typisch wat er gebeurt als je alleen in het donker bent op een plek die je niet helemaal vertrouwt: je bent alert, je zintuigen staan wijd open om alles op te vangen dat afwijkt van wat je kent of verwacht. Ik had het eerder gehad, op andere plekken in de wildernis, dat ik tot drie keer toe schrok van een geluid ik zelf produceerde. Maar dit geluid kwam niet van mijzelf. Ik stopte met mijn bezigheden, ging naast de auto staan en luisterde. Ik herkende het geluid van de vorige nacht, het was de trein. Ik zag nu ook een schijnsel in de verte. Het duurde nog zeker een kwartier voordat het gevaarte langs de auto denderde, piepend, steunend. De vonken sprongen van de wielen, de grond trilde. Ik had dezelfde trein dus de vorige nacht ook al gezien en er was eigenlijk niks speciaals aan, maar ik moest er naar kijken. Die herrie, dat gedreun, dat licht in die eindeloze eenzame duisternis, ik kon het eenvoudigweg niet negeren. Ik wist dat er geen gevaar dreigde, ik was veilig, de auto was veilig, er kon niks gebeuren en toch voelde ik de spanning in mijn lichaam toenemen naarmate dat massieve blok van licht en geluid dichterbij kwam. Het was een instinctieve reactie van mijn lijf, dat klaarstond om te vluchten. En weer was ik dichter bij de natuur dan ooit.

In Nouadhibou nam ik een dag rust. Tegelijk met mij kwamen in dezelfde auberge ook een Nederlander en een Hongaar aan, die, onafhankelijk van elkaar, naar het zuiden reisden. Ik had weer even aanspraak, kon verhalen uitwisselen over mijn ontberingen en wat tips noteren voor de verdere route. Die route liep door een, op zijn zachtst gezegd, merkwaardig stuk niemandsland. Direct na de slagboom van de Mauritaanse grenspost, waar een prima asfaltweg naartoe liep, hield de weg abrupt op. Het was te gek voor woorden. Dit was de enige normale verbindingsroute over land tussen West Afrika en Europa en er was gewoon vier kilometer lang geen weg. Geen slecht onderhouden asfalt, geen men at work, niet een track die helaas onder het zand terecht was gekomen, nee, gewoon niks. Om de een of andere reden had niemand ooit geprobeerd hier iets aan te leggen. Omdat er genoeg verkeer langskwam, feitelijk dus al het verkeer dat van Europa naar het zuiden ging, en terug, inclusief grote vrachtwagens, waren er wel overal sporen van auto’s die een weg gezocht hadden over de kale rotsen. Met grote ogen hobbelde ik verder. Het werd nog vreemder toen ik de Marokkaanse grens naderde: er doemden steeds meer autowrakken op. Sommigen waren compleet verroest en gestript en moesten er al jaren liggen. Ergens lag een ook een lading televisies. Het niemandsland tussen Mauritanië en Marokko was een autokerkhof en dumpplaats voor niet verkoopbare goederen, zo leek het. Bij de Marokkaanse grenspost, een hoge elektrische poort met aan beide zijden een wachttoren, begon het asfalt weer. Na wat heen en weer geloop tussen verschillende kantoortjes en een scan van de gehele auto, had ik mijn stempels en mocht ik door. Ik was in Marokko, het laatste Afrikaanse land van mijn reis. En zoals een Oostenrijks stel dat met de vrachtauto onderweg was naar het zuiden het formuleerde: ‘Als je vanuit Europa komt lijkt Marokko heel spannend en exotisch, maar als je uit Afrika komt, is het net Europa.’ En dus kon er nu echt niet meer zo heel veel mis gaan. Toch?

So wrong, so wrong.

20151006_140355

Voor me lag nog steeds meer dan duizend kilometer woestijn. Alleen liep er nu een degelijke asfaltweg doorheen. Het enige dat ik hoefde te doen was simpelweg rechtdoor rijden, en de auto zo min mogelijk uitzetten. Het was een fascinerende rit. Duizend kilometer lang zoefde ik langs een droog en bar landschap van niks, dat me ondertussen bekend was, terwijl ik aan de andere kant voortdurend uitkeek over zo’n zelfde lege vlakte, alleen dan van water: de weg liep letterlijk langs de rand van de Sahara over de rotskust van de Atlantische Oceaan. Af en toe stond er ergens een hutje, van vissers, of van militairen die de kust bewaakten, soms was er een kleine nederzetting, of een tankstation met een wegrestaurant, maar meestal was er gewoon helemaal niks, alleen Landcruiser, de weg en ik. En Dakhla.

Dakhla moet het Las Vegas van de Sahara zijn. Niet omdat het zoals de Amerikaanse tegenhanger bekend staat om zijn gokkasten en casino’s, maar vanwege de ligging. Weggedrukt op een schiereiland met aan drie kanten eindeloze Sahara en aan de andere kant de even eindeloze Atlantische Oceaan. Na anderhalve week door het zand te hebben geploegd reed ik nu plotseling, werkelijk vanuit het niets, een vierbaans boulevard op, vol verlicht, met stoplichten, een aangeharkt parkje ernaast, met bankjes voor het uitzicht en pergola’s voor de schaduw. Er waren winkels, restaurants, bars, een brede schone stoep zonder losse tegels of gaten. Het was sfeerloos en het zag er allemaal uit als een middelgrote Europese stad zoals ik die sinds mensenheugenis niet meer gezien had. Alsof de burgerij van Almere het zat was geworden en haar boeltje had gepakt om ergens anders een nieuw leven te beginnen. Waarom woonden hier zoveel mensen? Waar haalden zij het geld en de luxe vandaan? Ik at een hamburger met friet in een cafetaria-achtig restaurant en ging er de volgende dag snel vandoor. ‘Doe mij maar weer zand,’ mompelde ik tegen Landcruiser.

Zand kreeg ik. Weer een hele dag alleen maar rechtdoor, woestijn rechts, zee links. Tot aan Tarfaya, nog zo’n merkwaardig plaatsje aan zee, maar nu wel tegen de beschaving aan. Ik vond een kampeerplek in het flaneerparkje bij het strand, waar al twee grote campers stonden. Campers? Het begon me langzaam te dagen. Ik kwam weer terug in de wereld. Mijn wereld. De wereld die ik kende, maar die ik een soort van vergeten was. Een wereld waarin dingen gewoon werkten en geregeld waren en waarin mensen op vakantie gingen met een camper. Op zoek naar een restaurant kwam ik mijn collega-kampeerders tegen. Ze kwamen uit Spanje en gingen een maand kitesurfen. In Dakhla.

‘Tja, dat kan ook,’ dacht ik.

De echte cultuurshock kreeg ik in Tafraoute, de parel van de Anti Atlas. Ik kwam terecht op een heuse camping, met stroompunten, een serieus toiletgebouw en faciliteiten om de was en de afwas te doen. Ook hier twee campers. Oerdegelijke Nederlanders, gepensioneerd, schone gestreken ruitjesblouse met korte mouwen, luifeltje om onder te zitten, een potje nepbloemen op tafel. Ze gingen al tien jaar met de camper naar Marokko. Meneer had het ding net laten overspuiten. Veel goedkoper hier dan thuis, zei hij. En netjes werk geleverd hoor. Alleraardigste mensen ook, die Marokkanen. Hij kon me het adres wel geven?

‘Nee, dank je.’

Ik moest nodig op zoek naar avontuur. Fijngeknepen worden tussen het goedbedoelde gekwetter van twee ouderenparen kon altijd nog.

Het lukte wonderwel, dat vinden van het avontuur. Ik besloot bij Foum Zguid de alternatieve route richting M’Hamid te nemen, een fourwheeldrivetrack die me door het drooggevallen Irikimeer zou leiden en langs de rand van Erg Chigaga, een serieus stuk duinlandschap. Het ging allemaal heel lang goed, ik had de campers achter me gelaten en was weer terug in de wildernis. Het Irikimeer was een zoutvlakte met grazende kamelen, waar ik met een uit voorzorg draaiende motor een uitgebreide lunch verorberde. Daarna ging het richting zandduinen. Ik zag ze opdoemen, steeds hoger werden ze. De track die ik volgde liep er recht op af. ‘Dit gaat niet goed,’ dacht ik nog, toen het zand langzaam dieper werd, ‘ik moet omdraaien.’ En ik had mijn kont nog niet gekeerd of Landcruiser liep vast. Ik gaf extra gas, Landcruiser bleef heel, heel, heel traag vooruit gaan, totdat duidelijk werd dat het zo echt niet ging lukken. Ik boog mijn hoofd, zuchtte en stapte uit. Landcruiser had zich tot aan zijn buik ingegraven. Ik had eerder moeten stoppen, eerder moeten beginnen met graven. Dit werd echt een gigantische klus. Een uur lang stond ik te klooien met mijn schep en zandladders toen ik een stofwolk zag. Er kwam zowaar een andere auto aan. Het bleken twee Fransen op een drieweeks offroadavontuur. Ze hadden meer ervaring dan ik, en een lier op de auto. Maar ook zij reden zich vast, nog voordat ze bij mij waren. Met de lier aan mijn auto vast trokken ze zichzelf los. Nog twee keer liepen ze vast voordat ze in de goede positie voor Landcruiser stonden en ook mij eruit konden trekken. M’Hamid gingen we niet meer halen en dus bouwden we ergens op een vlak stuk ons kampje op. De ondergaande zon zette alles in een licht van een kleur goud die ik waarschijnlijk nooit meer zal zien. Ik pakte een stoel en overdacht mijn zonden. Wat als die gekke Fransen nu niet waren langsgekomen? Hoe lang had ik daar dan gestaan? Zou ik er ooit zelf uit gekomen zijn? Waarschijnlijk niet. En dan? Maar het had geen zin om zo te denken. Geluk is als gastvrijheid: het komt het best tot zijn recht als je het in dank accepteert. Ik nam een glaasje cola en proostte naar de zon.

20151012_175450

Opnieuw dacht ik dat ik het ergste gehad had, en weer had ik het mis. Ik reed achter de Fransen aan richting M’Hamid. We probeerden om de duinen heen te rijden, maar de track leidde ons er opnieuw recht naartoe. Eerst stonden de Fransen vast, en toen we een alternatieve route probeerden te vinden, ook ik. Op de GPS zagen we een track die parallel liep aan degene die we probeerden te volgen, een paar kilometer verderop. Er was maar een manier om daar te komen en dat was dwars door het tussenliggende landschap. Dat landschap bestond uit een ongelijk veld van stenen zo groot als tennisballen, afgewisseld met keien ter grootte van een voetbal. Maar we hadden weinig keus. Voorzichtig hobbelend baanden we ons een weg over de los liggende stenen heen en zo goed en zo kwaad als dat ging tussen de allergrootste door. Het was een uitstekende manier om bijvoorbeeld je differentieel aan gort te rijden. Landcruiser piepte en kraakte en kreeg de ene klap na de andere, maar rolde, onder protest, verder. Het duurde twee uur voordat we de track bereikten. En nog was het niet voorbij. Ook deze track leidde ons de duinen in. Hoe dichter we bij M’Hamid kwamen, hoe dieper het zand werd. Totdat we er middenin zaten. Er was geen weg meer terug. Gas geven en sturen was het devies, zorgen dat we niet stil kwamen te staan, of ons met de neus in een duin boorden. Ik had nog een extra handicap omdat ik achter de Fransen zat en dus voortdurend in hun stofwolk reed. Er waren momenten dat ik echt niks anders zag dan een mist van zand en moest gokken waar de weg was. De Dakarrally was er niks bij.

Net buiten M’Hamid werd de ondergrond harder en toen de eerste huisjes in zicht kwamen zaten we eindelijk weer op asfalt. We hadden het gered. Wel waren we ongemerkt een toeristenfuik in gereden. Die zandduinen waar wij doorheen gekomen waren, vormden het paradepaardje van het dorp en de bron van een zee aan hotels, adventure stores en mannetjes die auto’s wilden repareren. We dronken er een kopje thee op de goede afloop en namen afscheid. De Fransen hadden de smaak te pakken en wilden nog meer woestijn, ik vond het wel leuk geweest en ging richting Zagora. Na weer een nacht op een camping vol campers met gepensioneerde vakantiegangers reed ik door de palmeraies van de Drâa Vallei via Ouarzazate en de Skoura Oase naar de Dadès Gorge. Je kunt daarna best over een fatsoenlijke weg de High Atlas over, maar op de een of andere manier lukte het mij toch weer om het verkeerde pad te kiezen. Ik was al drie uur onderweg door een dal met pijn- en cederbomen die schitterend geelgoud afstaken tegen de felblauwe lucht en de bruingrijze heuvels, aan de voet waarvan groene akkertjes bewerkt werden door lokale boeren, toen de weg opeens ophield. In eerste instantie dacht ik nog gewoon met een slecht stuk te maken te hebben. Gaten in de weg hadden me nog nooit tegengehouden en ik probeerde om het afgebrokkelde asfalt heen te rijden. Het zand waar ik op terechtkwam bleek diepe modder en Landcruiser zakte aan de linkerkant helemaal weg, tot bijna met de zijkant tegen de rotswand. Ik hield mijn adem in, mijn hart sloeg een slag over. Als ik werkelijk kantelde had ik een groot probleem. Probeer maar eens in je eentje drieduizend kilo rechtop te duwen. Ik stopte en probeerde uit te stappen om de situatie vanuit ander perspectief te beoordelen. De deur ging nog net ver genoeg open om me naar buiten te kunnen wurmen. Landcruiser helde schrikbarend ver over. Maar ik had nog geen schurend geluid gehoord en ook op het oog leek de auto vooralsnog niet beschadigd. Ik perste mij door de kier weer terug achter het stuur en reed voorzichtig achteruit. Het werkte. Niks aan de hand. Een inschattingsfoutje, meer niet, al had het heel anders kunnen aflopen.

20151018_133507 (2) bewerkt

Tweehonderd meter verder hield de weg toch echt op. De route liep tussen de heuvels door, parallel aan de rivier. Blijkbaar had het water een tijdje geleden een stuk hoger gestaan en was de rivierrand niet opgewassen geweest tegen de sterke stroming. In de bocht voor mij was de oever helemaal weggeslagen. Ik kon niet verder. Te voet verkende ik mijn mogelijkheden. Een stukje terug liep een spoor de ondiepe rivier in. Misschien kon ik een eindje door het water hobbelen om zo de bocht af te snijden en dan later weer ergens de kant op klimmen om mijn weg te vervolgen. Het was het proberen waard. Beter dan drie uur terug rijden. Ik stuurde Landcruiser het water in.

Het stukje bocht dat ik wilde afsnijden bleek een kilometer of tien lang te zijn. Hier en daar waren nog stukken weg intact, maar iedere keer als ik daarop terechtkwam en dacht dat ik erdoor was, hield het toch weer ergens op en moest ik terug. Uitstappen, kijken, keren en opnieuw de rivier in. Het water was nergens diep, maar het was modderig en er lagen overal grote keien, waardoor ik uiterst voorzichtig moest rijden. Steeds opnieuw moest ik de auto uit om de weg te verkennen. Weer kreeg Landcruiser de nodige klappen. Ik werd er moedeloos van. Ik had mij Marokko toch iets anders voorgesteld. Volgende keer zou ik gewoon naar de kust gaan, naar Essaouira ofzo. Dan maar tussen de campers.

Uiteindelijk kwam ik een man tegen met een mand appels op de rug. Hij verstond nauwelijks Frans, dus met handen en voeten vroeg ik hem de weg. Hij wees. Niet ver meer, nog één keer de rivier oversteken, dan kwam ik weer op de doorgaande weg. Wilde ik misschien een appel? Het zijn dat soort mensen dat je op de been houdt. Hulpvaardig, vriendelijk, een simpele geste. Ik moest vooral niet vergeten dat er heel veel van dat soort mensen zijn. En dat ik erop kon vertrouwen dat ik ze tegenkwam, elke keer als het nodig was. Opgelucht verliet ik voor de laatste keer de rivier. Ik had het weer geflikt.

20151018_162631

Het was klaar. Voor de vorm trok ik nog een dag uit voor Chefchaouen, met haar medina van nauwe straatjes en lichtblauw gekleurde huisjes, prachtig gelegen op een heuvel in het Rif gebergte. Ik ging er naar de kapper, bezocht de kasbah en nam uitgebreid de tijd voor een lunch op het Plaza Uta el-Hammam. Het was ongeïnspireerd. Ik was nu overduidelijk op weg naar huis. Ik hoefde niks meer te zien of te doen, ik wilde vooral verder gedoe vermijden. Ik had geen haast, het was niet dat ik zo snel mogelijk terug wilde zijn, maar er was ook geen interesse meer in welke toeristische trekpleister dan ook. Ik had gedaan wat ik wilde doen en nu ging ik gewoon naar huis. Rustig, doch in een rechte lijn.

Tegen beter weten in probeerde ik nog wat te maken van de overtocht naar Europa. Even had ik het idee om een dag in Tanger te blijven, om symbolisch en in stijl afscheid te nemen van het continent, maar toen ik aan het eind van de middag de haven Tanger Med bereikte om alvast eens te informeren naar tijden en kosten van veerboten naar Spanje en bleek dat ik à la minute kon inschepen, besloot ik te vertrekken. Moest ik omwille van de symboliek en het dramatische effect tijdens de avondspits nog een drukke stad in gaan rijden op zoek naar een slaapplaats waar ik toch niet gelukkig van zou worden? Wie hield ik voor de gek? Ik kocht een ticket en parkeerde Landcruiser op het autodek. Ik had mij voorgesteld dat ik aan de reling zou staan, terwijl ik met tranen in de ogen staarde naar Afrika dat langzaam achter de horizon verdween. Maar er was helemaal geen reling. Er waren ramen die, vies van opspattend zout water, nauwelijks uitzicht boden. Bovendien was het donker toen we eenmaal uitvoeren, dus er viel werkelijk helemaal niks te zien. En eigenlijk was dit pas echt een afscheid in stijl, omdat Afrika voor de laatste keer liet zien dat het zich niks aantrok van welke verwachting dan ook, dat het ontsnapte aan elke voorstelling die je je ervan maakte, dat alles altijd anders zou lopen dan je van tevoren bedacht had. Dat was het Afrika dat ik gezien had. En, hoe moeilijk ook, ik had geleerd er niet meer tegen te vechten. De wereld is niet maakbaar, hoezeer wij, Europeanen, ook denken van wel. En het bewijs lag daar, op dat continent, waarvan ik nog net de laatste lichtjes kon onderscheiden. Ik had er vrede mee. Het was goed zoals het was. Alles was goed zoals het was. Ik, op die boot, zittend op een op de vloer vastgeschroefd stoeltje in een neonwit verlichte wachtruimte, een lauwe prefab wrap wegspoelend met thee uit een papieren bekertje. Zo neem je afscheid van Afrika.

20151021_125255

In Spanje vermeed ik zoveel mogelijk de snelwegen, reed dwars door Andalusië, Castilië – La Mancha en Aragón naar Andorra in de Pyreneeën. In Frankrijk sliep ik twee nachten langs de autoweg, omdat de campings die ik opzocht dicht waren en omdat ik houd van de sfeer op zo’n parkeerplaats: de vrachtwagenchauffeurs die bij een blauwig lampje een bed maken achterin hun cabine, de zakenreizigers in pak die snel een kleffe hamburger scoren en weer weg scheuren in hun veel te dure auto’s, de gezinnen die een broodje uit de koelbox eten aan een stenen tafeltje onder een boom. De totale verlatenheid tegen de tijd dat het buffetrestaurant gaat sluiten. Landcruiser met het tentje op het dak tussen die enorme vrachtwagens. Het gaf me nog heel even het gevoel echt onderweg te zijn. Nog heel even was ik de nomade die ik twee jaar lang geweest was. Zou ik het voor altijd kunnen?

Toen ik thuiskwam zat mijn moeder knikkebollend op de bank. Mijn vader was op zolder. Ik klopte op de deur. Ik kon me niet herinneren dat ik dat ooit eerder had gedaan. Maar ik was ook nog nooit eerder zo lang weg geweest. Het was niet eens gek, dat ik daar weer stond, in dat huis waar ik mijn jeugd had doorgebracht. Het was mijn huis. Het zou altijd mijn huis zijn, ook als het er ooit niet meer was. Twee jaar is niks als het gaat om een huis. En mijn ouders waren daar, mijn moeder zoals mijn moeder en mijn vader zoals mijn vader. Hoe had het anders kunnen zijn?

Ik kreeg een kopje thee, zoals ik altijd een kopje thee krijg als ik bij mijn ouders kom. Mijn vader zat aan de kant van de tafel waar hij altijd zit, mijn moeder aan de andere kant, dicht bij de keuken. Ik vertelde. Aan één stuk door vertelde ik, geloof ik.

Op mijn oude kamer stond een foto van mij. Die stond er nooit eerder. Ik kende die foto niet, kon niet thuisbrengen waar die gemaakt was en wanneer.

‘Toen was je nog veel jonger,’ zei mijn moeder.

Hij keek vriendelijk lachend de wereld in, die jongen. Ontspannen, onbezorgd. Ik zou hem wel willen knuffelen, hem tegen mijn borst drukken, zoals je je armen om een kind heen slaat. Hem willen beschermen tegen de wereld.

Tegen twee uur gingen mijn ouders naar bed. Er was geen haast, morgen kon ik ook nog vertellen. En de dag daarna. Ik nam nog een glas wijn en liep naar buiten, de tuin in. Het was een heldere, frisse nacht. Een beetje zoals in de Atlas in Marokko. Mijn vader had het tuinhuisje verplaatst, zag ik, en het was nu veel kleiner. Ik kon in het donker niet goed uitmaken of het nieuw was, of dat mijn vader het gewoon verbouwd had. Ik ging de poort door naar de oprit. Landcruiser stond er even onverzettelijk bij als altijd. Alsof we morgen weer gingen vertrekken. Ik liep er omheen, streek met mijn hand kort over de motorkap. Het liefst zou ik vanavond in de tent slapen.

Ik ging weer naar binnen, zette het wijnglas op het aanrecht en deed de lichten uit. Ik liep de trap op, naar de kamer met de groene vloerbedekking die ik als vierjarige zelf had uitgezocht. In de badkamer poetste ik mijn tanden. Ik kon het water uit de kraan gewoon drinken. Het matras waar ik op ging liggen zakte ver door. Ik zonk weg onder het dekbed, drukte mijn hoofd diep in het kussen. Nu mocht ik slapen. Morgen hoefde ik nergens heen.

Liefs,

N

Advertenties

8 Reacties to “Naar huis”

  1. Jan Franssen 30 december 2015 bij 17:17 #

    Welkom terug en dank voor je mooie verhalen. Jan

  2. Simone 30 december 2015 bij 17:56 #

    Mooi. Dank dat ik, met hulp van mij Ipad, een soort van mee heb mogen reizen.
    X!

  3. Pieter 30 december 2015 bij 19:34 #

    Prachtig! Dank voor alle mooie verhalen!

  4. Sammy 31 december 2015 bij 00:17 #

    Dude, ik huil bijna…

  5. Dyonne 31 december 2015 bij 01:53 #

    Fantastisch, wat een avontuur! Ik ben blij dat ik er eventjes bij was, zij het dan stationair in Lomé. Geniet van Nederland, enne…. Centraal Amerika wacht!

  6. Theo en Jopie van den Ende 31 december 2015 bij 14:28 #

    Prachtige verhalen heb je geschreven, maar wat belangrijker is, zelf ook meegemaakt. Wij hebben het genot mogen beleven om jou een paar keer te ontmoeten tijdens je reis, en kunnen ons een beetje voorstellen hoe je je voelt als je ver van de bewoonde wereld gestrand bent met autopech. Welkom thuis en wij hopen dat je nog lang mag nagenieten van deze onvergetelijke avonturen. Wij wensen je bij deze gelegenheid een voorspoedig en gezond 2016.
    Groet, Theo en Jopie

  7. Tom 31 december 2015 bij 20:51 #

    Ha N.

    Welkom terug in Nederland!
    Misschien kun je blijven schrijven, nu over het proces van wennen aan de Nederlandse cultuur 🙂
    Bedankt voor de mooie verhalen!
    Tom

  8. Femke 2 januari 2016 bij 20:20 #

    Wat een ervaring, neef..
    Genoten van je verhalen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: